Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w99 1/9 blz. 25-29
  • Jehovah is mijn steile rots geweest

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah is mijn steile rots geweest
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik vind een geestelijke familie
  • Een eenzame pionier
  • Vervolging en verbanning verduren
  • Toename ondanks tegenstand
  • Jehovah, ’Degene die ontkoming verschaft’
  • Beproefd in een vurige oven van kwelling
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Meer dan vijftig jaar „Kom over”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Een eenzame wees vindt een zorgzame vader
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
  • Ik gaf Jehovah wat hem toekomt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
w99 1/9 blz. 25-29

Jehovah is mijn steile rots geweest

VERTELD DOOR EMMANUEL LIONOUDAKIS

Mijn moeder keek mij nors aan en zei: „Als je bij je beslissing blijft, moet je het huis uit.” Ik had besloten een volletijdprediker van Gods koninkrijk te worden. Ons gezin kon echter niet tegen de vernedering die zij wegens mijn herhaaldelijke arrestaties moesten ondergaan.

MIJN ouders waren nederige en godvrezende mensen. Zij woonden in Douliana, een dorp in het westelijke deel van het Griekse eiland Kreta, waar ik in 1908 ben geboren. Vanaf mijn jeugd leerden zij mij vrees en eerbied voor God te hebben. Ik hield van Gods Woord, hoewel ik nog nooit een bijbel in de handen van onderwijzers of Grieks-orthodoxe priesters had gezien.

Nadat een buurman de zes delen van Studies in the Scriptures van C. T. Russell en het boek The Harp of God had gelezen, deelde hij enthousiast de verhelderende schriftuurlijke inhoud met mij. Die boeken werden uitgegeven door de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd. Ik was blij een bijbel en boeken van het kantoor van het Wachttorengenootschap in Athene te krijgen. Ik weet nog dat ik tot ’s avonds laat opbleef met die buurman, terwijl wij tot Jehovah baden en bij kaarslicht de Schrift met behulp van die publicaties goed in ons opnamen.

Ik was twintig en werkte als onderwijzer in een nabijgelegen dorp toen ik mijn pasgevonden bijbelkennis met anderen begon te delen. Al gauw hielden vier van ons in Douliana geregelde vergaderingen voor bijbelstudie. Ook verspreidden wij traktaten, brochures, boeken en bijbels om andere mensen te helpen meer over de enige hoop voor de mensheid, Gods koninkrijk, te weten te komen.

In 1931 behoorden wij tot de duizenden wereldwijd die de op de bijbel gebaseerde naam Jehovah’s Getuigen aannamen (Jesaja 43:10). Het jaar daarop deden wij mee aan een informatiecampagne waarin wij onze nieuwe naam en de betekenis ervan aan de autoriteiten uitlegden. Hierbij hoorde de verspreiding van een toepasselijke brochure aan iedere priester, rechter, politieagent en winkelier in onze omgeving.

Zoals verwacht, zette de geestelijkheid aan tot een golf van vervolging. De eerste keer dat ik werd gearresteerd, werd ik veroordeeld tot twintig dagen gevangenisstraf. Kort na mijn vrijlating werd ik weer gearresteerd en veroordeeld tot een maand in de gevangenis. Toen een rechter eiste dat wij met prediken zouden stoppen, antwoordden wij met de woorden uit Handelingen 5:29: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” Later, in 1932, bezocht een vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap onze kleine groep in Douliana en wij werden alle vier gedoopt.

Ik vind een geestelijke familie

Vanwege mijn wens meer te doen in de prediking nam ik ontslag als onderwijzer. Dat was te veel voor mijn moeder. Zij eiste dat ik het huis zou verlaten. Met de toestemming van het kantoor van het Wachttorengenootschap in Athene nam een edelmoedige christelijke broeder in de stad Herákleion (Kreta) mij graag in huis. In augustus 1933 kwamen de broeders en enkele geïnteresseerde personen uit mijn geboortedorp naar de bushalte om afscheid van mij te nemen. Dat was een ontroerend moment en wij huilden allemaal, want wij wisten niet wanneer wij elkaar weer zouden zien.

