„Uw woord is waarheid”
„Gij moogt niet stelen”
„TOENEMENDE golf van winkeldiefstallen — en einde nog niet in zicht.” Zo luidde de titel van een bepaalde rubriek in U.S. News & World Report van 2 maart 1970. Er werd in meegedeeld dat deze soort van diefstal in een decennium was verdrievoudigd, „waardoor het een van de snelst groeiende van alle soorten van diefstal is geworden”. „Slechts een fractie van alle winkeldiefstallen wordt werkelijk aan de politie doorgegeven”, werd vervolgens gezegd, terwijl er elk jaar voor miljarden dollars aan geld en goederen wordt gestolen.
Dit verslag vermeldde tevens dat in één winkel, waar 175 klanten werden gecontroleerd, één op de negen iets had gestolen. Een onderzoek onder 1000 middelbare scholieren in de Amerikaanse staat Delaware onthulde dat 50 percent toegaf op zijn minst één maal gestolen te hebben. Een winkelier aan de Amerikaanse westkust moet gezegd hebben dat volgens personen die met het instrument werken dat leugenontdekker wordt genoemd, „75 percent van alle werknemers alles steelt, van geld tot koopwaar aan toe. Het is als een grote ijsberg — wij zien alleen maar de top”.
Stelen is een soort van zelfzucht die vele vormen aanneemt, waar winkeldiefstal en diefstal van werknemers er slechts twee van zijn. Mensen stelen van verzekeringsmaatschappijen door onjuiste of overdreven schadeopgaven te doen. Burgers stelen van hun regering door middel van belastingontduiking, door goederen hun land binnen te smokkelen zonder er invoerrechten voor te betalen en door onverdiende werkloosheidsuitkering te innen. Van sommige kassiers in zelfbedieningszaken is het bekend dat zij klanten op verschillende manieren hebben bedrogen.
In veel steden, zoals New York, worden mensen op het ogenblik op klaarlichte dag door dieven beroofd. Zo stopte er eens een auto bij een groep mensen die in de rij stond om een drukkerij te bezichtigen; een man sprong naar buiten, griste een vrouw haar tasje uit de handen, sprong terug in de auto en was in een mum van tijd verdwenen. Zelfs op drukke perrons in de ondergrondse gebeurt het dat een dief naar een vreemdeling toestapt, hem een mes in de palm van zijn hand laat zien, hem zijn portefeuille afhandig maakt en hem dan vriendelijk goedendag zwaait!
Waarom wordt er op het ogenblik zoveel gestolen? De bijbel heeft deze toename, alsmede de reden ervoor, voorzegd. In het kort wordt hierin aangetoond dat Satan de Duivel en zijn demonen naar de aarde zijn geworpen, waar zij in grote woede al het mogelijke doen om het mensengeslacht te verderven, aangezien zij weten dat hun tijd kort is. — Matth. 24:12; 2 Tim. 3:1-5; Openb. 12:7-12.
Tot de oorzaken die voor de wijdverbreide diefstallen van thans genoemd zouden kunnen worden, behoren verslaving aan verdovende middelen en gokken. Bovendien zijn er mensen die stelen omdat zij te lui zijn om te werken, terwijl er ook vrouwen zijn die winkeldiefstallen plegen wegens de opwinding die het hun schenkt ongestraft iets onwettigs te doen. Het ontbreken van een juiste ouderlijke opvoeding kan ongetwijfeld eveneens verantwoordelijk worden gesteld voor veel diefstallen die door jongeren zijn gepleegd.
Mensen die stelen, trachten hun daden vaak goed te praten of te rationaliseren. Velen zijn van mening dat er niets kwaads in schuilt van grote zaken of instellingen te stelen, maar het blijft diefstal. Anderen rechtvaardigen diefstal wanneer dit wegens armoede of andere maatschappelijke onrechtvaardigheden wordt gedaan, maar het ene onrecht kan het andere niet ongedaan maken. Weer anderen trachten hun diefstallen te rechtvaardigen door te zeggen dat ze niet groot zijn. Maar Gods Woord zegt: „Wie onrechtvaardig is in het geringste, is ook onrechtvaardig in veel.” — Luk. 16:10.
Wanneer wij de neiging van de gevallen mensheid om zich dingen toe te eigenen die anderen toebehoren, in aanmerking nemen, hoe verstandig is dan het achtste van de Tien Geboden, dat luidt: „Gij moogt niet stelen” (Ex. 20:15). Hoewel deze wet aan de Israëlieten werd gegeven, wordt diefstal ook duidelijk in de christelijke Griekse Geschriften verboden. Typerend is het gebod dat door de apostel Paulus werd opgetekend: „Wie steelt, stele niet meer, maar laat hij liever hard werken, door met zijn handen goed werk te doen, opdat hij iets aan de behoeftige kan uitdelen.” Hoeveel beter is het niet om aan behoeftige personen te geven in plaats van te stelen! — Ef. 4:28.
