Voetnoot
a Over de eerste aanval op Jeruzalem in 66 G.T. door Cestius Gallus geeft Josephus’ Geschiedenis van den joodschen oorlog, Boek 22, hoofdstuk XIX, het volledigste verslag. In paragraaf 1 verklaart hij dat Cestius Gallus ten tijde van de viering van het loofhuttenfeest (15-21 Ethanim [of Tisjri]), dat in dat jaar van ongeveer 22-28 oktober (Gregoriaanse kalender) moet hebben geduurd, Jeruzalem tot op een afstand van „vijftig stadiën” naderde. De joden deden een aanval en brachten de Romeinen enige schade toe; na vervolgens van een wachtperiode van „drie dagen” melding gemaakt te hebben, zegt Josephus dat Cestius Gallus zijn leger naar Jeruzalem liet optrekken, waarna hij zijn leger op de dertigste Tisjri (ongeveer 7 november) de stad binnenbracht (par. 4). In paragraaf 5 zegt hij dat de Romeinen de tempelmuur vijf dagen achtereen bestormden en de muur op de zesde dag ondermijnden. Toen, zonder enige reden, trok hij zich van de stad terug en werd hij door de joden achtervolgd (par. 6, 7). Volgens de Interpreter’s Dictionary of the Bible, Deel 2, blz. 866, arriveerde Vespasianus begin 67 G.T. in Palestina en trachtte hij eerst de rest van het land onder zijn beheer te krijgen. In 69 G.T. werd hij keizer, en hij liet het aan zijn zoon Titus over de aanval op Jeruzalem te ondernemen.