Gibraltar — Meer dan een symbool van kracht
Door Ontwaakt!-correspondent in Marokko
ALS een schildwacht bewaakt een reusachtige rots de westelijke ingang van de Middellandse Zee — de beroemde rots van Gibraltar. Deze rots is zo nauw verbonden met het idee van kracht, dat wanneer men het erover heeft, velen onmiddellijk denken aan een sterke vesting.
Maar Gibraltar is meer dan een sterk verschanste rots. Het is voor vele mensen ook een woonplaats. Reeds van vóór de eerste eeuw van onze gewone tijdrekening wordt er van de rots melding gemaakt, dat hij in het bezit is van de Feniciërs, de Grieken, de Carthagers en de Romeinen; de Romeinen moesten de rots in de vijfde eeuw G.T. afstaan aan de binnenvallende Goten.
Bezitters uit recentere tijd
In 711 G.T. veroverden 12.000 Moren onder leiding van Tarik ibn Zijad de strategische citadel. De Moren noemden hem „Dzejebel al Tarik” (Berg van Tarik), naar hun leider. In de loop der tijd werd de naam verbasterd tot „Gibraltar”.
Zeshonderd jaar later, in 1309, eindigde de Moorse bezetting van de rots doordat de Spanjaarden hem veroverden. Koning Ferdinand IV van Castilië vaardigde een decreet uit om mensen aan te moedigen zich er te vestigen. Het decreet bepaalde dat personen die zich er vestigden, waren vrijgesteld van militaire dienst en van het betalen van de koninklijke belasting. Het maakte Gibraltar zelfs tot een wijkplaats voor misdadigers om aan het gerecht te ontsnappen. Hun misdaden zouden worden kwijtgescholden als zij een jaar en een dag op de rots hadden gewoond.
De Spaanse pogingen om de vesting te behouden, hadden echter geen succes en de Moren heroverden haar in 1333. In de daaropvolgende jaren ontstonden er bij tussenpozen verwoede gevechten om het bezit van de rots, totdat Spanje hem tenslotte in 1462 weer buit maakte. Hoewel de Spanjaarden Gibraltar zo versterkten dat het als onneembaar werd beschouwd, viel het in juli 1704 in handen van de Britten en zij hebben het sindsdien behouden.
Bij de verovering van Gibraltar lieten de Britten de 6000 Spaanse bewoners de keus tussen blijven of weggaan. Minder dan honderd bleven. De rest stak de landengte over en stichtte ongeveer negen kilometer verder op het stadje San Roque. Op deze wijze werd de bevolking van Gibraltar drastisch verminderd.
In de loop der tijd werd het tekort aan mensen weer aangevuld; Er begonnen zich voornamelijk Spanjaarden en Italianen te vestigen. Maar ook joden, Marokkanen, Indiërs en anderen gingen er wonen. Uit al deze rassen ontstond uiteindelijk een afzonderlijk volk — de bewoners van Gibraltar. Nu heeft de kolonie zo’n 25.000 inwoners. De meesten van hen spreken zowel Spaans als Engels.
Een bijzondere woonplaats
Het tehuis van de bewoners van Gibraltar is een rotsachtig schiereiland, nog geen vier en een halve kilometer lang en anderhalve kilometer breed, dat uitsteekt van het Spaanse vasteland. Het heeft ongeveer een vijfde van de grootte van Texel, en het zou ook een eiland zijn als er niet de smalle, zandige landengte bestond, een zwaar bewaakte „neutrale zone” tussen Spanje en Gibraltar.
De zware rots is natuurlijk het belangrijkste kenmerk van de kolonie. Hij heeft een hoogte van ongeveer 425 meter en vanaf de top kan men Europa, Afrika, de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan zien. De enige stad van de kolonie ligt aan de westkant van de rots, waar een groot stuk land veroverd is op de zee. De hele zakenwijk ligt beneden; het is echter een bijzonder gezicht te zien hoe de woonwijken terrasvormig tegen de helling opklimmen.
