Wacht u voor zelfrechtvaardigheid!
IN DE eerste eeuw genoten de Farizeeën de goede reputatie rechtvaardige aanbidders van God te zijn. Zij bestudeerden ijverig de Schrift en baden veelvuldig. In de ogen van sommige mensen waren zij zachtaardig en redelijk. De joodse geschiedschrijver Josephus zei: „De Farizeeën zijn zeer vriendelijk voor elkaar en proberen in goede harmonie met de rest van de maatschappij te leven.” Geen wonder dat zij waarschijnlijk de meest gerespecteerde en hooggeschatte personen in de joodse gemeenschap in die tijd waren!
In deze tijd is het woord „farizeïsch” — alsook daarmee verband houdende termen — denigrerend, synoniem met een schijnheilige, zelfrechtvaardige, heiliger-dan-gij- of supervrome houding en het verrichten van lippendienst. Hoe kwam het dat de Farizeeën hun goede reputatie verloren?
Dit kwam doordat Jezus Christus, in tegenstelling tot de meeste joden, zich niet door de uiterlijke schijn van de Farizeeën liet misleiden. Hij vergeleek hen met „witgekalkte graven, die van buiten weliswaar mooi schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn”. — Mattheüs 23:27.
Zeker, zij zonden lange gebeden op terwijl zij op openbare plaatsen stonden, maar zoals Jezus zei, was dat alleen om door anderen gezien te worden. Hun aanbidding was louter een schertsvertoning. Zij waren gesteld op de voornaamste plaatsen bij de avondmaaltijden en de voorste zitplaatsen in de synagogen. Hoewel alle joden franjes aan hun kleren moesten dragen, probeerden de Farizeeën indruk op de mensen te maken door uitzonderlijk lange franjes te dragen. Zij gingen prat op hun verbrede doosjes met schriftplaatsen die zij als amuletten droegen (Mattheüs 6:5; 23:5-8). Hun huichelarij, hun hebzucht en hun arrogantie brachten uiteindelijk schande over hen.
Jezus verwoordde Gods verwerping van de Farizeeën: „Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei: ’Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd. Tevergeefs blijven zij mij aanbidden, omdat zij mensengeboden als leerstellingen onderwijzen’” (Mattheüs 15:7-9). Hun rechtvaardigheid was in werkelijkheid zelfrechtvaardigheid. Het is begrijpelijk dat Jezus zijn discipelen waarschuwde: „Wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën” (Lukas 12:1). In deze tijd moeten ook wij ons ’wachten’ voor zelfrechtvaardigheid of ons ervoor hoeden religieuze huichelaars te worden.
Daarbij dienen wij te beseffen dat iemand niet van de ene dag op de andere zelfrechtvaardig wordt. Deze neiging sluipt veeleer in de loop van de tijd geleidelijk binnen. Iemand kan zelfs onwillekeurig de onwenselijke trekken van de Farizeeën aannemen.
Een superieure houding
Wat zijn enkele trekken waarvoor wij ons moeten ’wachten’? Zelfrechtvaardige personen „spreken, staan en kijken [gewoonlijk] alsof zij nog nooit iets verkeerds hebben gedaan”, legt de Encyclopædia of Religion and Ethics uit. Zelfrechtvaardige personen zijn ook pochers en prijzen zichzelf aan, hetgeen een groot probleem bij de Farizeeën vormde.
Jezus beschreef deze farizeese houding met een illustratie: „Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër en de ander een belastinginner. De Farizeeër stond en ging bij zichzelf als volgt bidden: ’O God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen: afpersers, onrechtvaardigen, overspelers, of zelfs zoals deze belastinginner. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik verwerf.’” De belastinginner daarentegen gaf nederig zijn fouten toe en betoonde zich rechtvaardiger dan de pocherige Farizeeër. Jezus richtte zich met deze illustratie tot degenen „die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en die de overigen als niets beschouwden”. — Lukas 18:9-14.
Als onvolmaakte mensen vinden wij misschien af en toe dat wij beter zijn dan anderen wegens onze natuurlijke bekwaamheden of de voordelen die wij genieten. Maar christenen dienen zulke gedachten snel van zich af te zetten. U hebt misschien jarenlange ervaring in de christelijke levenswijze. U bent wellicht een bekwame bijbelonderwijzer. Of misschien belijdt u gezalfd te zijn om met Christus in de hemel te regeren. Sommigen in de gemeente genieten bijzondere voorrechten als volle-tijddienaren, ouderlingen of dienaren in de bediening. Vraagt u zich eens af: ’Wat zou Jehovah ervan vinden als ik mij op grond van datgene wat hij mij heeft gegeven, superieur aan anderen zou voelen?’ Dit zou hem beslist mishagen. — Filippenzen 2:3, 4.
Wanneer een christen wegens zijn door God geschonken bekwaamheden, voorrechten of autoriteit een geest van superioriteit aan de dag legt, berooft hij in feite God van de heerlijkheid en de eer die alleen Hem toekomen. De bijbel geeft christenen de duidelijke vermaning „niet meer van zichzelf te denken dan nodig is”. Er wordt ons op het hart gedrukt: „Weest jegens anderen net zo gezind als jegens uzelf; zint niet op hoge dingen, maar laat u door de nederige dingen meevoeren. Wordt niet beleidvol in uw eigen ogen.” — Romeinen 12:3, 16.
„Houdt op met oordelen”
Volgens een bijbelse encyclopedie beschouwt een zelfrechtvaardige persoon „zich als iemand die moreel oprecht is of in een goede verhouding tot God staat omdat hij zich aan de letter van de wettelijke vereisten houdt zonder de geest ervan in aanmerking te nemen”. Een ander werk beschrijft de zelfrechtvaardigen als „buitengewoon religieuze mensen die al hun tijd besteden aan het zoeken naar het slechte in anderen”.
De Farizeeën maakten zich hieraan schuldig. Op den duur schenen hun door mensen gemaakte regels belangrijker dan Gods wetten en beginselen (Mattheüs 23:23; Lukas 11:41-44). Zij wierpen zich als rechters op en waren geneigd iedereen die zich niet aan hun zelfrechtvaardige maatstaven hield, te veroordelen. Door hun superieure houding en overdreven gevoel van eigenwaarde ontstond de behoefte andere mensen te overheersen. Het maakte hen woedend dat zij geen macht over Jezus konden uitoefenen, dus beraamden zij zijn dood. — Johannes 11:47-53.
Wat is het onaangenaam in het gezelschap te verkeren van iemand die zich als rechter opwerpt, altijd op zoek is naar fouten en iedereen om zich heen kritisch opneemt en controleert. In werkelijkheid heeft niemand in de gemeente het recht om anderen zijn opvattingen op te dringen en zelfgemaakte regels op te leggen (Romeinen 14:10-13). Evenwichtige christenen beseffen dat veel aspecten van het dagelijks leven op het persoonlijke vlak liggen. Vooral degenen die de neiging hebben perfectionistisch en veeleisend te zijn, moeten het vermijden anderen te oordelen.
Zeker, de christelijke gemeente is gerechtigd richtlijnen te hebben die ertoe bijdragen dat Jehovah’s aardse organisatie soepel functioneert (Hebreeën 13:17). Maar sommigen hebben deze richtlijnen verdraaid of hebben hun eigen regels eraan toegevoegd. In één gebied moesten alle leerlingen van de theocratische bedieningsschool een kostuum dragen en hun colbert dichtknopen wanneer zij een lezing hielden. Een leerling die dat niet deed, mocht geen lezingen meer houden. Zou het, in plaats van zulke strakke regels voor te schrijven, niet redelijker en in overeenstemming met de geest van Gods Woord zijn om wanneer het nodig is op vriendelijke wijze persoonlijke raad te geven? — Jakobus 3:17.
Zelfrechtvaardigheid kan ook de zienswijze bevorderen dat als een christen veel persoonlijke moeilijkheden te verduren heeft, hij wel geestelijk zal tekortschieten. Dat is precies hoe de zelfrechtvaardige Elifaz, Bildad en Zofar over de getrouwe Job dachten. Zij hadden geen volledig beeld van de situatie, dus was het aanmatigend van hen om Job van kwaaddoen te beschuldigen. Jehovah onderrichtte hen streng wegens hun verdraaide beoordeling van Jobs beproevingen. — Zie Job hfdst. 4, 5, 8, 11, 18, 20.
Misplaatste ijver
Zelfrechtvaardigheid en ijver worden vaak met elkaar in verband gebracht. De apostel Paulus sprak over godsdienstige joden die „ijver voor God” hadden, „maar niet overeenkomstig nauwkeurige kennis; want omdat zij de rechtvaardigheid van God niet kenden, maar hun eigen rechtvaardigheid tot stand trachtten te brengen, hebben zij zich niet aan de rechtvaardigheid van God onderworpen” (Romeinen 10:2, 3). Als Farizeeër was Paulus zelf buitengewoon ijverig geweest, hoewel zijn ijver misplaatst was, niet gebaseerd op Jehovah’s rechtvaardigheid. — Galaten 1:13, 14; Filippenzen 3:6.
Heel passend vermaant de bijbel: „Word niet al te rechtvaardig, en betoon u niet bovenmate wijs. Waarom zoudt gij verwoesting over uzelf brengen?” (Prediker 7:16) In de gemeente kan een christen in het begin gewetensvol zijn, maar zijn gewetensvolle handelwijze en ijver kunnen in zelfrechtvaardigheid ontaarden. Religieuze ijver kan, wanneer deze door menselijke wijsheid en niet door Jehovah’s rechtvaardigheid wordt geleid, anderen schade berokkenen. Hoe?
Ouders bijvoorbeeld kunnen er te veel door in beslag genomen worden in de geestelijke behoeften van anderen te voorzien en daarbij de behoeften van hun eigen gezin veronachtzamen. Of ouders kunnen buitengewoon ijverig zijn en meer van hun kinderen verlangen dan zij mogelijkerwijs kunnen opbrengen (Efeziërs 6:4; Kolossenzen 3:21). Sommige kinderen, die niet aan deze onredelijke eisen kunnen voldoen, reageren daarop door een dubbel leven te leiden. Een redelijke ouder zal de beperkingen van zijn gezin in aanmerking nemen en passende veranderingen aanbrengen. — Vergelijk Genesis 33:12-14.
Ook kan extreme ijver ons beroven van tact, empathie en tederheid, eigenschappen die van essentieel belang zijn in onze contacten met anderen. Iemand werkt misschien heel hard om de Koninkrijksbelangen te bevorderen. Maar zijn extreme ijver kan mensen ondertussen kwetsen. Paulus zei: „Al heb ik de gave van profeteren en ben vertrouwd met alle heilige geheimen en alle kennis, en al bezit ik al het geloof, zodat ik bergen kan verzetten, maar heb geen liefde, dan ben ik niets. En al geef ik al mijn bezittingen om anderen te spijzigen, en al geef ik mijn lichaam over om te kunnen roemen, maar heb geen liefde, dan baat het mij in het geheel niet.” — 1 Korinthiërs 13:2, 3.
De nederigen genieten Gods gunst
Als christenen moeten wij de dreiging van zelfrechtvaardigheid onderkennen voordat die toeslaat. Wij moeten een superieure houding, de gewoonte om anderen te oordelen en blinde ijver gebaseerd op menselijke wijsheid vermijden.
Terwijl wij ’ons wachten’ voor farizeïsch gedrag zou het, in plaats van anderen als zelfrechtvaardig te bestempelen, beter zijn ons op onze eigen geneigdheden en neigingen te concentreren. Toegegeven, Jezus veroordeelde de Farizeeën en noemde hen „adderengebroed”, personen die de eeuwige vernietiging verdienden. Maar Jezus kon het hart van mensen lezen. Wij kunnen dat niet. — Mattheüs 23:33.
Laten wij Gods rechtvaardigheid zoeken en niet die van onszelf (Mattheüs 6:33). Alleen dan kunnen wij Jehovah’s gunst genieten, want de bijbel vermaant ons allen: „Omgordt u . . . met ootmoedigheid des geestes jegens elkaar, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.” — 1 Petrus 5:5.