Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w91 1/12 blz. 24-27
  • Dicht bij Gods organisatie blijven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Dicht bij Gods organisatie blijven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een tijd van beproeving
  • Aanpassingen om te pionieren
  • Pionieren in het zuiden
  • Betheldienst
  • Een verandering van werk
  • Dankbaar voor een heerlijk leven van dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Een rijk leven in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Hoe gebruik jij jouw leven?
    Koninkrijksdienst 1974
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
w91 1/12 blz. 24-27

Dicht bij Gods organisatie blijven

ZOALS VERTELD DOOR ROY A. RYAN

Sandhill (Missouri) had een toepasselijke naam, aangezien het niet veel meer was dan een grote zandheuvel in het glooiende landschap. Dit aan een kruispunt gebouwde dorp lag vijf kilometer ten westen van Rutledge en bestond uit maar acht of negen huizen, een methodistenkerk en een kleine smederij. Daar ben ik op 25 oktober 1900 geboren.

MIJN vader was de dorpssmid. Hoewel mijn ouders zelden naar de kerk gingen, begon mijn moeder mij naar de zondagsschool van de methodistenkerk te sturen. Ik hield niet van de naam methodist, omdat ik vond dat men een christen genoemd moest worden, maar toch ontwikkelde ik een dorst naar bijbelse waarheid en een belangstelling voor eeuwig leven.

Toen ik zestien jaar was, ging ik aan de spoorweg naar Santa Fe werken. Een van de Internationale Bijbelonderzoekers (zoals Jehovah’s Getuigen toen werden genoemd), Jim genaamd, kwam bij onze groep spoorwegarbeiders werken, en hij en ik werkten vaak samen. Jim praatte en ik luisterde naar wat hij over de bijbel te zeggen had. Het klonk mij goed in de oren, dus vroeg ik of ik een van zijn boeken mocht lenen.

Jim leende mij het eerste deel van de Schriftstudiën, uitgegeven door C. T. Russell van de Internationale Bijbelonderzoekersvereniging. Toen ik het teruggaf, liet ik hem nog meer delen voor mij meenemen. Kort hierna ging Jim weg bij het werk aan de spoorweg en de volgende keer dat ik hem zag, was op straat in Rutledge waar hij bestellingen opnam voor het geïllustreerde boek Scenario van het Photo-Drama der Schepping. Later nodigde hij mij uit voor de groepsvergaderingen die in zijn huis werden gehouden. Iedere zondag liep ik de vijf kilometer naar Rutledge voor de vergadering.

Toen in 1919 het tijdschrift Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!) uitkwam, wilde ik met de velddienst beginnen. Een andere nieuwe Bijbelonderzoeker en ik waren vastbesloten om dit nieuwe tijdschrift van huis tot huis te verspreiden. Wij waren een beetje bang om mensen in onze woonplaats te bezoeken, dus namen wij de trein en gingen naar een nabijgelegen stad. Toen wij ’s morgens arriveerden, gingen wij allebei onze eigen weg en klopten tot in de namiddag bij de deuren aan, hoewel wij geen ervaring in dit werk hadden. Ik sloot twee abonnementen af, waarvan één bij een man met wie ik aan de spoorweg werkte.

Op 10 oktober 1920 werd ik in een meertje vlak bij Rutledge gedoopt. Mijn ouders waren het er niet mee eens dat ik mij inliet met de Internationale Bijbelonderzoekers. Dit kwam door de tegenstand die de Bijbelonderzoekers tijdens de oorlogsjaren van 1914–1918 op instigatie van de geestelijkheid hadden ondervonden. Later begon mijn vader echter enkele vergaderingen van de Bijbelonderzoekers bij te wonen, en hij las ook Het Gouden Tijdperk. Mijn moeder is, voordat zij overleed, welwillender tegenover onze opvatting omtrent de bijbelse waarheid komen te staan. Toch heeft niemand van mijn familie zich deze waarheid ooit eigen gemaakt.