Er zou gezegd kunnen worden dat Eva de eerste mens was die heeft gestolen. Toen zij zag dat de verboden vrucht in Eden „goed was tot voedsel en dat hij iets was waarnaar het verlangen . . . uitging”, zwichtte zij voor de verleiding en begon ervan te eten. Daarna bracht zij haar man ertoe zich in de diefstal bij haar aan te sluiten. Wat een prijs betaalden zij! — Gen. 3:1-24.
Nog een dief die treurig aan zijn eind kwam, was de Israëliet Achan, die wat van de aan Jehovah opgedragen dingen stal toen Jericho door Israël werd ingenomen. Hij heeft zijn diefstal eveneens met zijn leven betaald. En dan was er de verrader Judas Iskáriot. Hij wordt door de apostel Johannes als een dief gebrandmerkt, want hij schreef dat Judas „een dief was en de geldkist had en gewoon was het daarin gestorte geld weg te dragen”. Hij eindigde zijn leven met zelfmoord. — Joz. 7:1-26; Joh. 12:6; Matth. 27:5.
Hoe kan iemand de neiging om op onwettige wijze datgene weg te nemen wat aan anderen toebehoort, bestrijden? Door zich alle redenen voor te houden waarom hij dit niet dient te doen. In de allereerste plaats dient de vrees voor Jehovah God iemand van stelen te weerhouden, want stelen wekt Gods ongenoegen op, en is het verstandig dat te riskeren? „Zijn wij soms sterker dan [God]?” Ja, „de vrees voor Jehovah betekent het kwade te haten”, en stelen is beslist iets kwaads. — 1 Kor. 10:22; Spr. 8:13.
In de tweede plaats dient iemand het te vermijden te stelen omdat dit een slecht geweten tot gevolg heeft. Het is veel beter het zonder bepaalde dingen te moeten stellen dan ze te verwerven ten koste van het verlies van een goed geweten. Christenen hebben het gebod ontvangen een goed geweten te behouden: „Behoudt een goed geweten, zodat zij die geringschattend over uw goede gedrag . . . spreken, juist in datgene waarin zij ten nadele van u spreken, beschaamd mogen worden.” — 1 Petr. 3:16.
Verder veroorzaakt stelen dat er een slechte verhouding ontstaat tot degene van wie men iets heeft gestolen. Men kan nu eenmaal niet iets van een ander stelen en een vriendelijke gezindheid jegens die persoon blijven bezitten. En dan is er altijd de vrees of de mogelijkheid dat men betrapt wordt. De apostel Petrus waarschuwt dan ook: „Dat niemand van u echter lijde als . . . een dief.” — 1 Petr. 4:15.
De rede alleen al dient iemand duidelijk te maken dat stelen verkeerd is. Net zoals men niet zou willen dat iemand anders iets wegneemt wat men op wettige wijze heeft verkregen, dient men niet iets van een ander weg te nemen wat híj op wettige wijze heeft verkregen. De Gulden Regel is hier van toepassing: „Zoals gij wilt dat de mensen u doen, doet hun desgelijks.” — Luk. 6:31.
Een grote hulp is tevredenheid. Hij die beseft dat ’godsvrucht met tevredenheid’ een middel tot groot gewin is, zal niet tot stelen verleid worden. En er moet worden toegegeven dat men wordt geholpen de neiging tot stelen te bestrijden door gelegenheden tot diefstal zo ver mogelijk uit de weg te gaan. — 1 Tim. 6:6-8, NBG.
Samengevat zou er terecht gezegd kunnen worden dat de twee grote geboden, namelijk om ’Jehovah God met geheel ons hart, onze ziel, ons verstand en onze kracht lief te hebben en onze naaste lief te hebben als onszelf’, ons van diefstal zullen weerhouden. Het is een uitgemaakte zaak dat ’de liefde de naaste geen kwaad berokkent’. — Mark. 12:29-31; Rom. 13:10.
Evenals in het geval van andere fouten waarmee de gevallen mensheid te kampen heeft, kan stelen worden overwonnen. De apostel Paulus zegt dat bepaalde personen in de gemeente te Korinthe deze ondeugd hebben overwonnen. Het is mogelijk, en het wordt ook in deze tijd nog steeds gedaan.