In Herákleion werd ik een deel van een liefdevolle geestelijke familie. Er waren nog drie andere christelijke broeders en een zuster met wie wij geregeld voor studie en aanbidding samenkwamen. Ik kon met eigen ogen de vervulling zien van Jezus’ belofte: „Niemand heeft huis of broers of zusters of moeder of vader of kinderen of velden ter wille van mij en ter wille van het goede nieuws verlaten, die niet nu, in deze tijdsperiode, honderdvoudig zal ontvangen, huizen en broers en zusters en moeders” (Markus 10:29, 30). Mijn toewijzing was in die stad en de nabijgelegen dorpen te prediken. Na het bewerken van de stad ging ik naar de prefecturen Herákleion en Lasithion.

Een eenzame pionier

Vele uren liep ik van dorp tot dorp. Bovendien moest ik verscheidene kilo’s drukwerk torsen, want lectuurzendingen kwamen te hooi en te gras. Omdat ik geen slaapplaats had, ging ik naar een koffiehuis in het dorp, wachtte tot de laatste klant was verdwenen — gewoonlijk na middernacht — sliep dan op een bank en stond ’s morgens heel vroeg op voordat de eigenaar de klanten begon te bedienen. Op zo’n bank hield een onnoemelijk aantal vlooien mij gezelschap.

Hoewel de reactie van de mensen over het algemeen koeltjes was, was ik gelukkig Jehovah mijn jeugdige kracht te kunnen geven. Als ik iemand aantrof die geïnteresseerd was in de bijbelse waarheid, kreeg ik weer nieuwe kracht om door te gaan met deze levensreddende bediening. De omgang met mijn geestelijke broeders en zusters was ook verkwikkend. Gewoonlijk ontmoette ik hen weer na een afwezigheid van twintig tot vijftig dagen, afhankelijk van hoe ver de plaats waar ik predikte verwijderd lag van de stad Herákleion.

Ik weet nog goed hoe eenzaam ik me op een middag voelde, vooral bij de gedachte dat mijn christelijke broeders en zusters in Herákleion die avond hun vaste vergadering zouden houden. Ik wilde hen zo graag zien dat ik besloot de afstand van ruim 25 kilometer te gaan lopen. Ik heb nog nooit zo snel gelopen. Wat vertroostend was het die avond te genieten van de prettige omgang met mijn broeders en zusters en als het ware mijn geestelijke accu weer op te laden!

Het duurde niet lang of mijn moeizame inspanningen in de prediking begonnen vrucht af te werpen. Net als in de dagen van de apostelen ’bleef Jehovah degenen die gered werden, aan ons toevoegen’ (Handelingen 2:47). Het aantal aanbidders van Jehovah op Kreta begon te groeien. Omdat anderen zich bij mij aansloten in de bediening, voelde ik me niet meer alleen. Wij doorstonden fysieke ontberingen en felle tegenstand. Ons dagelijks voedsel was brood, aangevuld met de eieren, olijven of groenten die wij konden krijgen in ruil voor lectuur die werd aangenomen door degenen tot wie wij predikten.

In de stad Hierápetra, in het zuidoostelijke deel van Kreta, gaf ik getuigenis aan Minos Kokkinakis, een stoffenhandelaar. Ik bleef proberen een bijbelstudie met hem te beginnen, maar hij had weinig tijd vanwege zijn drukke leefstijl. Maar toen hij eindelijk besloot zich serieus met de studie bezig te houden, bracht hij ingrijpende veranderingen in zijn leven aan. Ook werd hij een zeer ijverige en actieve verkondiger van het goede nieuws. Emmanuel Paterakis, een achttienjarige werknemer van Kokkinakis, raakte onder de indruk van die veranderingen en vroeg spoedig om bijbelse lectuur. Wat was ik blij te zien dat hij gestadige geestelijke vorderingen maakte en ten slotte zendeling werd!a

Ondertussen bleef de gemeente in mijn dorp groeien — er waren nu veertien verkondigers. Ik zal nooit de dag vergeten waarop ik een brief kreeg van mijn zus, Despina, waarin stond dat zij en mijn ouders de waarheid hadden aanvaard en nu gedoopte aanbidders van Jehovah waren!