Een tijd van beproeving

In die beginperiode waren er naast mij slechts drie personen die de bijbelstudievergaderingen in Rutledge geregeld bijwoonden. Deze drie verlieten uiteindelijk de organisatie. Een van hen was een uitstekende spreker, die in de omgeving altijd openbare bijbeltoespraken hield. Maar hij werd trots op zijn bekwaamheden en vond het beneden zijn waardigheid om deel te nemen aan de van-huis-tot-huisprediking zoals de vroege christenen dat hadden gedaan. — Handelingen 5:42; 20:20.

Ik herinner mij dat, toen deze drie hun omgang met de Internationale Bijbelonderzoekers beëindigden, ik mij voelde als de apostel Petrus nadat Jezus tot het volk had gesproken over het ’eten van Jezus’ vlees en het drinken van zijn bloed’. Tot struikelen gebracht door zijn onderwijs verlieten velen hem bij die gelegenheid. Daarop vroeg Jezus aan de apostelen: „Wilt ook gij niet heengaan?” Petrus antwoordde: „Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven.” — Johannes 6:67, 68.

Hoewel Petrus niet helemaal begreep wat Jezus bedoelde met het ’eten van Jezus’ vlees en het drinken van zijn bloed’, erkende hij dat Jezus woorden van eeuwig leven had. Zo dacht ik over de organisatie. Ze had de waarheid ook al begreep ik niet altijd alles helemaal wat ik in de publikaties las. Maar wanneer er iets gezegd werd wat ik niet begreep, ging ik er nooit tegenin. Later werd de zaak opgehelderd, of soms werden standpunten aangepast. Ik was altijd blij dat ik geduldig had gewacht op de opheldering. — Spreuken 4:18.

Aanpassingen om te pionieren

In juli 1924 woonde ik een internationaal congres in Columbus (Ohio) bij. In Het Gouden Tijdperk werd het beschreven als „het grootste congres van Bijbelonderzoekers dat ooit is gehouden”. Daar werd de bezielende resolutie „Aanklacht” aangenomen. De op dat congres ontvangen inlichtingen en de geest die er aan de dag werd gelegd, moedigden mij aan om een volle-tijdbedienaar, of pionier, te worden.

Bij mijn terugkeer van het congres gaf ik mijn baan bij de spoorweg op, en een mede-Bijbelonderzoeker en ik begonnen samen als pionier te dienen. Maar na ongeveer een jaar verslechterde de gezondheid van mijn ouders zo dat zij mijn hulp nodig hadden. Ik stopte met pionieren en kreeg werk bij een pijpleidingmaatschappij, maar aangezien de mensen die daar werkten geen goede invloed hadden, stopte ik met dat werk en ging ik bijen houden en de honing verkopen.

In het najaar van 1933 waren mijn ouders allebei overleden, waardoor ik vrij van verplichtingen was. Dus droeg ik in het voorjaar van 1934 mijn bijen over aan de zorg van iemand anders, bouwde een kleine caravan om in te wonen en begon weer als pionier in de volle-tijdbediening. In het begin werkte ik met een oudere Getuige in de omgeving van Quincy (Illinois). Later verhuisde ik weer naar Missouri, waar ik mij bij een groep pioniers voegde.

In 1935 heerste er een ernstige droogte in het Midwesten en aangezien wij in een gebied werkten waar uitsluitend landbouwers woonden, was het niet gemakkelijk. Niemand had geld, dus gaven dankbare mensen ons vaak voedsel of andere artikelen als wij lectuur bij hen achterlieten.

Pionieren in het zuiden

Die winter verhuisden wij naar het zuiden, naar Arkansas, om te ontkomen aan het koude weer. Wij konden in dat gebied meer lectuur verspreiden en wij ontvingen alle etenswaren in blik die wij konden gebruiken. Wij accepteerden vaak andere dingen die wij konden verkopen, inclusief oude gebruiksvoorwerpen van aluminium of koper, en oude radiateurs en accu’s van auto’s. Hierdoor hadden wij geld voor benzine voor mijn A-Ford die wij in de bediening gebruikten.

