De melancholische muziek van de Andes
Door Ontwaakt!-correspondent in Ecuador
LANGS een voetpad hoog op de hellingen van het Andes-gebergte, keert een Indiaans gezin van de markt terug naar huis. Vader, die voorop gaat, brengt een eenvoudige fluit aan zijn lippen en in de berglucht weerklinkt een zoete, droevige melodie. Een honderd kilometer verder, in de drukke straten van de stad Quito, schuifelt een nederige cargador verder onder zijn vracht, en ergens onder uit de plooien van zijn poncho brengt een kleine transistorradio de klanken van een zelfde droevige serenade voort.
Dit is de typische muziek van de Ecuatoriaanse siërra. Ze wordt met een liefkozende naam música nacional genoemd, en haar karakteristieke geluid kan men op het hele Ecuatoriaanse hoogland horen, in ontelbare cafeetjes op de hoek, op de pleinen als er een feest wordt gehouden, op de velden tijdens de oogsttijd, in bussen, in werkplaatsen en in de huizen. Hoewel deze klagende en iedere keer weer terugkerende deuntjes nu niet direct gedachten oproepen aan de typische „vrolijke Latijnse muziek”, hebben ze toch een aparte bekoring. Ze vertellen de luisteraar ook veel over het land en het volk.
De inheemse muziek in dit deel van Zuid-Amerika schijnt in de loop der eeuwen heel weinig veranderd te zijn. Volgens één van de vroege geschiedschrijvers van Ecuador, Juan de Velasco, ontdekten de Spanjaarden, toen zij aankwamen, dat de Indianen panfluiten en pingullos bespeelden; met de laatste naam worden verschillende soorten fluiten aangeduid. Tot op deze dag vertoont de muziek van de stammen in de Andes slechts heel weinig invloed van vier eeuwen Spaanse overheersing. De Indiaan speelt nog steeds op zijn rondador, of panfluit, en zijn pingullo. Zijn niet op schrift gestelde melodietjes kan men nog steeds beluisteren.
Van de kenmerkende instrumenten voor deze streek staat speciaal de rondador in de belangstelling. De Ecuatoriaanse rondador wordt gemaakt door acht tot dertig of meer holle rietpijpjes, die van gevarieerde lengte zijn en een diameter hebben van ongeveer anderhalve centimeter, in een rij aaneen te voegen. De maker van de rondador voegt de pijpjes „op het gehoor” in toonparen bij elkaar. In muziektermen zou de verhouding of het interval tussen de tonen van elk paar kunnen worden aangeduid als een kleine terts. Slechts in de heel kleine rondador worden de pijpjes in een doorlopende toonladder gerangschikt. De verrukkelijke melodieën van de rondador worden ten gehore gebracht door over de bovenkant van de pijpjes heen te blazen en het instrument heen en weer te schuiven alsof men een mondharmonica bespeelt.
De rondador heeft grote belangstelling gewekt omdat er in de ruïnes van oude Chinese en Birmaanse beschavingen en op de eilanden van de Stille Oceaan net zulke instrumenten gevonden zijn. Deze treffende overeenkomst in muziekinstrumenten is door sommigen uitgelegd als een duidelijk bewijs van het vroege contact dat er tussen het verre Oosten en de Zuid-Amerikaanse culturen moet hebben bestaan.
Velen, die de muziek van de siërra voor het eerst horen, zeggen dat deze hen doet denken aan Oosterse muziek. Anderen zeggen dat ze herinneringen oproept aan sommige oude Schotse balladen. Hun oren hebben hen niet bedrogen. De muziek van de Andes is gebaseerd op de pentatonische toonladder, net zoals dat het geval was met de oude muziek van China, Schotland en andere landen.
De pentatonische toonladder is een toonladder die bestaat uit vijf tonen, zonder halve tonen. De toonladder is gebaseerd op een tonica of grondtoon, bijvoorbeeld de F, waarboven vier reine kwinten worden gebruikt: C, G, D, en A (waarbij de C de vijfde toon is boven de F, en de G de vijfde boven de C, enzovoort). De vijf tonen worden dan opnieuw gerangschikt en vormen zo de opwaartse, grote-terts toonladder: F-G-A-C-D. In de Ecuatoriaanse volksmuziek is het gebruik van de pentatonische kleine-terts toonladder, in dit geval D-F-G-A-C, grotendeels verantwoordelijk voor het droevige, monotone geluid.
Invloed van de omgeving
Wat ook de oorsprong van de Indiaan in Ecuador en zijn cultuur geweest is, toen hij zich in de Andes-valleien ging vestigen moet zijn muziek de stemming van zijn nieuwe vaderland zijn gaan overnemen. De ontzag inboezemende schoonheid van de met sneeuw bedekte vulkanen, de ijle lucht, de koude wind en, bovenal, de eenzaamheid van het berglandschap — al deze omgevingsfactoren schijnen hun stempel op zijn persoonlijkheid en zijn muziek te hebben gedrukt.
De duidelijke verschillen tussen de volksmuziek van de siërra en die van de tropische kust, een ander belangrijk geografisch gedeelte van Ecuador, lijken dit idee te ondersteunen. De luchthartige en onafhankelijke mensen aan de kust tonen over het algemeen beslist een voorkeur voor levendige, ritmische muziek. In de regel schuwen zij de treurige melodietjes die hun zwijgzame landgenoten boven in de bergen zo innig liefhebben. Veelbetekenend is ook dat de populaire muziek aan de kust het meest in majeur gespeeld wordt, terwijl de Indianen op de siërra voor meer dan 90 percent van hun wijsjes de droevige mineur toonaard hebben gekozen.
Sommigen hebben gedacht dat, met het oog op de onderdrukking waaronder de Indianen de afgelopen eeuwen hebben geleden, de duidelijke droefgeestigheid van hun muziek een weerspiegeling vormt van de droefheid van hun levenslot. Anderen zijn echter van mening dat de melancholische aspecten meer aan omgevingsfactoren toe te schrijven zijn en aan de beperkingen van hun instrumenten en hun muzikale systeem dan dat het een doelbewuste uiting is van sociaal onbehagen.
De Indiaan vindt zijn muziek inderdaad niet bepaald droevig. Hij speelt ze alleen maar op die manier omdat hem dat ligt en omdat ze al lang zo gespeeld wordt.