Vervolging en verbanning verduren

De Grieks-Orthodoxe Kerk begon onze predikingsactiviteit te bezien als een verwoestende sprinkhanenplaag en zij waren vastbesloten ons klein te krijgen. In maart 1938 werd ik voor de openbare aanklager geleid, die eiste dat ik het gebied onmiddellijk zou verlaten. Ik antwoordde dat onze predikingsactiviteit in feite nuttig was en dat ons werk ons door een hogere autoriteit, onze Koning Jezus Christus, was opgedragen. — Mattheüs 28:19, 20; Handelingen 1:8.

De volgende dag werd ik op het plaatselijke politiebureau ontboden. Daar kreeg ik te horen dat ik was aangemerkt als een gevaar voor de gemeenschap en dat ik tot een jaar ballingschap op het Egeïsche eiland Amorgos werd veroordeeld. Een paar dagen later werd ik geboeid per boot naar dat eiland gebracht. Op Amorgos waren geen andere getuigen van Jehovah. U kunt u wel voorstellen hoe verrast ik was na zes maanden te vernemen dat er nóg een getuige naar het eiland was verbannen! Wie zou dat kunnen zijn? Minos Kokkinakis, mijn bijbelstudent op Kreta. Wat was ik blij een geestelijke metgezel te hebben! Enige tijd later had ik het voorrecht hem in de wateren van Amorgos te dopen.b

Kort nadat ik naar Kreta was teruggekeerd, werd ik weer gearresteerd en deze keer werd ik voor zes maanden verbannen naar Neapolis, een kleine stad op het eiland. Na zes maanden ballingschap werd ik gearresteerd, tien dagen gevangengezet en toen voor vier maanden naar een eiland gestuurd dat was gereserveerd voor verbannen communisten. Ik besefte hoe waar de woorden van de apostel Paulus waren: „Allen die met godvruchtige toewijding in vereniging met Christus Jezus wensen te leven, zullen ook vervolgd worden.” — 2 Timotheüs 3:12.

Toename ondanks tegenstand

Omdat Griekenland in de jaren 1940–1944 door Duitsland bezet was, kwam onze predikingsactiviteit bijna tot stilstand. Maar Jehovah’s volk in Griekenland werd spoedig opnieuw georganiseerd en wij hervatten onze predikingsactiviteit. Wij gingen actief en ijverig door met het Koninkrijkswerk, waarbij wij probeerden de verloren tijd in te halen.

Zoals verwacht, laaide de religieuze tegenstand weer op. Grieks-orthodoxe priesters namen heel vaak het recht in eigen hand. In een van de dorpen stookte een priester het gepeupel tegen ons op. De priester zelf begon mij te slaan en zijn zoon viel mij op dezelfde manier van achteren aan. Ik rende naar een dichtbijgelegen huis voor bescherming, terwijl mijn velddienstpartner naar het openbare plein van het dorp werd gesleurd. Daar verscheurde het gepeupel zijn lectuur en een vrouw op een balkon bleef maar roepen: „Vermoord ’m!” Ten slotte schoten een arts en een passerende politieagent ons te hulp.

Later, in 1952, werd ik opnieuw gearresteerd en veroordeeld tot vier maanden ballingschap, die ik doorbracht in Kastelli Kissamos op Kreta. Vlak daarna ontving ik een opleiding om de gemeenten te bezoeken en deze geestelijk te versterken. Na twee jaar in dat reizende werk te hebben gediend, trouwde ik met een getrouwe christelijke zuster, net als mijn vleselijke zus Despina genaamd, die zich ook sindsdien een loyale aanbidder van Jehovah heeft betoond. Na de bruiloft werd ik als speciale pionier toegewezen aan de stad Chania (Kreta), waar ik nog steeds dien.

In de bijna zeventig jaar volletijddienst heb ik het grootste deel van Kreta bewerkt — een eiland van 8300 vierkante kilometer, dat zich over een lengte van zo’n 250 kilometer uitstrekt. Mijn grootste vreugde kwam doordat ik het handjevol Getuigen op dit eiland in de jaren ’30 zag uitgroeien tot de ruim 1100 actieve verkondigers van Gods koninkrijk van tegenwoordig. Ik dank Jehovah dat hij mij de gelegenheid heeft gegeven er een aandeel aan te hebben velen van hen te helpen nauwkeurige kennis van de bijbel en een prachtige hoop voor de toekomst te verwerven.

Jehovah, ’Degene die ontkoming verschaft’

De ervaring heeft me geleerd dat er volharding en geduld nodig is om mensen te helpen de ware God te leren kennen. Jehovah voorziet edelmoedig in deze zeer noodzakelijke hoedanigheden. Gedurende mijn 67 jaar volletijddienst heb ik herhaaldelijk nagedacht over de woorden van de apostel Paulus: „In elk opzicht bevelen wij ons als Gods dienaren aan: door veel te verduren, door verdrukkingen, door noden, door moeilijkheden, door slagen, door gevangenissen, door ongeregeldheden, door moeizame arbeid, door slapeloze nachten, door tijden zonder voedsel” (2 Korinthiërs 6:4, 5). Vooral in de beginjaren van mijn dienst stond ik er in financieel opzicht zeer slecht voor. Maar Jehovah heeft mij en mijn gezin nooit verlaten. Hij is een onveranderlijke en machtige Helper gebleken (Hebreeën 13:5, 6). Wij zagen zowel in het bijeenbrengen van zijn schapen als in het voorzien in onze behoeften altijd zijn liefdevolle hand.

Wanneer ik terugblik en zie dat in geestelijk opzicht de woestijn bloeit, ben ik ervan overtuigd dat mijn werk niet tevergeefs is geweest. Ik heb de vitaliteit van mijn jeugd op de nuttigste manier besteed. Mijn loopbaan in de volletijddienst is zinvoller geweest dan enige andere activiteit. Nu ik op leeftijd ben, kan ik jongeren van ganser harte aanmoedigen ’hun Grootse Schepper in hun jongelingsdagen te gedenken’. — Prediker 12:1.

Ondanks mijn 91 jaar ben ik nog steeds in staat meer dan 120 uur per maand aan het predikingswerk te besteden. Ik sta elke ochtend om half acht op om aan mensen op straat, in winkels of in parken getuigenis te geven. Gemiddeld verspreid ik 150 tijdschriften per maand. Door gehoor- en geheugenverlies wordt mijn leven moeilijker, maar mijn liefdevolle geestelijke broeders en zusters — mijn grote geestelijke familie — en ook de gezinnen van mijn twee dochters zijn een echte steun gebleken.

Bovenal heb ik geleerd mijn vertrouwen op Jehovah te stellen. Al die tijd heeft hij bewezen ’mijn steile rots en mijn vesting en Degene die mij ontkoming verschaft’ te zijn. — Psalm 18:2.

[Voetnoten]

a Zie voor de levensgeschiedenis van Emmanuel Paterakis De Wachttoren van 1 november 1996, blz. 22-27.

b Zie De Wachttoren van 1 september 1993, blz. 27-31, voor een juridische overwinning in verband met Minos Kokkinakis. Minos Kokkinakis is in januari 1999 overleden.

[Illustraties op blz. 26, 27]

Onder: Een foto van mijn vrouw en mij; links: in 1927; pagina hiernaast: in 1939 met Minos Kokkinakis (links) en een andere Getuige op de Acropolis, vlak na terugkeer uit ballingschap

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen