Andere gedachten over een academische opleiding
IN VROEGER dagen meenden de meeste mensen dat een academische opleiding de weg was naar succes en geluk. Thans hebben velen hier andere gedachten over.
Wat is de oorzaak van de veranderingen van opvatting? Een combinatie van factoren die tien of twintig jaar geleden nog niet zo duidelijk waarneembaar waren. Deze factoren hebben zich nu dusdanig ontwikkeld dat het hoger onderwijs in veel landen in een crisistoestand verkeert.
Een van de uitgebreidste onderzoekingen inzake de problemen waar het onderwijs mee te kampen heeft, werd onlangs door de Carnegie Corporation in de Verenigde Staten ingesteld. Een van de deelnemers aan het onderzoek, Ch. Silberman, redacteur en gewezen docent aan een hoger-onderwijsinrichting, zei betreffende dit onderzoek: „Toen wij begonnen, dacht ik dat degenen die de scholen het scherpst bekritiseerden, de dingen wel wat overdreven. Maar nu denk ik dat zij zich er nog te gematigd over hebben uitgelaten.”
Cursussen ontoereikend
Eén terrein waartoe de kritiek zich uitstrekt, heeft te maken met de studiecursussen van vele hoger-onderwijsinstellingen. Sommige docenten zijn van mening dat de cursussen er vaak in te kort schieten de jeugd op de terreinen die zij zullen betreden, of op het leven in het algemeen, voor te bereiden.
Fundamenteel voor het hele onderwijsstelsel bijvoorbeeld is de opleiding van de leerkrachten. Over dit belangrijke terrein verklaarde de heer Silberman echter: „Ik moet de eerste leerkracht aan een middenstandsbuitenwijkschool nog tegenkomen die zijn vooropleiding zelfs maar enigszins toereikend acht. Verreweg de meesten van hen stemmen daarentegen in met het oordeel van S. Sarason van de Yale-universiteit, namelijk dat ’de inhoud en methodes van de docentenopleiding vaak geen betrekking op de werkelijke taak van een docent blijken te hebben’.”
Niet alleen op de opleiding van de leerkrachten maar ook op andere terreinen van het onderwijs is deze kritiek gericht. Maar al te vaak worden studierichtingen gevolgd die weinig of niets te maken hebben met wat de student gaat doen nadat hij afgestudeerd is. Daarom zijn veel leerkrachten van mening dat — en dat geldt vooral voor een propaedeutisch examen — er meer nadruk moet worden gelegd op de wijze waarop gestudeerd wordt dan op het leren van feiten die nooit gebruikt zullen worden. Dat vereist echter een aanzienlijke bekwaamheid van de docenten. En uit het Carnegie-rapport blijkt dat de docenten zelf toegeven niet goed voorbereid te zijn.
Wat de kwestie bovendien nog ingewikkelder maakt, is dat de gemiddelde docent steeds minder in staat is de studenten de persoonlijke aandacht te geven die zij nodig hebben. Waarom? „In de reusachtige hoger-onderwijsinrichtingen gaat de student in de grote massa medestudenten op. De tijd waarin docenten kleine klassen hadden en met een tiental studenten tegelijk vraag-en-antwoordbesprekingen hielden, is vervangen door overvolle omstandigheden. De klassen zijn groot, de universiteitsterreinen zijn net zo overbevolkt als de straten van grote steden, de studentenhuizen zijn bekrompen en lang niet rustig genoeg om te studeren.” — U.S. News & World Report.
De hoger-onderwijsinrichtingen gelijken zodoende op reusachtige fabrieken die afgestudeerden afleveren die niet op hun levenswerk zijn voorbereid en er onzeker tegenover staan.
Financiële moeilijkheden
In plaats dat er meer docenten en betere faciliteiten komen, ontwikkelt de situatie zich in tegengestelde richting. Hoe komt dat? Het hoofd van het Dartmouth-college, J. G. Kemeny, antwoordt: „Zowel het particulier als openbaar hoger onderwijs ziet zich tegenover de ernstigste financiële crisis gesteld die het ooit beleefd heeft.”
