Volgens „dezelfde gedachtengang” over onze dienst voor God spreken
JULLIE, zijn ongetwijfeld in de gelegenheid geweest De Wachttoren van 1 april 1976 te lezen en de inlichtingen te vernemen die daarin worden verschaft over de uitdrukkingen „bedienaar” en „bediening”. Welke uitwerking zal deze schriftuurlijke uiteenzetting op onze dienst voor God hebben?
In werkelijkheid blijft onze dienst voor God wat deze altijd is geweest. De inlichtingen in de Wachttoren-artikelen helpen ons eenvoudig die dienst in een wat duidelijker licht te zien, terwijl onze waardering ervoor is verrijkt. Wij worden er ook door geholpen de betekenis van bepaalde bijbelse uitdrukkingen nauwkeuriger te begrijpen en ze op een dusdanige wijze te gebruiken dat hun oorspronkelijke betekenis en „gevoelsnuance” er vollediger door tot uitdrukking worden gebracht. Wij worden erdoor geholpen te vermijden dat wij door middel van onze spraak misverstanden in de geest van mensen in de wereld veroorzaken, en wel door Nederlandse uitdrukkingen niet op een wijze te gebruiken die indruist tegen de algemeen aanvaarde betekenis in het hedendaagse taalgebruik. En ten slotte worden wij erdoor geholpen de denkwijze en spraak van ons allemaal, op een wereldomvattende schaal, ongeacht welke taal wij spreken, meer met elkaar in overeenstemming te brengen doordat wij „dezelfde gedachtengang” hebben, welke deugdelijk op de Schrift is gebaseerd. — 1 Kor. 1:10.
Zoals jullie zullen opmerken, is de naam van de maandelijkse publikatie die vele jaren achtereen „Koninkrijksdienst” (in het Engels: „Kingdom Ministry”, letterlijk: „Koninkrijksbediening) werd genoemd, te beginnen met de uitgave van februari 1976 in „Onze Koninkrijksdienst” (in het Engels: „Our Kingdom Service”) veranderd. De verandering is voornamelijk op slechts enkele talen van invloed: Engels, Spaans, Frans, Italiaans en Portugees. Waarom deze talen? Omdat de titel van deze maandelijkse publikaties in de andere talen waarin ze wordt gedrukt reeds het corresponderende woord voor „dienst” bevatte, hetgeen veroorzaakt werd door het feit dat er een probleem bestond het woord „Ministry” nauwkeurig in die talen te vertalen. Door de nieuwe titel in de bovengenoemde talen wordt de naam van deze publikatie dus meer in overeenstemming gebracht met die welke elders in de gehele wereld wordt gebruikt, en wordt de gedachte aan dienst (Engels: service), zoals deze door de uitdrukking diakonía uit de Griekse Geschriften tot uitdrukking wordt gebracht, vollediger weergegeven.
Te zamen met de Koninkrijksdienst van november 1975 hebben jullie je schema getiteld „Theocratische bedieningsschool voor 1976” ontvangen. De term „bedieningsschool” vervalt. Voortaan zal de school eenvoudig „Theocratische school” worden genoemd, in plaats van „Theocratische bedieningsschool”, zoals tot nu toe gebruikelijk is geweest.
De „Koninkrijksbedieningsschool” zal die naam blijven dragen. Degenen die thans worden uitgenodigd deze school te bezoeken, zijn ouderlingen en zijn derhalve personen wie in werkelijkheid ’de handen zijn opgelegd’, waardoor zij de toewijzing hebben ontvangen een gemeentelijke dienst of „bediening” ten uitvoer te brengen (Hand. 13:2, 3; 1 Tim. 4:14; 5:22). De naam van de school blijft dus passend in het Nederlands.
Het gebruik van de uitdrukking „bedienaar” in de velddienst
Hoe staat het met het gebruik van de uitdrukking „bedienaar” in de predikingsactiviteit die wij in het veld ontplooien? Aangezien de oorspronkelijke betekenis van het woord „bedienaar” die van een „dienaar” (Grieks: diákonos) is, handelt een Koninkrijksbekendmaker niet verkeerd wanneer hij zichzelf een „bedienaar” noemt in de betekenis van een „dienaar” van God. Zullen degenen aan wie wij de Koninkrijksboodschap bekendmaken ons gebruik van de uitdrukking echter op juiste wijze begrijpen? Of zullen er hierdoor vragen in hun geest rijzen die anders niet zouden ontstaan, vooral wanneer vrouwen of misschien jeugdige personen zich als „bedienaren” (van het evangelie) voorstellen? Zal het er werkelijk toe bijdragen dat mensen aan wie wij de boodschap bekendmaken, hun geest en hart voor de inhoud ervan zullen openstellen? Dit zijn vragen die wij moeten beschouwen wanneer wij beslissen wat in dit opzicht raadzaam is.
