Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w92 1/12 blz. 21-25
  • De vreugde die het dienen van Jehovah mij heeft gegeven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De vreugde die het dienen van Jehovah mij heeft gegeven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Opgroeien in de Verenigde Staten
  • Van mijn werk als radiomonteur naar de gevangenis
  • De volle-tijdbediening
  • Ouderschap en prediken onder verbodsbepalingen
  • Onze kinderen in de Verenigde Staten opvoeden
  • Dienen in Peru
  • Ecuador wenkt
  • Een rijk, lonend leven
  • Zendelingen bevorderen wereldwijde expansie
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Eerst het Koninkrijk zoeken — Een beschermd, gelukkig leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Deel 4 — Getuigen tot de verst verwijderde streek der aarde
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
w92 1/12 blz. 21-25

De vreugde die het dienen van Jehovah mij heeft gegeven

ZOALS VERTELD DOOR GEORGE BRUMLEY

Ik was net klaar met het lesgeven in radiotechniek aan keizer Haile Selassies jonge politiecadetten, toen een van hen mij onder vier ogen vertelde dat hij wist dat ik een zendeling van Jehovah’s Getuigen was. „Zou u de bijbel met mij willen bestuderen?”, vroeg hij verlangend.

AANGEZIEN ons werk toen in Ethiopië verboden was, zou ik, net als dat met andere Getuigen was gebeurd, het land uit gestuurd zijn als de autoriteiten mij hadden ontdekt. Ik vroeg mij af of de student oprecht was of dat hij een agent van de regering was, gestuurd om mij in de val te laten lopen. Als gezinshoofd met drie kleine kinderen om groot te brengen, beangstigde mij de gedachte mijn baan te verliezen en het land en de vrienden van wie ik was gaan houden, te moeten verlaten.

’Maar’, vraagt u misschien, ’hoe kwam het dat een Amerikaan met een gezin om voor te zorgen, liever in Noord-Afrika wilde wonen, ver van huis en familieleden vandaan?’ Laat mij u dit uitleggen.

Opgroeien in de Verenigde Staten

In de jaren twintig, toen ik nog naar de lagere school ging, nam mijn vader een abonnement op het tijdschrift De Wachttoren en kreeg hij een serie van de Schriftstudiën. Vader hield van lezen, en hij verslond de boeken. Hij was ad rem en had een ondeugende persoonlijkheid, zoals blijkt uit de manier waarop hij bezoekers die hij op zondagen had uitgenodigd altijd beetnam. Hij had een schitterend, in leer gebonden boek met de opdruk „Heilige Schrift” in gouden letters op de voorkant en op de rug. Hij gaf altijd de aanzet tot een gesprek door te zeggen: „Zo, het is zondag. Zou jij een paar verzen voor ons willen lezen?”

De bezoeker stemde altijd toe, maar als hij het boek opendeed, was geen enkele bladzijde bedrukt! Natuurlijk was de persoon verbaasd. Vader zei dan dat ’predikanten niets van de bijbel weten’, en pakte vervolgens een exemplaar en las Genesis 2:7 voor. Daar zegt de bijbel, als de schepping van de eerste mens beschreven wordt: „De mens werd een levende ziel.” — Genesis 2:7, King James Version.

Vader legde dan uit dat de mens geen ziel heeft maar een ziel is, dat het loon van de zonde de dood is, en dat een mens wanneer hij sterft, echt dood is, zich van helemaal niets bewust (Prediker 9:5, 10; Ezechiël 18:4; Romeinen 6:23). Nog voordat ik goed kon lezen, kende ik Genesis 2:7 uit mijn hoofd. Dit zijn de vroegste herinneringen die ik heb aan de werkelijke vreugde die het brengt bijbelse waarheden te kennen en met anderen te delen.

Aangezien wij toen De Wachttoren thuis ontvingen, begon het hele gezin van dit geestelijke voedsel te genieten. Mijn grootmoeder van moederszijde woonde bij ons in, en zij werd de eerste verkondiger van het goede nieuws in onze familie. Er was in Carbondale (Illinois), waar wij woonden, geen gemeente, maar er werden informele vergaderingen gehouden. Moeder nam ons, haar vijf kinderen altijd mee naar de andere kant van de stad, waar oudere dames een Wachttoren-studie leidden. Wij begonnen ook aan de velddienst deel te nemen.