De kosten van het exploiteren van inrichtingen voor hoger onderwijs gaan snel omhoog, doch de inkomsten niet. Vele hoger-onderwijsinstellingen hebben daarom moeten inkrimpen wat personeel en faciliteiten betreft, en dat nog wel op een tijd dat er uitbreiding nodig is. Al 500 Amerikaanse colleges verkeren in ernstige financiële moeilijkheden en een tweemaal zo groot aantal dreigt hetzelfde lot te zullen ondergaan. „Enige kleinere hoger-onderwijsinrichtingen zijn reeds door gebrek aan gelden gesloten, en andere staan op instorten. Vrijwel alle openbare universiteiten kunnen maar nauwelijks rondkomen. En de grootste en rijkste instellingen en die welke het meest in aanzien zijn, zitten tot over de oren in de schuld”, zegt The Wall Street Journal.
De Princeton-universiteit verwacht dit jaar een tekort van meer dan $2.000.000, de Columbia-universiteit had voor het schooljaar dat in de herfst van 1969 begon, een tekort van $11.000.000, en in 1970 was het tekort zelfs nog groter. Het tekort voor de Yale-universiteit beliep over 1967 $300.000, over 1968 $900.000, over 1969 $1.250.000 en wordt voor 1970 op $1.750.000 geraamd. K. Brewster jr., hoofd van de Yale-universiteit, waarschuwt: „Indien de huidige afneming van fondsen voortduurt . . . zullen wij genoodzaakt zijn hetzij de kwaliteit van onze verrichtingen te laten varen, hetzij ons niet meer op belangrijke en in het oog springende terreinen van activiteit te bewegen, òf er niet langer naar te streven toegankelijk te zijn op gronden van begaafdheid in plaats van rijkdom, ras of herediteit.”
Natuurlijk hebben niet alle hoger-onderwijsinrichtingen met ernstige financiële moeilijkheden te kampen, doch er zijn er steeds meer waarbij dit wel het geval is. Ook gaan voor elke student de kosten met sprongen omhoog. Daarom stellen sommige ouders zichzelf onderzoekende vragen in verband met de wenselijkheid hun kinderen naar kostbare onderwijsinrichtingen te sturen die zo’n bewolkte toekomst tegemoet gaan, terwijl er geen enkele verbetering in zicht is.
Geweld en cynisme
Ongeregeldheden en relletjes in en rond universiteitsgebouwen vormen nog een factor ten nadele van het hoger onderwijs. Overal ter wereld zijn de studenten in gewelddadigheden losgebarsten in verband met verschillende kwesties zoals de oorlog in Vietnam, het nationalisme, onrecht wegens rassenverschil, en de taak van de hoger-onderwijsinrichting zelf.
Studenten hebben hun uitgesproken mening over deze dingen. Sommigen aarzelen niet hun mening kenbaar te maken, ook al betekent dit geweld en opstand. Vaak werd hierdoor het cursusschema volkomen in de war gebracht. In de Verenigde Staten werd „het schooljaar 1969-70 verleden voorjaar afgesloten met zes doden en tientallen gewonden tijdens studentenrelletjes, met 125 scholen die door studentenstakingen gedurende verschillende periodes gesloten werden, en met de ernstigste uitdaging waarvoor het hoger onderwijs zich ooit gesteld heeft gezien, namelijk de worsteling om zijn bestaan”, aldus de Sunday News van New York. Sommige ouders en studenten eisten terugbetaling van hun schoolgeld wegens de lessen die niet waren doorgegaan.
In een studie over ongeregeldheden op universiteitsterreinen merkte een Amerikaanse regeringscommissie op: „Wij treffen dreigende en schokkende berichten aan over studenten die wapenvoorraden aanleggen, en over anderen die zich voorbereiden om tegen betogers de wet in eigen hand te nemen.”