In Griekenland, waar enkele van de christelijke Griekse Geschriften werden geschreven, zal een Getuige die naar de deuren van de mensen gaat bijvoorbeeld niet naar zichzelf verwijzen als een diákonos. Waarom niet? Omdat de mensen dan zouden denken dat hij een „diaken” van de kerk is, aangezien dat de manier is waarop het woord thans in het hedendaagse Grieks wordt gebruikt.
Zelfs in sommige landen met een taal waarin een afleiding van het Latijnse woord voor diákonos, minister, voorkomt, hebben broeders het raadzaam geacht dit woord niet te gebruiken. In de meeste Latijns-Amerikaanse landen is het merendeel van de bevolking bijvoorbeeld katholiek. Aangezien het Spaanse en het Portugese woord ministro gewoonlijk als een betiteling van een protestantse of evangelische predikant wordt opgevat, kan het gebruik ervan katholieke personen tegen de Koninkrijksbekendmaker die het gebruikt, innemen.
Bovendien zouden wij de verklaring van de apostel Paulus in gedachten kunnen houden waarin hij toelicht hoe hij mensen met de waarheid trachtte te bereiken. In 1 Korinthiërs 9:20-23 zegt hij: „Voor de joden [ben ik] geworden als een jood, om joden te winnen; voor hen die onder de wet staan, ben ik geworden als onder de wet staande, hoewel ik zelf niet onder de wet sta, om hen die onder de wet zijn, te winnen. Voor hen die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet, hoewel ik niet zonder wet ben ten opzichte van God, maar onder de wet ten opzichte van Christus, om hen die zonder wet zijn, te winnen. Voor de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Ik ben alle dingen voor alle soorten van mensen geworden, om er toch maar enkelen te redden. Maar ik doe alle dingen ter wille van het goede nieuws, om er met anderen deel aan te mogen verkrijgen.”
Als wij met mensen in hun huizen spreken, willen wij hun dan niet voornamelijk laten weten dat wij als hun medemensen belangstelling hebben voor hen en hun welzijn? Daardoor zullen zij zich als het ware „op gelijke voet” met ons voelen en zich, naar wij hopen, vrijelijk tegen ons uiten. Indien wij ons daarentegen aan hen voorstellen door de uitdrukking „[be]dienaar van het evangelie” te gebruiken, zou dit dan niet veeleer een gevoel van superioriteit aan hun geest overdragen, alsof wij op een hoger niveau zouden staan dan zij? We weten dat de predikanten die in de wereld „bedienaren van het evangelie” (of „dienaren des Woords”) worden genoemd, die aanduiding als een titel beschouwen die hun een aanzienlijk prestige verleent, een titel welke hun een gevoel van superieure distinctie geeft en hen apart zet van de rest van de kudde in hun kerk. Wij zullen dus ook deze factor in aanmerking moeten nemen wanneer wij beslissen of het gebruik van de uitdrukking „bedienaar van het evangelie” werkelijk nuttig zal zijn in het getuigeniswerk dat wij onder de mensen in ons gebied verrichten of dat een andere inleiding de voorkeur verdient.
Het gebruik ervan in het contact met overheidspersonen
Soms wordt er van ons verlangd dat wij vragen beantwoorden die officiële instanties ons over onze positie in verband met de christelijke gemeente stellen. Er zou gevraagd kunnen worden of men een „bedienaar van het evangelie” is en indien ja, of men „geordineerd” is. De Wachttoren van 1 april 1976 zette in §23 van het laatste studieartikel terecht uiteen: „Met de uitdrukking ’bedienaar’ (van het evangelie) beschrijven of bedoelen zulke regeringsinstanties niet de dienst die elke afzonderlijke christen verricht in zijn of haar persoonlijke krachtsinspanningen om het goede nieuws met anderen te delen. Bij het beantwoorden van de gestelde vragen zou men dus redelijkerwijs een antwoord moeten geven dat strookt met wat de officiële vragenstellers willen weten in plaats dat men zijn eigen definities met betrekking tot zulke uitdrukkingen laat gelden.”