Van mijn werk als radiomonteur naar de gevangenis

Ik trouwde in 1937, toen ik pas zeventien was. Ik probeerde de kost te verdienen door radio’s te repareren en deze vaardigheid ook aan anderen te leren. Na de geboorte van twee kinderen, Peggy en Hank, kwam er een eind aan mijn huwelijk. De scheiding was mijn schuld; ik leidde geen christelijk leven. Dat ik mijn twee oudste kinderen niet heb kunnen grootbrengen, heeft mij mijn leven lang pijn gedaan.

De Tweede Wereldoorlog kwam en daardoor ging ik over veel dingen nadenken. Militaire groeperingen boden mij de kans om luitenant te worden en dienstplichtigen in radiotechniek te onderwijzen, maar omdat ik mij erom bekommerde hoe Jehovah over oorlog dacht, begon ik dagelijks te bidden. Mijn abonnement op De Wachttoren was afgelopen, en Lucille Haworth ontving hier bericht van en kwam mij bezoeken. Perry Haworth, Lucilles vader, en de meesten van haar grote familie waren al sinds de jaren dertig Getuigen. Lucille en ik werden verliefd op elkaar, en wij trouwden in december 1943.

In 1944 werd ik gedoopt en sloot ik mij als pionier bij mijn vrouw aan in de volle-tijdbediening. Al gauw kreeg ik een oproep voor militaire dienst, maar ik weigerde ingelijfd te worden. Als gevolg daarvan werd ik veroordeeld tot een verblijf van drie jaar in het federale verbeteringsgesticht in El Reno (Oklahoma). Het was een vreugde voor Jehovah lijden te ondergaan. Elke morgen wanneer ik wakker werd en mij realiseerde waar ik was en waarom, voelde ik grote voldoening en dankte Jehovah. Na de oorlog begon men degenen onder ons die boven de 25 waren, voorwaardelijk vrij te laten. Ik werd in februari 1946 vrijgelaten.

De volle-tijdbediening

Toen ik mij weer bij Lucille voegde, pionierde zij in het stadje Wagoner (Oklahoma). Wij hadden geen auto, dus liepen wij overal naar toe terwijl wij het hele stadje bewerkten. Later verhuisden wij naar Wewoka (Oklahoma). Al snel kreeg ik een baan bij een vlakbij gelegen radiostation en begon als omroeper te werken. Het was niet gemakkelijk om zes uur per dag te werken en daarbij de pioniersuren te halen, maar wij verheugden ons in het voorrecht dat wij hadden Jehovah te dienen. Wij konden net op tijd voor het in 1947 in Los Angeles gehouden congres een oude auto kopen. Op dit congres begonnen wij erover te denken een aanvraag in te dienen voor de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, om voor zendingsdienst opgeleid te worden.

Wij beseften dat dit een grote stap zou zijn, en wij wilden niet haastig de beslissing nemen de Verenigde Staten te verlaten. Ik had nog steeds verdriet omdat ik mijn kinderen kwijt was, dus probeerden wij nog eens de voogdij over hen te krijgen. Vanwege mijn vroegere levenswijze en omdat ik in de gevangenis had gezeten, leverde dat niets op. Daarom besloten wij te proberen zendelingen te worden. Wij werden voor de twaalfde klas van Gilead uitgenodigd.

In 1949 gradueerden wij, maar wij kregen in het begin de toewijzing gemeenten in Tennessee (VS) te bezoeken. Na drie jaar in het reizende werk in de Verenigde Staten kregen wij een brief van het kantoor van de president van het Wachttorengenootschap waarin ons werd gevraagd of wij bereid waren om in Ethiopië, naast het verrichten van het predikingswerk, les te geven. Een van de vereisten van die regering was dat zendelingen les gaven. Wij stemden toe, en in de zomer van 1952 vertrokken wij naar Ethiopië.