Wij dienden in Newton, Searcy en Carroll, graafschappen in het bergachtige Ozark Plateau. Wij zouden over de ervaringen die wij tijdens het prediken onder de bergbewoners van Arkansas meemaakten, wel een boek kunnen schrijven. Daar de wegen in die tijd primitief waren of ontbraken, verrichtten wij veel werk te voet. Sommige pioniers van onze groep gingen te paard om de mensen die hoog in de bergen woonden, te bereiken.

Eén keer hoorden wij van een geïnteresseerde man, Sam genaamd, en wij ontdekten uiteindelijk dat hij op de top van een berg woonde. Hij ontving ons met open armen en was blij dat wij bleven overnachten. Hoewel Sams vrouw geen belangstelling voor onze boodschap had, was zijn zestienjarige zoon, Rex, wel geïnteresseerd. Toen wij weggingen, nodigde Sam ons uit om nog eens te komen. Dus logeerden wij twee weken later weer bij hen.

Toen wij de tweede keer weggingen, was het Sams vrouw die ons uitnodigde om nog eens te komen. Ze zei dat wij een goede invloed op Rex hadden. „Die jongen vloekt verschrikkelijk,” legde zij uit, „en volgens mij heeft hij niet meer zoveel gevloekt sinds jullie hier zijn geweest.” Jaren later ontmoette ik Rex opnieuw, toen hij de zendelingenschool Gilead in South Lansing (New York) bijwoonde. Zulke ervaringen hebben mij door de jaren heen grote voldoening geschonken.

Betheldienst

Toen ik een aanvraag indiende voor de pioniersdienst, diende ik ook een aanvraag in om op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York, Bethel genoemd, te dienen. In het voorjaar van 1935 werd ik ervan in kennis gesteld dat mijn aanvraag goedgekeurd was en dat ik mij moest melden op de Koninkrijksboerderij van het Wachttorengenootschap in South Lansing (New York), om met mijn Betheldienst te beginnen. Ik trof er onmiddellijk regelingen voor dat een mede-Getuige mijn pionierscaravan kon overnemen.

Ik reed in mijn A-Ford naar New York en arriveerde op 3 mei 1935 om ongeveer half elf ’s morgens. Rond één uur die middag werd ik aan het werk gezet bij het kloven van hout. De volgende dag moest ik mij bij de melkerij melden om te helpen met het melken van de koeien. Ik werkte verscheidene jaren in de melkerij, waarbij ik soms ’s morgens en ’s avonds moest melken en gedurende de dag met een groep in de tuin of op het land werkte. Ik zorgde ook voor de bijen en oogstte honing voor de Bethelfamilie. In 1953 werd ik overgeplaatst naar de kaasmakerij.

Iemand die veel indruk op mij heeft gemaakt door zijn onvervalste voorbeeld van nederigheid, loyaliteit en gehoorzaamheid aan Jehovah was Walter John „Pappie” Thorn. Hij was een van de 21 Bijbelonderzoekers die in 1894 als de eerste pelgrimbroeders — mannen die werk deden dat vergelijkbaar is met dat van de huidige kringopziener — aangesteld werden en die verschillende gemeenten bezochten om ze aan te moedigen. Na vele jaren in de reizende dienst te zijn geweest, kwam broeder Thorn naar de Koninkrijksboerderij en werkte in het kippenhok. Vaak hoorde ik hem zeggen: „Steeds wanneer ik aardig wat van mijzelf begin te denken, zet ik mij om zo te zeggen in de hoek en zeg: ’Jij stofje. Wat heb je eigenlijk om trots op te zijn?’”

Nog een bescheiden man die een voorbeeld voor mij werd, was John Booth, nu lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen. Hij is door de jaren heen geciteerd met de uitspraak: „Het is niet zo belangrijk waar je dient, maar wie je dient.” Een eenvoudige verklaring, maar beslist waar! Jehovah dienen is het grootst mogelijke voorrecht!