„Geordineerd” zijn, volgens de aanvaarde betekenis van de uitdrukking, verwijst niet naar de tijd dat men bij de doop een christelijke discipel werd. Ordinatie heeft betrekking op iemands aanstelling tot het dragen van gemeentelijke verantwoordelijkheid, ten einde ten behoeve van de andere christelijke discipelen in de gemeente dienst te verrichten. Het woord heeft vooral betrekking op degenen die herderlijk werk in de gemeente verrichten, hoewel wij opmerken dat het Griekse woord diákonos, dat in het Engels en in Romaanse talen vaak met een vorm van het Latijnse woord minister als betiteling van protestantse ambtsdragers is vertaald, eveneens van toepassing is op degenen die „dienaren in de bediening” zijn.
Zoals reeds eerder is gezegd, zijn ouderlingen en dienaren in de bediening personen wie ’de handen zijn opgelegd’ in de betekenis dat zij zijn aangesteld om in de gemeente in verantwoordelijke posities dienst te verrichten (1 Tim. 3:1-10, 12, 13; 5:22). In dit opzicht zou er van hen gezegd kunnen worden dat zij „geordineerd” zijn in de betekenis waarin ordinatie thans algemeen wordt begrepen. Wij beschouwen hen niet als een klasse van „geestelijken” of als superieur aan de rest van de gemeente, alsof laatstgenoemden een klasse van „leken” zouden vormen. Zij zijn veeleer aangestelde dienaren van de gemeente die de belangen van de leden ervan dienen. Hoewel alle gedoopte christenen dienaren van God zijn, ontvangen dus niet allen zulke gemeentelijke werktoewijzingen of dienstposities.
Beschouw ter illustratie van het hierbij betrokken beginsel bijvoorbeeld eens de onderwijsactiviteit die door leden van de gemeente aan de dag wordt gelegd. Gods Woord draagt alle christelijke ouders op hun kinderen te onderwijzen (Ef. 6:4). Oudere vrouwen moeten ’het goede onderwijzen’ door „de jonge vrouwen tot bezinning [te] brengen” (Tit. 2:3, 4). En christenen in het algemeen verrichten dienst als „lichtgevers in de wereld”, welke dienst het voor hen nodig maakt mensen van de wereld over Gods voornemen te onderwijzen, zoals wij dit in onze bijbelstudieactiviteit doen (Fil. 2:15). Alle dienaren van God worden er dus toe uitgenodigd anderen te onderwijzen. Betekent dit echter dat zij allen de aanduiding ’onderwijzers’ of „leraren” in de gemeente dienen te ontvangen of dat zij allen als „geordineerde” leraren beschouwd moeten worden?
Wij weten dat dit niet het geval is, niet waar? De discipel Jakobus zegt namelijk in Jakobus 3:1: „Niet velen van u moeten leraren worden, mijn broeders, wetend dat wij een zwaarder oordeel zullen ontvangen.” Hij verwees naar degenen die gemeentelijke onderwijzers of leraren zijn en die de toewijzing hebben ontvangen zulk een onderwijzingswerk te verrichten. (Zie Efeziërs 4:11, 12; 1 Korinthiërs 12:28, 29.) In dat verband merkte de apostel Paulus op: „Ik sta een vrouw niet toe te onderwijzen of autoriteit te oefenen over een man” (1 Tim. 2:11, 12). Hoewel christenen op de een of andere wijze aan de onderwijsactiviteit konden deelnemen, ontvingen niet allen de toewijzing om in gemeentelijke zin als ’onderwijzers’ of „leraren” dienst te verrichten.
Dit helpt ons te begrijpen waarom de apostel Paulus Fébe een dienares [Grieks: diákonos] van de gemeente te Kenchrea kon noemen (Rom. 16:1, 2). Het is duidelijk dat dit niet betekent dat zij een aangestelde gemeentelijke dienares was, zoals een ouderling of dienaar in de bediening. Paulus bedoelde eenvoudig dat zij op een prijzenswaardige en in het oog springende wijze vrijwillige dienst verrichtte voor de gemeente. Haar dienst was ongetwijfeld van dezelfde aard als die van de vrouwen die voordien ’Jezus en zijn apostelen van hun bezittingen hadden gediend [diakonéoo]’ (Luk. 8:1-3). In dit zelfde verband zal het ons misschien zijn opgevallen dat de evangelist Filippus vier dochters had die „profeteerden” (Hand. 21:8, 9; vergelijk 1 Korinthiërs 11:5; 13:8.) Dit wil echter niet zeggen dat zij „profetessen” werden genoemd en derhalve onmiddellijk na de „apostelen” kwamen wat het verrichten van belangrijke dienst binnen het raamwerk van de gemeente betreft (1 Kor. 12:28, 29). Alleen naar mannen wordt als zulke christelijke „profeten” verwezen, zoals blijkt uit teksten als Handelingen 11:27, 28; 13:1; 15:32.