Toen wij in Ethiopië waren, gaven wij ’s morgens les op een lagere school en leidden wij ’s middags gratis bijbelcursussen. Al snel kwamen er zo velen voor de bijbelstudies dat wij vaak drie of vier uur per dag bijbelonderricht gaven. Sommige studenten waren politieagent; anderen waren leraar of diaken op de zendelingenscholen en de Ethiopische orthodoxe scholen. Soms zaten er wel twintig personen of meer in elke bijbelstudieklas! Veel studenten keerden de valse religie de rug toe en begonnen Jehovah te dienen. Wij waren verrukt. Weer dankte ik Jehovah elke morgen wanneer ik wakker werd.

Ouderschap en prediken onder verbodsbepalingen

In 1954 kwamen wij te weten dat wij ouders zouden worden, dus moesten wij beslissen of wij terug zouden gaan naar de Verenigde Staten of in Ethiopië zouden blijven. Blijven zou natuurlijk afhangen van het vinden van werelds werk voor mij. Ik kreeg een baan als technicus bij een radio-omroep en moest een radiostation voor keizer Haile Selassie exploiteren. Wij bleven dus.

Op 8 september 1954 werd onze dochter, Judith, geboren. Ik dacht dat ik arbeidszekerheid had omdat ik voor de keizer werkte, maar na twee jaar raakte ik mijn baan kwijt. Na nog geen maand werd ik echter — tegen een hoger salaris — bij de politie aangenomen om een klas jongemannen te leren radio’s met een zend- en ontvanginstallatie te repareren. In de drie jaar daarna werden onze zonen Philip en Leslie geboren.

Ondertussen veranderde onze vrijheid om een aandeel aan het predikingswerk te hebben. De Ethiopische Orthodoxe Kerk had de regering ertoe overgehaald alle zendelingen van Jehovah’s Getuigen uit te wijzen. Op advies van het Genootschap vroeg ik een nieuw visum aan, niet meer om als zendeling te mogen dienen, maar om werelds werk te mogen doen. Ons zendingswerk werd verboden, en wij moesten omzichtig en tactvol te werk gaan. Alle gemeentevergaderingen gingen door, maar wij kwamen in kleine studiegroepen bijeen.

De politie doorzocht verschillende huizen van vermeende Getuigen. Maar zonder hun medeweten lichtte een inspecteur van politie die een aanbidder van Jehovah was, ons steeds in wanneer er invallen gepland waren. Als gevolg hiervan werd er in die jaren geen lectuur in beslag genomen. Wij hielden ’s zondags onze Wachttoren-studie door naar restaurants aan de rand van de stad te gaan waar picknicktafels stonden om buiten te eten.

Het was in die periode, toen ik de politiecadetten les gaf in radiotechniek, dat de student over wie ik in het begin sprak, mij om een bijbelstudie vroeg. Ik nam aan dat hij oprecht was, dus begonnen wij. Na slechts twee studies kwam er een tweede student met hem mee, en daarna een derde. Ik waarschuwde hen om nooit aan iemand te vertellen dat zij met mij studeerden, en dat hebben zij ook nooit gedaan.

In 1958 werd in het Yankee Stadium en de Polo Grounds in New York het internationale „Goddelijke wil”-congres gehouden. Ondertussen waren Peggy, Hank en vele andere leden van mijn grote familie actieve Getuigen geworden. Wat was ik blij dit congres te kunnen bijwonen! Ik genoot niet alleen van de hereniging met mijn twee oudste kinderen en andere familieleden, maar het was ook opwindend die grote menigte van meer dan een kwart miljoen mensen op de laatste dag van het congres bijeenvergaderd te zien!

Het jaar daarop kwam de president van het Genootschap, Nathan H. Knorr, ons in Ethiopië bezoeken. Hij had schitterende suggesties om het werk onder verbodsbepalingen voort te zetten en was ook in ons gezin geïnteresseerd en wilde weten hoe het in geestelijk opzicht met ons ging. Ik legde uit dat wij de kinderen leerden bidden. Ik vroeg of hij het leuk zou vinden om Judith te horen bidden. Hij zei ja, en na het gebed zei hij tegen haar: „Dat was heel goed, Judith.” Toen wij gingen eten, vroeg ik broeder Knorr of hij ons in gebed wilde voorgaan, en nadat hij klaar was, zei Judith: „Dat was heel goed, broeder Knorr!”

