Wat vriendelijkheid en tact tot stand kunnen brengen
VOOR veel mensen is onvriendelijk handelen veelmeer regel dan uitzondering. Door aldus te handelen ontketenen zij gewoonlijk een kettingreactie, daar hun slachtoffers met gelijke munt terugbetalen. Ware christenen trachten zich echter met goedheid of vriendelijkheid te bekleden (Kol. 3:12). Door dit te doen, kunnen zij onvriendelijkheid op zeer doeltreffende wijze het hoofd bieden. Het vreugdevolle resultaat van de volgende ervaring die door een van Jehovah’s getuigen is opgedaan, onderstreept dit feit:
„Toen ik op een dag persoonlijke bezoeken bracht, klopte ik op een deur waar een Duits meisje opendeed. Ik was verrukt omdat ik mijn toespraakje in het Duits kon houden, want mijn Engels was toen nog niet zo goed. Nadat ik begonnen was het doel van mijn bezoek uiteen te zetten, viel zij mij in de rede en zei op een zeer onvriendelijke manier: ’Ik haat God en ik wil niets met de bijbel te maken hebben.’ Toen ik wegging zei ze: ’Als u persoonlijk iets nodig hebt, kunt u bij me komen.’
Kort daarna had ik iemand nodig die zowel Duits als Engels kende en die iets voor mij kon vertalen. Ik kon niemand anders bedenken dan dit Duitse meisje dat zo onvriendelijk had gehandeld. Met een beetje angstig voorgevoel tikte ik op haar deur. Ze deed open en zei koeltjes: ’Wat, bent u er al weer?’
Ik antwoordde: ’Maar u hebt gezegd dat ik kon terugkomen als ik iets nodig had.’
’O!’ zei ze en voegde er toen aan toe: ’Komt u dan maar binnen!’
Nadat ik de zaak aan haar had uitgelegd, werd zij heel vriendelijk en hielp mij. Om mijn waardering voor haar hulp te tonen, nodigde ik haar uit de volgende dag bij mij thuis te komen om koffie te drinken met Duitse koek. Welnu, zij kwam en bleef komen. Het leek wel alsof ze elke dag kwam. Ik had een idee. Als ze mij blijft bezoeken, heb ik een schitterende gelegenheid haar iets over de bijbel en Gods beloofde nieuwe ordening te vertellen. Tijdens haar bezoekjes en terwijl wij koffie dronken en aan Duitse koek knabbelden, vertelde ik haar dus elke dag iets over Gods voornemens.
Toen bijvoorbeeld haar zoontje op een keer ziek was, wees ik erop dat hij in Jehovah’s nieuwe ordening nooit meer ziek zou zijn. Toen ze erover sprak dat ze graag een nieuw, eigen huis zou willen hebben, verklaarde ik haar tactvol dat zij een eigen huis kon hebben in het aardse paradijs dat door God wordt beloofd. Dit zachtjes zaaien en begieten duurde ongeveer vier maanden voort. Op een ochtend kwam zij vroeg naar mijn huis en klopte op de deur. Ik opende de deur en daar stond zij met diezelfde onvriendelijke blik die zij had toen ik haar de eerste keer ontmoette. Ze duwde mij bijna het huis in en gebood me te gaan zitten, wat ik deed. Toen zwaaide ze boos met haar arm naar mij en zei: ’U, u hebt me betoverd.’
Ik antwoordde haar vriendelijk: ’Ik? Hoe dat zo?’
Ze antwoordde: ’Vannacht heb ik gedroomd over die nieuwe ordening waar u het altijd over hebt. Daar u het bent die mij hierover vertelt, moet u me nu maar eens laten zien waar dat in de bijbel staat!’ Ik pakte dus mijn bijbel en het haar zien wat zij wilde weten. ’Ga nu mee naar mijn huis’, schreeuwde ze. Wij gingen naar haar huis en daar pakte zij haar bijbel die ongeveer honderd gulden had gekost van een hele hoge boekenplank. Toen zei ze: ’En laat het me nu in mijn eigen bijbel zien!’ Dit deed ik.
Enkele maanden later, toen zij meer begrip van de bijbel had gekregen, nam zij haar dure bijbel onder de arm en ging in de plaats waar zij woonde van deur tot deur. Zij toonde de mensen veel van de prachtige dingen die zij had geleerd. Zij deed dit omdat zij voelde dat zij het aan Jehovah verplicht was iedereen te laten weten dat zij werkelijk was veranderd. Sommigen gaven toe dat dit de ware religie moest zijn als iemand zoals zij erdoor veranderd kon worden.
Ik heb uit deze ervaring geleerd dat wij als wij iemand ontmoeten die onvriendelijk is, altijd vriendelijkheid moeten betonen. Wie weet of het weer een ’schaapje’ is.”