Wij zien dus dat alle christenen dienst verrichten maar dat niet allen een gemeentelijke toewijzing ontvangen om bepaalde taken te behartigen, zoals de ouderlingen en dienaren in de bediening. Dit veroorzaakt geen scheiding in de gemeente, zoals het onderscheid tussen „geestelijken” en „leken”, dat in de vele religies van de christenheid wordt aangetroffen. Op deze wijze wordt veeleer getrouw de structuur van de eerste-eeuwse gemeente van ware christenen nagevolgd, waarbij men zich houdt aan de door de geest geïnspireerde en in de Schrift geopenbaarde regelingen die toen heersten. Er mankeert niets aan de gemeentelijke regelingen die Jezus Christus instelde door „gaven in mensen” te schenken en door procedures aan te geven op grond waarvan sommigen voor het verrichten van bepaalde diensttaken binnen de gemeente zouden worden aangewezen of aangesteld (Ef. 4:8, 11). De wijze waarop degenen die aldus zijn aangesteld zich gedragen, vormt de factor waardoor wordt bepaald of de regeling ten goede werkt en een verenigende uitwerking heeft, of ten kwade werkt en verdeeldheid veroorzaakt. (Zie Hebreeën 13:7.) De afval waaruit de christenheid is ontstaan, was in grote mate te wijten aan een verkeerd gebruik van de gemeentelijke structuur en een verdraaiing van het doel ervan ten einde zelfzuchtige voordelen te verkrijgen. — Hand. 20:29, 30.
Aangezien overheidspersonen soms verzoeken om een „ordinatie”-bewijs van degenen die in zulke hoedanigheden dienst verrichten, is er een „Getuigschrift voor geordineerde bedienaar” in gereedheid gebracht, dat op verzoek zal worden toegezonden aan ouderlingen of dienaren in de bediening die dit nodig hebben. Hierop zal niet de datum van hun doop worden vermeld, maar de datum waarop zij werden aangesteld om in zulke hoedanigheden dienst te verrichten en hun derhalve ’de handen werden opgelegd’. [Deze paragraaf is in dit land nog niet van toepassing.]
Wanneer een ouderling of dienaar in de bediening verhuist, zou het raadzaam zijn wanneer het lichaam van ouderlingen in de plaats waar hij dienst heeft verricht, een brief zou schrijven aan het lichaam van ouderlingen van de gemeente waarheen hij verhuist, ten einde hun aanbeveling kenbaar te maken met betrekking tot zijn aanblijven in de hoedanigheid waarin hij dienst heeft verricht, in plaats van te wachten tot dat lichaam van ouderlingen hun misschien om dergelijke inlichtingen aanschrijft. Indien de „ordinatie” van deze persoon in zijn contact met overheidspersonen derhalve in het geding is en indien het lichaam van ouderlingen het juist acht de aanbeveling te doen dat hij in de hoedanigheid van ouderling of dienaar in de bediening dienst blijft verrichten (waarbij de aanbeveling in aanmerking wordt genomen van het lichaam van ouderlingen in de plaats waar hij vroeger dienst heeft verricht), bestaat de mogelijkheid een ogenschijnlijke onderbreking in zijn dienst als een „geordineerde bedienaar” te vermijden.
Hoe staat het echter met degenen die als pionier of lid van een Bethelfamilie volle-tijddienst verrichten? De Schrift toont duidelijk aan dat het ambt van ouderling of dienaar in de bediening niet verkregen kan worden door een formulier in te vullen, zoals een aanvraagformulier voor de pioniersdienst of de Betheldienst. Ook vormt niet het aantal uren dat men eraan besteedt om het goede nieuws met anderen te delen, de voornaamste factor waardoor wordt bepaald of iemand voor het dragen van gemeentelijke verantwoordelijkheden als ouderling of dienaar in de bediening in aanmerking komt. Degenen die zulk een aanstelling ontvangen, zijn veeleer personen die aan de vereisten voldoen welke in 1 Timótheüs 3:1-10, 12, 13; Titus 1:5-9 en verwante bijbelteksten staan opgetekend.
Velen van degenen die pionier zijn of als lid van een van de Bethelfamilies dienst verrichten, komen er inderdaad voor in aanmerking als ouderling of dienaar in de bediening erkend te worden. Is dit niet het geval, dan maken zij vanzelfsprekend nog steeds vrijwillig de rechtstreekse dienst van God tot hun roeping, waarbij zij zichzelf op een volle-tijdbasis aan die dienst geven. Hun aanstelling als pionier of lid van de Bethelfamilie vormt een erkenning van zulk een vrijwillige dienst. Zo’n aanstelling valt echter niet onder de betekenis van „ordinatie” zoals die term gewoonlijk wordt begrepen. En het feit dat zusters en jeugdige personen die nog in hun tienerjaren zijn voor de pioniers- en de Betheldienst worden aanvaard, maakt de toepassing van die term eveneens ongeschikt. Aangezien de bijbel slechts de twee gemeentelijke verantwoordelijke posities vermeldt, die van ouderlingen en dienaren in de bediening, beperken wij onze toepassing van de uitdrukking „geordineerde bedienaar” tot degenen, die onder deze schriftuurlijke regeling vallen.
Verschaffen de inlichtingen die wij hebben beschouwd, ook een werkelijke verandering in de positie die wij als afzonderlijke personen schriftuurlijk bezien innemen? Neen, dat is niet het geval. Hoe zou dit kunnen als onze broeders in vele landen die op precies dezelfde wijze als wij dienst verrichten, nooit uitdrukkingen op zichzelf van toepassing hebben gebracht die overeenkomen met titels die volgens het hedendaagse spraakgebruik in de christenheid gebruikelijk zijn? In werkelijkheid zal onze spraak nu meer in overeenstemming zijn met die van hen. In plaats dat ons nieuwe woordgebruik dus invloed uitoefent op wat wij zijn, wordt ons gebruik van de uitdrukkingen „bedienaar” en „geordineerde bedienaar” meer in overeenstemming gebracht met wat de meeste mensen onder deze uitdrukkingen verstaan, terwijl ook het onderscheid wordt verkleind tussen onze manier van spreken en die van onze broeders en zusters in andere landen. Elkeen van ons blijft precies wat hij of zij was een dienaar van God, met als enige verschil dat sommigen een gemeentelijke toewijzing voor een bepaalde diensttoewijzing hebben ontvangen en anderen niet.
Laten wij dus allen verenigd dienst verrichten, terwijl wij „dezelfde gedachtengang” hebben als onze broeders en zusters overal elders in de wereld, en moge onze „liefde steeds overvloediger . . . zijn met nauwkeurige kennis en volledig onderscheidingsvermogen” (Fil. 1:9). Laten wij erkennen dat God degene is die personen voor bepaalde toewijzingen van gemeentelijke verantwoordelijkheid en dienst bekwaam maakt (2 Kor. 3:4-6). Indien wij een dergelijke toewijzing ontvangen, laten wij onze bediening of diensttoewijzing dan zonder te klagen ten uitvoer brengen, terwijl wij geen zelfzuchtige beweegredenen hebben of ons zelfverheerlijking ten doel stellen, maar vertrouwen op „de door God verschafte sterkte” (1 Petr. 4:11; 5:2; 2 Kor. 4:1, 5; Rom. 12:6-8). Mogen degenen die aldus zijn aangesteld, er blijk van geven als de apostel Paulus en zijn medewerkers te zijn, die zich er bezorgd over maakten dat er ’geen aanmerkingen gemaakt konden worden’ op de bediening of dienst die hun was toegewezen en die derhalve nederig en bereidwillig allerlei ontberingen ondergingen ten einde zich ’in elk opzicht als Gods dienaren aan te bevelen’. — Lees 2 Korinthiërs 6:3-10; 11:23-28.
Ja, laten wij allen er verenigd mee voortgaan om van nu af aan en tot in alle eeuwigheid „heilige dienst” voor Jehovah God en onze Heer Jezus Christus te verrichten. — Rom. 12:1; Openb. 7:15.