Een van de hoogtepunten uit mijn Betheldienst was de opening in 1943 van de zendelingenschool Gilead op de Koninkrijksboerderij. Het was werkelijk opwindend om met pioniers uit vele delen van de wereld om te gaan. In die tijd zaten er ongeveer honderd studenten in iedere klas, dus er kwamen elke zes maanden honderd nieuwelingen naar de Koninkrijksboerderij. De graduatieplechtigheid trok altijd duizenden mensen naar deze onderwijsfaciliteit op het platteland in het noorden van de staat New York.

Een verandering van werk

Toen de Gileadschool naar Brooklyn werd verplaatst en het hoofdgebouw met slaapkamers en klaslokalen in South Lansing werd verkocht, werd de melkerij verplaatst naar de Wachttoren-boerderijen in Wallkill (New York). Dus werd ik in het najaar van 1969 overgeplaatst naar de boerderij in Wallkill en ik bleef tot 1983 kaas maken. Toen kreeg ik ander werk; ik werd hovenier.

Toen ik een tijdje geleden geïnterviewd werd, vroeg men mij wat ik ervan vond dat ik na dertig jaar kaas te hebben gemaakt, ander werk kreeg. „Ik vond het niet erg,” merkte ik openhartig op, „want ik hield toch niet van kaasmaken.” Wat ik duidelijk wilde maken was dat wij in elke toewijzing gelukkig kunnen zijn Jehovah te dienen, als wij de juiste instelling behouden en ons nederig onderwerpen aan theocratische leiding. Hoewel ik dus niet echt van kaasmaken hield, had ik vreugde in mijn toewijzing omdat de Bethelfamilie erdoor geholpen werd. Als wij onze grote God, Jehovah, getrouw en zonder morren dienen, kunnen wij gelukkig zijn, wat onze toewijzing ook is.

Ik denk niet dat er op mijn oude dag iets beters voor mij zou kunnen zijn dan op Bethel te dienen. Er wordt goed voor mij gezorgd en ik ben, ondanks mijn negentig jaar, nog steeds in staat het werk dat mij is toegewezen te verrichten. Ik heb nu al vele jaren het voorrecht om, als het mijn beurt is, voorzitter te zijn in het programma voor ochtendaanbidding van de Bethelfamilie hier op de Wachttoren-boerderijen. Als ik de kans heb, moedig ik nieuwelingen op Bethel aan om voordeel te trekken van alle dienstvoorrechten die zij krijgen en om te leren daarmee tevreden en gelukkig te zijn.

Door de jaren heen heb ik verschillende keren andere landen kunnen bezoeken — India, Nepal, het Verre Oosten en Europa. Het volgende advies is misschien een hulp voor allen in hun respectieve gemeenten van Jehovah’s volk over de hele wereld: Wees gelukkig en tevreden in je huidige omstandigheden en kom tot geestelijke bloei in de aarde waar je geplant bent.

Ik heb verkozen ongetrouwd te blijven, omdat dit mij in staat heeft gesteld mijn dienst voor God zonder afleiding te blijven verrichten. Onze grote God heeft, als een beloning voor getrouwheid, de hoop op eeuwig leven gegeven. Voor velen zal dat eeuwig leven in een paradijstehuis hier op aarde betekenen. Anderen onder ons zien eeuwig leven in de hemelen tegemoet, waar wij iedere toewijzing die ons ook wordt gegeven, zullen behartigen.

Sommigen denken misschien dat mijn leven van negentig jaar een lang, rijk gevuld leven is geweest. Mijn leven is wel rijk gevuld, maar niet lang genoeg geweest. Door dicht bij Gods organisatie en zijn woorden van waarheid te blijven, kunnen wij ons leven voor eeuwig verlengen.a

[Voetnoten]

a Terwijl Roy Ryan zijn levensgeschiedenis optekende, trad er plotseling een verslechtering in zijn gezondheidstoestand op. Hij beëindigde zijn aardse loopbaan op 5 juli 1991, niet lang nadat hij aan de beurt was geweest om voorzitter te zijn bij de ochtendaanbidding op de Wachttoren-boerderijen.

[Illustratie van Roy A. Ryan op blz. 24]

[Illustratie op blz. 26]

Broeder Ryan in zijn jonge jaren naast een T-Ford

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen