De christenheid en de slavenhandel
TIJDENS de negentiende eeuw waren katholieke en protestantse zendelingen verenigd in hun verzet tegen de slavenhandel. Maar zo was hun houding niet altijd geweest. In voorgaande eeuwen hadden zij de slavenhandel goedgekeurd en eraan deelgenomen, ondanks het afgrijselijke lijden dat daardoor werd veroorzaakt.
Zowel naar de oost- als naar de westkust van Afrika begonnen zendelingen te komen toen in de vijftiende eeuw de handelsroute over zee rond Kaap de Goede Hoop was ontdekt. Na drie eeuwen was het zendingswerk in Afrika echter vrijwel tot stilstand gekomen. Er waren weinig Afrikaanse bekeerlingen. Eén reden voor deze mislukking was de betrokkenheid van de christenheid bij de slavenhandel. C. P. Groves verklaart in The Planting of Christianity in Africa:
„De christelijke zending ging gepaard met actieve deelname aan de slavenhandel, en daar zag men niets verkeerds in. Het was zelfs zo dat de zending haar eigen slaven bezat; een jezuïetenklooster in Loanda [thans Luanda, de hoofdstad van Angola] kreeg er 12.000 ten geschenke. Toen de slavenhandel tussen Angola en Brazilië op gang kwam, gaf de bisschop van Loanda, vanaf een stenen stoel aan de kade, zijn bisschoppelijke zegen aan de vertrekkende ladingen en beloofde hun toekomstige gelukzaligheid, wanneer de stormen der beproevingen van het leven voorbij waren.”
Jezuïetenzendelingen maakten geen „bezwaar tegen slavernij van negers”, bevestigt C. R. Boxer, zoals aangehaald in het boek Africa From Early Times to 1800. In Luanda, zo meldt Boxer verder, werden slaven voordat zij aan boord gingen van schepen die naar Spaanse en Portugese kolonies voeren, „naar een naburige kerk gebracht . . . en daar door een parochiepriester in groepen van honderd tegelijk gedoopt”. Nadat de slaven met „wijwater” besprenkeld waren, kregen zij te horen: „Kijk, jullie zijn al kinderen van God; jullie gaan naar het land van de Spanjaarden waar jullie over het Geloof zullen leren. Denk niet meer aan waar jullie vandaan gekomen zijn . . . Ga met goede moed.”
Natuurlijk waren de zendelingen van de christenheid niet de enigen die de slavenhandel goedkeurden. „Tot de laatste helft van de achttiende eeuw”, zo verklaart Geoffrey Moorhouse in zijn boek The Missionaries, „was het eenvoudig de gewone gang van zaken in de wereld.” Moorhouse haalt het voorbeeld aan van een achttiende-eeuwse protestantse zendeling, Thomas Thompson, die een traktaat schreef met een titel die vertaald luidt: „De Afrikaanse handel in negerslaven blijkt in overeenstemming te zijn met de beginselen van menslievendheid en met de wetten van de geopenbaarde religie”.
Niettemin draagt de christenheid door haar aandeel mede de verantwoordelijkheid voor het verschrikkelijke lijden dat miljoenen Afrikaanse slaven is aangedaan. „Nog afgezien van de slaven die stierven voordat zij uit Afrika wegvoeren,” aldus The Encyclopædia Britannica, „ging 12 1/2% verloren tijdens hun overtocht naar West-Indië; in Jamaica stierf 4 1/2% in de havens of vóór de verkoping en nog eens een derde tijdens het ’bruikbaar maken’.”
Weldra zal Jehovah God zowel de christenheid als andere vormen van valse religie ter verantwoording roepen wegens alle verschrikkelijke daden van bloedschuld die zij hebben gedoogd en zelfs gezegend. — Openbaring 18:8, 24.
[Diagram op blz. 8]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Schema van de wijze waarop slaven in een slavenschip werden gestouwd
[Verantwoording]
Schomburg Center for Research in Black Culture / The New York Public Library / Astor, Lenox and Tilden Foundations