Onze kinderen in de Verenigde Staten opvoeden

Mijn contract bij de politie liep in 1959 af. Wij wilden blijven, maar de regering gaf mij geen toestemming voor een nieuw contract. Dus waar zouden wij heen kunnen gaan? Ik probeerde andere landen waar grote behoefte aan broeders was, binnen te komen maar dat lukte niet. Een beetje verdrietig keerden wij naar de Verenigde Staten terug. Toen wij aankwamen, hadden wij een vreugdevolle hereniging met onze familie; al mijn vijf kinderen leerden elkaar kennen en waren gelijk dol op elkaar. Sindsdien hebben zij een hechte band.

Wij vestigden ons in Wichita (Kansas), waar ik werk vond als radiotechnicus en als discjockey. Lucille stelde zich in op huishoudelijke taken, en de kinderen gingen vlak bij huis naar school. Ik leidde elke maandagavond een gezinsstudie uit De Wachttoren en probeerde die altijd levendig en interessant te maken. Wij vroegen elke dag of er problemen op school waren.

Toen de kinderen op de theocratische bedieningsschool ingeschreven waren, was deze opleiding voor hen allemaal een hulp bij hun schoolonderwijs. Wij leidden hen van kindsbeen af in de velddienst op. Zij leerden aan de deur bijbelse lectuur aan te bieden, en zij gingen met ons mee naar huisbijbelstudies.

Ook probeerden wij de kinderen fundamentele dingen van het leven bij te brengen, en wij legden uit dat zij niet altijd allemaal konden hebben wat een van de anderen had. Zij konden bijvoorbeeld niet altijd allemaal hetzelfde cadeau krijgen. „Als je broer of je zus een stuk speelgoed zou krijgen”, redeneerden wij met hen, „en jij krijgt het niet, is het dan terecht dat je klaagt?” Natuurlijk kregen de andere kinderen op een andere keer iets, zodat er niet een werd verwaarloosd. Wij hadden hen altijd allemaal lief en begunstigden nooit één kind boven de andere twee.

Andere kinderen mochten soms dingen doen die onze kinderen niet mochten. Ik hoorde vaak: „Die-en-die mag het wel, waarom wij niet?” Ik probeerde het uit te leggen, maar soms moest ik eenvoudig antwoorden: „Jij hoort niet bij dat gezin; jij bent een Brumley. Wij hebben andere regels.”

Dienen in Peru

Al vanaf onze terugkeer uit Ethiopië koesterden Lucille en ik het verlangen weer een aandeel aan het zendingswerk te hebben. Ten slotte kregen wij in 1972 de kans om naar Peru (Zuid-Amerika) te gaan. Wij hadden geen betere plaats kunnen uitkiezen om onze kinderen tijdens hun tienerjaren op te voeden. De omgang die zij hadden met zendelingen, speciale pioniers en anderen die naar Peru waren gekomen om daar te dienen, hielp hen om met eigen ogen te zien hoeveel vreugde degenen hebben die werkelijk eerst de Koninkrijksbelangen zoeken. Philip noemde de omgang die hij had een positieve druk van zijn omgeving.

Na een tijdje hoorden sommige oude vrienden in Kansas hoeveel succes wij in de Koninkrijksbediening hadden, en zij voegden zich in Peru bij ons. Ik regelde ons huishouden als in een zendelingenhuis. Elkeen had toegewezen taken zodat wij allemaal tijd zouden hebben om in de velddienst te gaan. Elke ochtend bespraken wij aan tafel een bijbeltekst. Het was voor ons allemaal een heel gelukkige tijd. Weer dankte ik elke morgen wanneer ik wakker werd en mij realiseerde waar ik was en waarom, Jehovah in stilte uit de grond van mijn hart.

Na verloop van tijd trouwde Judith en keerde naar de Verenigde Staten terug waar zij in de volle-tijddienst bleef. Na drie jaar in de speciale pioniersdienst te zijn geweest, diende Philip een aanvraag in voor Betheldienst in Brooklyn (New York) en werd aangenomen. Uiteindelijk keerde ook Leslie naar de Verenigde Staten terug. Zij gingen met gemengde gevoelens weg en hebben ons vaak verteld dat hen meenemen naar Peru het beste was dat wij ooit voor hen hadden gedaan.

