Voetnoot
b In hun Commentary on the Old Testament verklaren Keil en Delitzsch dat iemand schuldig zou zijn aan dwaling of zonde als hij, hoewel hij „op de hoogte was van een andermans misdaad, ongeacht of hij die had gezien of er anderszins van op de hoogte was geraakt, en derhalve bevoegd was om met het oog op de veroordeling van de misdadiger als getuige voor het gerecht te verschijnen, verzuimde dit te doen en niet meedeelde wat hij had gezien of te weten was gekomen toen hij tijdens het openbare onderzoek naar de misdaad de plechtige bezwering van de rechter hoorde, op grond waarvan alle aanwezigen die iets over de kwestie wisten, werden aangespoord zich als getuigen aan te melden”.