In het geval van veel jonge mensen voorziet het hoger onderwijs in nog een ander soort van opleiding, namelijk een opleiding in opstand en geweld. Veel ouders hebben hun kinderen met hoge verwachtingen naar een hoger-onderwijsinrichting gestuurd, met als enig resultaat dat zij geschokt moesten toezien welke weg hun kinderen opgingen.
Toen in de herfst van 1970 de colleges een aanvang namen, hielden de autoriteiten de adem in. Er was echter niet zoveel gewelddadigheid als het vorige jaar. Waarom niet? In kringen waar men nauw bij het studentenleven betrokken is, is men van mening dat velen van hen in een zeer cynische stemming zijn geraakt daar zij alle vertrouwen hebben verloren dat hun regering, hun ouders en schoolautoriteiten een verandering van enige betekenis tot stand kunnen brengen.
Experts waarschuwen dat een dergelijk grondig cynisme tijdelijk misschien wel meer rust op universiteitsterreinen zal opleveren, maar op den duur veel gevaarlijker zal blijken te zijn. Bij een volgende crisis zal dat cynisme wellicht overgaan in activiteiten die veel ernstiger zijn dan wat men tot nu toe heeft meegemaakt.
Welk zedelijk klimaat?
Gewelddadigheid en opstand vormen niet de enige revolutionaire activiteit op instellingen voor hoger onderwijs. Een ander soort van revolutie is zich aan het voltrekken. Deze heeft met huisvesting te maken. In toenemende mate wordt mannen en vrouwen toegestaan zonder toezicht in dezelfde studentenhuizen te wonen. Op andere plaatsen zijn zij vaak vrij om op elk uur van de dag of de nacht bij elkaar op de kamer te komen.
Enkele docenten zijn tot de slotsom gekomen dat dit niet tot een verlaging van de seksuele moraal leidt. Toen bijvoorbeeld onthutste ouders vragen stelden over de welvoeglijkheid van de „gemengde” studentenverblijven van de inrichting voor hoger onderwijs die hun dochter bezocht, antwoordde een woordvoerder van deze instelling: „Is het ooit bij u opgekomen dat de jongens in het studentenverblijf van uw dochter haar als een zuster in plaats van slechts een seksobject beschouwen?”
Een dergelijke kijk op de dingen is uiterst naïef. Te denken dat jonge mannen en vrouwen die in toegeeflijkheid zijn opgevoed, zonder toezicht in hetzelfde huis kunnen worden ondergebracht en elkaar dan slechts als broer en zus beschouwen, is ongeloofwaardig en berust op louter fantasie.
Sommige volwassenen zijn van mening dat als de studenten voordat zij naar de universiteit gaan niet geleerd hebben het goede van het verkeerde te onderscheiden, het te laat is als zij daar eenmaal zijn. Maar zelfs al hebben zij geleerd wat juist is, dan nog blijft het degelijke bijbelse beginsel van kracht dat ’slechte omgang nuttige gewoonten bederft’ (1 Kor. 15:33). Onder de druk der omstandigheden en in gezelschap van andere jonge mannen en vrouwen, die er geen kwaad in zien zich seksueel losbandig te gedragen, kan het gebeuren dat jongelui met eertijds hoge morele maatstaven toelaten dat ze worden verdorven.
Natuurlijk zijn er schoolautoriteiten, ouders en studenten die zich niet om een hoge seksuele moraal bekommeren. Maar als uw zoon of dochter een middelbare school bezoekt en u erover denkt hem of haar naar een instelling voor hoger onderwijs te laten gaan, bekommert u zich dan niet om een hoge seksuele moraal? Zo ja, dan zult u dit harde feit onder de ogen moeten zien: ontegenzeglijk zal op een universiteit de seksuele moraal heel gemakkelijk verdorven worden. Vraagt u maar aan degenen die daar geweest zijn. Als zij eerlijk zijn, zult u er zelden een vinden die zegt dat zijn moraal verbeterd is.
De schrijver Dr. L. T. Woodward, gepromoveerd aan de medische faculteit van de Universiteit van New York, zegt dat, ofschoon de seksuele immoraliteit op middelbare scholen zeer snel is toegenomen, „op universiteiten de sex zich nog meer heeft verbreid. Het is mogelijk hele groepen vierdejaarsstudenten, zowel mannen als vrouwen, te interviewen en dan te constateren dat slechts een klein percentage van hen nog nooit seksuele gemeenschap heeft gehad”. Hij merkte op dat velen die nog maagd zijn als zij op de universiteit komen, „tegen de tijd dat zij vier jaar later afstuderen, voor een zeer hoog percentage geen maagd meer zullen zijn”.
De waarheid in deze kwestie is onvermijdelijk: bij jonge, ontvankelijke studenten, die misschien voor het eerst van huis weg zijn, heeft het universiteitsleven gewoonlijk een verwoestende invloed op de seksuele moraal. Er is geen enkele reden om te geloven dat uw kind een uitzondering zal vormen.
Het drugtoneel
De verwording van de seksuele moraal wordt nog verergerd door de hedendaagse drugwaanzin. De meeste studenten hebben op zijn minst met de een of andere drug geëxperimenteerd. Een toenemend aantal wendt zich tot het dodelijke heroïnegebruik.
Op een van de hoger-onderwijsinstellingen in New York verklaarde M. Berman, assistent-hoogleraar in de politieke wetenschap: „Dat wat er volgens mij mee te maken heeft, is dat heel wat jonge mensen verteerd worden van hartzeer als zij zien hoe hun leven te gronde wordt gericht, en daarom nemen zij heroïne opdat zij niet alleen hun ondergang zien maar zich tevens kunnen amuseren.”
Druggebruik is in studentenkringen zo algemeen geworden dat de New York Times schrijft: „Met dezelfde openhartigheid waarmee sommige studenten . . . op het grote grasveld van de terreinen rond de stadsuniversiteit hun huiswerk maken, komen anderen daar bij elkaar om heroïne te kopen en te gebruiken. . . . de aanwezigheid van druggebruikers is op sommige plaatsen, zoals het grasveld en de cafetaria, opvallend zichtbaar. Gedurende een periode van vijftien minuten na de klassenwisseling omstreeks het middaguur kon men zien hoe twaalf mensen drugs kochten.”
Niet anders te verwachten
Het is inderdaad waar dat men in het algemeen soortgelijke opvattingen huldigt ten aanzien van geweld, sex en drugs, maar in studentenkringen komt dit naar verhouding veelvuldiger voor, en bovendien op een leeftijd waarop jonge mensen geneigd zijn te experimenteren en zij onder de ouderlijke controle vandaan zijn.
En wat is het gevolg? Een vloedgolf van gedragingen die maar weinig ouders wensen. Er vindt een persoonlijkheidsverandering plaats waardoor ouders vaak tot tranen worden bewogen. De jonge mensen staan bloot aan een klimaat van geweld, cynisme, seksuele immoraliteit met de daarmee gepaard gaande geslachtsziekten en ongewenste zwangerschappen, ontgoocheling en druggebruik. Is dat het klimaat dat u voor uw kinderen wenselijk acht?
Wat zou u echter anders kunnen verwachten? Op vrijwel alle hoger-onderwijsinstellingen heeft een atheïstische filosofie de overhand. Overheersend is daar de evolutiegedachte, waardoor de mensen in de ogen van de studenten dierlijker worden. Zij beschikken over weinig of geen beteugelende kracht en hebben geen gids in het leven. Hierdoor worden zij ertoe gebracht af te stappen van de hoge bijbelse beginselen die in het leven van godvrezende personen van zoveel waarde zijn gebleken, zoals bevestigd kan worden door Jehovah’s getuigen, die in deze hoge maatstaven geloven en ze in praktijk brengen.
Kansen op een goede betrekking
Wat valt er bovendien te zeggen over een van de belangrijkste redenen waarom men hoger onderwijs gaat volgen — dat men hierdoor op een betere betrekking wordt voorbereid? Zelfs dit valt thans te betwijfelen. In veel landen is de kans op een goede betrekking voor academisch gevormden nog nooit zo slecht geweest.
Beroepsadviseurs op hoger-onderwijsinstellingen maken melding van een sterke daling in de tewerkstelling van academici bij bedrijven. De directeur van het arbeidsbureau voor de Amerikaanse staat Michigan verklaarde dat „het er met de arbeidsmarkt in de 26-jarige geschiedenis van het arbeidsbureau hier nog nooit zo slecht heeft voorgestaan”. En de hoger-onderwijsinstellingen leveren een recordaantal afgestudeerden af die om steeds minder vacatures met elkaar wedijveren.
Zelfs mensen met een hogere graad hebben moeilijkheden. R. Brocksbank, hoofd van de afdeling Werving Academisch Personeel van Mobil Oil Corporation, zei: „Heel wat jongens die bedrijfseconomie hebben gestudeerd om een prachtige positie te kunnen verwerven, zullen dit jaar teleurgesteld worden. Voor het eerst sinds jaren gaan heel wat bedrijven er nu al toe over, minder personeel met een MBA [Amerikaanse academische graad op het gebied van bedrijfsadministratie] in dienst te nemen.”
Duizenden met een academische graad of doctorstitel, zoals geleerden, docenten, ingenieurs en directeuren van grote bedrijven, hebben in deze tijden van economische moeilijkheden hun betrekking verloren. „Werkloosheid onder wetenschappelijk geschoold en technisch personeel is het laatste jaar met 67% omhooggevlogen”, aldus The Wall Street Journal. Een chemicus die een inkomen van $40.000 per jaar had genoten, werd wegens bezuiniging ontslagen. Hij zei: „Ik heb meer dan 600 brieven geschreven en heb van geen enkel bedrijf een betrekking aangeboden gekregen.”
Een ander probleem is dat een bedrijf aarzelt iemand in dienst te nemen van wie zij geloven dat hij voor een bepaalde baan te hoog gekwalificeerd is. Iemand met een doctorstitel zal wellicht in wanhoop naar werk solliciteren waarmee hij minder zal verdienen. Over het algemeen schrikken de bedrijven ervoor terug zo iemand in dienst te nemen. Ze zijn van mening dat hij gemakkelijk teleurgesteld kan worden en dan ook zodra hij een betere baan kan krijgen, zal vertrekken.
Sommigen zijn niet uit een lucratieve betrekking ontslagen. Zij hebben ontslag genomen. Waarom? The Wall Street Journal schrijft: „De meesten van hen die de maatschappelijke ladder van het bedrijfsleven hebben verlaten, zeggen dat de momenten waarop zij spijt hebben zeldzaam zijn en snel voorbijgaan. Hun ontgoocheling over hun vroegere werk en leefwijze is zo diep dat elke gedachte aan terugkeren erdoor verdrongen wordt. Dat is zelfs het geval met hen die nog in twijfel verkeren over wat zij zullen gaan doen en met hen die zich tot het uiterste inspannen om kredietwaardig te blijven.”
Ja, net zoals veel studenten zich uit de concurrentiestrijd en de vicieuze cirkelgang, van het universiteitsleven terugtrekken, trekken ook veel topfunctionarissen zich terug uit de concurrentiestrijd van het bedrijfsleven of verlaten zij de vicieuze cirkelgang van hun leven als academicus waaraan zij na hun wetenschappelijke opleiding met zulke hoge verwachtingen gingen deelnemen. Hierdoor blijkt wel een bedroevend commentaar te worden gegeven op de leefwijze die men op grond van een universitaire opleiding kan verwachten.
Inderdaad, de ontgoocheling over het doel en de resultaten van het hoger onderwijs is thans zo groot dat in de Verenigde Staten slechts ongeveer één derde van hen die een inrichting voor hoger onderwijs bezoeken ooit een vierjarige cursus voltooit. In een „Verslag over hoger onderwijs”, in maart 1971 aan de Stanford-universiteit uitgegeven, werd het volgende opgemerkt: „De meeste uitvallers voeren als de voornaamste redenen waarom zij de school verlaten aan: ontevredenheid over het hoger onderwijs en het verlangen naar herziening van persoonlijke doeleinden en belangstelling. . . . Het hoger onderwijs heeft bij veel studenten nagelaten de aandacht te boeien en het enthousiasme op te wekken. Voor sommigen is het beslist een negatieve ervaring.”
Ander werk
Vroeger kon men wanneer men hoger onderwijs had genoten inderdaad nog een betere positie vinden. Maar de tijden veranderen. Tegenwoordig zijn er veel betrekkingen waarvoor geen hoger onderwijs nodig is en die goed betalen. Men kan bijvoorbeeld een vak leren waardoor men vrijwel overal terecht kan.
Tot voor kort was men blijkbaar van mening dat iemand die met zijn handen werkte geen waardige arbeid verrichtte. Men beschouwde hem niet als werkelijk succesvol. Vele zogenaamde ’waardige’ academici en gestudeerde personen vragen zich tegenwoordig echter af hoe zij aan hun volgende maaltijd moeten komen, terwijl timmerlieden, loodgieters, kantoorbedienden, elektriciens en anderen die een vak hebben geleerd en met hun handen werken, een baan hebben. Sommige vuilnismannen in de Verenigde Staten verdienen tegenwoordig $10.000 per jaar.
Het is geen schande als iemand een vak leert en met zijn handen werkt. Het wordt tegenwoordig zelfs steeds praktischer om dit te doen. Dat is nog een reden waarom sommige ouders tegenwoordig andere gedachten hebben over een academische opleiding. Zij geven er de voorkeur aan, hun jongens en meisjes op een middelbare school te laten studeren waar zij — althans voor een deel — in nuttiger en praktischer vakken onderwezen kunnen worden. Na hun eindexamen van de middelbare school kunnen zij wellicht korte tijd een handelsopleiding volgen of een waardevolle praktijkopleiding krijgen. Zodoende bekwamen zij zich voor een vak en vermijden zij de hartepijn en misère die men vaak in leidinggevende posities ondervindt.
Ouders die Jehovah’s getuigen zijn, hebben nog een heel gezonde reden om hun kinderen een nuttig vak te laten leren. Zij weten aan de hand van de vervulde bijbelprofetieën dat de huidige industriële samenleving haar einde nadert. De Almachtige God zelf zal haar binnenkort de doodklap toebrengen (Spr. 2:20, 21; 1 Joh. 2:17). Daarna zal er in Gods nieuwe ordening een wederopbouwwerk worden verricht om deze gehele aarde in een paradijs te veranderen (Luk. 23:43). Allerlei vakken en ambachten, alsmede bekwaamheden op het gebied van huishoudelijke en landbouwwerkzaamheden, zullen dan zeer nuttig zijn. Door hun kinderen een andere weg te wijzen dan het huidige zogenoemde hogere onderwijs, besparen deze ouders het hun kinderen dus, blootgesteld te worden aan een klimaat van steeds grotere zedenverwildering en geven zij hun terzelfder tijd ook een vooropleiding voor leven in een nieuw samenstel van dingen.
[Illustratie op blz. 5]
Hoe nuttig is een academische opleiding?
HEBT U WERKELIJK MEER KANS OP EEN GOEDE BETREKKING?
ZULT U DOOR DE OMGANG MET MEDESTUDENTEN MENTAAL EN MOREEL WORDEN OPGEBOUWD?