Toen de economie in Peru achteruitging, beseften wij dat ook wij zouden moeten vertrekken. Toen wij in 1978 in Wichita terugkwamen, troffen wij daar een groep Spaanssprekende Getuigen. Zij vroegen ons te blijven en hen te helpen, en dat deden wij graag. Er werd een gemeente gevormd, en al gauw werd die ons even lief als de gemeenten waar wij eerder hadden gediend.

Ecuador wenkt

In weerwil van een beroerte waardoor ik gedeeltelijk verlamd raakte, hoopte ik vurig dat Lucille en ik weer in een ander land konden dienen. In 1984 vertelde een reizend opziener ons van de groei in Ecuador en de behoefte die daar bestond aan christelijke ouderlingen. Ik voerde aan dat ik door mijn verlamming weinig in de velddienst kon doen, maar hij verzekerde mij dat zelfs een 65-jarige, gedeeltelijk verlamde ouderling een hulp zou kunnen zijn.

Toen hij weg was, konden wij de hele nacht niet slapen en spraken over de mogelijkheid om naar Ecuador te gaan. Lucille had hetzelfde brandende verlangen om te gaan als ik. Dus boden wij ons bedrijfje in ongediertebestrijding te koop aan en verkochten het in twee weken tijd. Wij verkochten ons huis in slechts tien dagen. Zo keerden wij dus, op al wat gevorderde leeftijd, weer terug tot onze grootste vreugde, die van de buitenlandse zendingsdienst.

Wij gingen in Quito wonen. De velddienst was heerlijk en elke dag bracht nieuwe ervaringen of avonturen. Maar toen werd er in 1987 bij mij kanker aan de dikke darm geconstateerd; ik moest onmiddellijk geopereerd worden. Wij gingen voor de operatie naar Wichita terug, en de operatie slaagde. Wij waren pas twee jaar weer in Quito toen er opnieuw kanker werd ontdekt, en wij moesten voorgoed naar de Verenigde Staten terugkeren. Wij vestigden ons in North Carolina, waar wij nu wonen.

Een rijk, lonend leven

Mijn lichamelijke toekomst is onzeker. In 1989 kreeg ik een stoma. Maar toch kan ik nog als ouderling dienen en verschillende bijbelstudies leiden met mensen die bij mij thuis komen. In de loop der jaren hebben wij letterlijk honderden mensen geholpen door waarheidszaden te planten, te begieten of te kweken. Dat schenkt een vreugde die nooit verflauwt, hoe vaak het ook wordt herhaald.

Bovendien heb ik grote vreugde ervaren doordat ik zie dat al mijn kinderen Jehovah dienen. Peggy vergezelt haar man, Paul Moske, al dertig jaar in het reizende werk in de Verenigde Staten. Philip en zijn vrouw, Elizabeth, verrichten samen met Judith nog steeds speciale volle-tijddienst in New York. Hank en Leslie en hun huwelijkspartners zijn actieve Getuigen, en mijn vier broers en zusters en hun familie, onder wie meer dan tachtig bloedverwanten, dienen allemaal Jehovah. En Lucille is de bijna vijftig jaar dat wij getrouwd zijn een voorbeeldige christelijke echtgenote geweest. De laatste jaren heeft zij zonder te klagen veel onplezierige taken verricht om mij in verband met mijn verslechterende lichamelijke conditie te helpen verzorgen.

Ja, mijn leven is vreugdevol geweest. Het is gelukkiger geweest dan ik onder woorden kan brengen. Jehovah dienen geeft zo veel vreugde dat het mijn innige verlangen is hem voor eeuwig op deze aarde te dienen. Ik denk altijd aan Psalm 59:16, waar staat: „Wat mij aangaat, ik zal zingen van uw sterkte, en ’s morgens zal ik vreugdevol over uw liefderijke goedheid vertellen. Want gij zijt voor mij een veilige hoogte gebleken en een toevluchtsoord op de dag van mijn benauwdheid.”

[Illustratie op blz. 23]

George Brumley met de Ethiopische keizer Haile Selassie

[Illustratie op blz. 25]

George Brumley en zijn vrouw, Lucille

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen