Vragen van lezers
Kunnen wij zeggen dat Gods dienstknechten in deze tijd die de aardse hoop hebben, evenveel van Gods geest bezitten als de met de geest gezalfde christenen?
Deze vraag is niet nieuw. Dezelfde kwestie werd in „Vragen van lezers” in De Wachttoren van 15 januari 1953 behandeld. Sindsdien zijn er velen een Getuige geworden, dus zouden wij de vraag opnieuw kunnen beschouwen en daarbij doornemen wat in dat eerder verschenen artikel stond.
In de grond der zaak is het antwoord: ja, getrouwe broeders en zusters van de „andere schapen”-klasse kunnen evenveel van Gods heilige geest ontvangen als de gezalfden. — Johannes 10:16.
Dit betekent natuurlijk niet dat de geest ten aanzien van alle personen op dezelfde manier werkzaam is. Denk eens aan getrouwe dienstknechten in voorchristelijke tijden, die beslist Gods geest ontvingen. Met de kracht van de geest doodden sommigen van hen wilde beesten, genazen zieken en wekten zelfs doden op. En zij hadden de geest nodig om geïnspireerde boeken van de bijbel te schrijven (Rechters 13:24, 25; 14:5, 6; 1 Koningen 17:17-24; 2 Koningen 4:17-37; 5:1-14). De Wachttoren zei: „Ofschoon zij niet tot de gezalfde klasse behoorden, waren zij toch met heilige geest vervuld.”
Denk, om de kwestie vanuit een andere invalshoek te beschouwen, eens aan mannen en vrouwen in de eerste eeuw die met heilige geest werden gezalfd en geestelijke zonen van God met de hemelse hoop werden. Allen waren gezalfd, maar dat betekent niet dat de geest daarna ten aanzien van hen allen op dezelfde manier werkzaam was. Dat blijkt duidelijk uit 1 Korinthiërs hoofdstuk 12. Daar sprak de apostel Paulus over gaven van de geest. Wij lezen in vers 8, 9 en 11: „Aan de een wordt . . . door middel van de geest spraak van wijsheid gegeven, aan een ander spraak van kennis overeenkomstig dezelfde geest, aan een ander geloof door dezelfde geest, aan een ander gaven van gezondmakingen door die ene geest. Maar al deze werkingen worden door een en dezelfde geest tot stand gebracht, die aan een ieder respectievelijk uitdeelt zoals hij het wil.”
Het is veelbetekenend dat niet alle gezalfden in die tijd wonderbare gaven van de geest bezaten. In 1 Korinthiërs hoofdstuk 14 sprak Paulus over een gemeentevergadering waar één persoon de gave van het spreken in talen had, maar geen van de aanwezigen bezat de gave van vertalen. Toch had ieder van hen bij een eerdere gelegenheid een zalving met geest ervaren. Zou het redelijk zijn om te zeggen dat de broeder die de gave van het spreken in talen had, meer van de geest bezat dan de andere aanwezigen? Nee. De andere gezalfden werden niet achtergesteld, alsof zij niet in staat waren de bijbel even goed te begrijpen als die broeder of beproevingen even goed te doorstaan. De geest was op een bijzondere manier werkzaam ten aanzien van de broeder die in talen kon spreken. Niettemin moesten zowel hij als zij dicht bij Jehovah blijven en „vervuld [blijven] worden met geest”, zoals Paulus schreef. — Efeziërs 5:18.
Wat de leden van het overblijfsel in deze tijd betreft, zij hebben beslist Gods geest ontvangen. Bij één gelegenheid is de geest op een bijzondere manier ten aanzien van hen werkzaam geweest — toen zij werden gezalfd en als geestelijke zonen werden aangenomen. Sindsdien „[blijven zij] vervuld worden met geest” en worden zij door de geest geholpen wanneer zij een duidelijker begrip van de bijbel trachten te verkrijgen, de leiding in de prediking nemen en — persoonlijk of als organisatie — voor beproevingen komen te staan.
Hoewel de leden van de „andere schapen” geen zalving hebben ervaren, ontvangen zij wel in andere opzichten heilige geest. De Wachttoren van 15 januari 1953 merkte op:
„De ’andere schapen’ verrichten tegenwoordig hetzelfde predikingswerk als het overblijfsel, onder dezelfde moeilijke omstandigheden, en leggen dezelfde getrouwheid en onkreukbaarheid aan de dag. Zij voeden zich aan dezelfde geestelijke tafel, terwijl zij hetzelfde voedsel eten en dezelfde waarheden in zich opnemen. Daar zij tot de aardse klasse behoren, met aardse verwachtingen en een gretige belangstelling hebben voor aardse dingen, interesseren zij zich wellicht meer voor schriftuurplaatsen met betrekking tot aardse toestanden in de nieuwe wereld; terwijl daarentegen het gezalfde overblijfsel, met hemelse verwachtingen en een sterke persoonlijke belangstelling voor de dingen van de geest, wellicht dìe dingen in Gods Woord ijveriger bestuderen. . . . Toch blijft het feit bestaan dat dezelfde waarheden en hetzelfde begrip voor beide klassen beschikbaar zijn, en het hangt alleen af van de wijze waarop afzonderlijke personen zich op de studie toeleggen, hoeveel inzicht zij in hemelse en aardse dingen zullen verkrijgen. De geest des Heren is voor beide klassen in gelijke mate beschikbaar, en kennis en begrip worden aan beide klassen op dezelfde wijze aangeboden, met dezelfde gelegenheden deze kennis in zich op te nemen.”