Hier vindt men door groen geflankeerde straatjes en hangende tuinen, en de lucht is doorgeurd van de bloesems. Volgens een huidige telling zijn er meer dan vijfhonderd soorten planten. Hiertoe behoren: dadelpalmen, pijnbomen, cipressen, eucalyptus, johannesbroodbomen, vijgebomen, peperplanten, de wilde olijfboom, sinaasappel- en citroenbomen en een grote verscheidenheid van cactusplanten. Bijna al deze rijke vegetatie groeit aan de westkant. De oostelijke en noordelijke zijde van de rots zijn kaal en steil.
De bewoners van Gibraltar zijn gezegend met een warm, maar niet uitzonderlijk heet klimaat, waardoor men veel dingen buitenshuis kan doen. In de zomer vindt iedereen het fijn enige tijd op de stranden door te brengen. Veel gezinnen bereiden de avond tevoren hun maaltijden zodat zij vroegtijdig op het strand kunnen zijn. Sommigen van de jongeren houden van onderwatervissen; vaak komen zij met een jonge octopus of andere lekkernijen uit de zee terug.
Vele andere mensen houden ervan om met een van de nieuwe kabelwagentjes naar de top van de rots te gaan. Deze wagentjes zijn langs de luchtkabel in een paar minuten boven. Vandaar heeft men een fantastisch gezicht op het Marokkaanse Rif-gebergte en, wanneer men dan naar de andere kant kijkt, ziet men de Spaanse Costa del Sol!
In de rots
De opmerkelijkste attracties van Gibraltar vindt men onder andere in de rots zelf, waar zich vele natuurlijke grotten bevinden. De grot van St. Michael wordt soms als gehoorzaal gebruikt; wel zeshonderd toeschouwers hebben daar muzikale uitvoeringen bijgewoond. Het is een bijzonder mooi gezicht de stalactieten en stalagmieten door gekleurde lichten die men erop laat spelen, in verschillende kleurschakeringen te zien.
Maar behalve de natuurlijke grotten is de rots letterlijk doorzeefd van door mensen gemaakte tunnels en reusachtige uithollingen die dienst doen als reservoirs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Britten met springstof achtenveertig kilometer aan onderaardse gangen aangelegd. Daar hadden zij hospitalen, kazernes, munitiedepots, werkplaatsen — een complete stad! Nog niet zo lang geleden hebben mijn gezin en ik een rondleiding in de rots gehad.
Onze gids liet ons verschillende reservoirs zien, en hij legde uit: „Elk is zes en een halve meter diep, en de bodem bevindt zich 104 meter boven de zeespiegel. Ze zijn allemaal met behulp van springstoffen uit de vaste rots gevormd.” Zoals wij vernamen, zijn er in totaal dertien reservoirs, met een totale capaciteit van zestig en een half miljoen liter water. Om een beter idee van hun grootte te krijgen, zei onze gids dat een ervan gedurende de oorlog als een kazerne was gebruikt met drie verdiepingen, voor het herbergen van vierhonderd soldaten!
Toen wij onze rondleiding kregen, had het verscheidene maanden niet geregend, daarom waren een aantal reservoirs leeg, gereed om de vroege regens op te vangen. „Twee en een halve centimeter regen”, zo legde onze gids uit, „geeft bijna drie miljoen liter water, wat slechts voor drie dagen voldoende is.” Daarom heeft men, ter aanvulling van de watervoorziening voor de kolonie, zoetwaterbronnen gegraven, en ook heeft men een aantal destillatie-inrichtingen gebouwd om zoet water uit zeewater te verkrijgen.
Ten slotte kwamen wij aan de oostzijde uit de tunnel, net naast het reusachtige oppervlak dat dient voor het opvangen van het water; 72.000 platen van gegolfd metaal, die een oppervlak beslaan van 137.600 m2, vangen hier de regen op en voeren het water in de reservoirs. Dus zelfs van de kale oostelijke helling wordt een nuttig gebruik gemaakt.
Toen wij door de tunnel teruggingen, werd het duidelijk dat Gibraltar in werkelijkheid niet zo sterk is als men wellicht zou denken. De rots is niet van graniet maar van kalksteen. En met zijn grotten, reservoirs en tunnels is hij ook beslist niet massief. Maar daarom is Gibraltar ook veel meer dan een symbool — het is de woonplaats van duizenden mensen.