Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w91 1/9 blz. 10-14
  • ’Met tranen zaaien en met vreugdegeroep oogsten’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • ’Met tranen zaaien en met vreugdegeroep oogsten’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De waarheid leren kennen
  • Zorgen voor broeders in de gevangenis
  • Weer gevangengezet
  • Verhoor
  • Hernieuwde omgang met de Getuigen
  • De opleiding van een kind ter hand nemen
  • Terugkeer naar Japan
  • Mijn dochter aan Jehovah aanbieden
  • Zeven jaar in gevangenissen van Rood China — En toch nog standvastig in het geloof!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
  • God dienen in moeilijke tijden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • Hebt u werkelijk waardering voor de zegeningen van Jehovah?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Eindelijk een verenigd gezin!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
w91 1/9 blz. 10-14

’Met tranen zaaien en met vreugdegeroep oogsten’

Zoals verteld door Mijo Idei

„Ik ga dood! Ik ga dood! Help!” Met inspanning van al zijn krachten schreeuwde mijn vader het uit. Terwijl het geluid van zijn stem alles overheerste, holde ik het huis uit. Het was midden in de nacht en mijn vader had een hartaanval. Ik rende naar mijn oom, die vlakbij woonde, maar toen wij terugkwamen, was Vaders pols niet meer te voelen.

DAT gebeurde op 14 december 1918. Op dertienjarige leeftijd bleef ik ouderloos achter. Mijn moeder was gestorven toen ik zeven jaar was. Nu ik mijn beide ouders zo vroeg in mijn leven verloren had, begon ik mij af te vragen: ’Waarom sterven mensen? Wat gebeurt er na de dood?’

Na mijn diploma van een pedagogische academie te hebben behaald, werd ik onderwijzeres in Tokio, waar ik les gaf aan de Sjinagawa-basisschool. Later stelde een kennis mij voor aan een jonge man, Motohiro, met wie ik trouwde toen ik 22 was. De afgelopen 64 jaar hebben wij lief en leed gedeeld. Weldra verhuisden wij naar Taiwan, dat toen onder Japans bestuur stond. Ik had er destijds geen idee van dat ik in dat land een reden tot vreugdegeroep zou vinden.

De waarheid leren kennen

Toen wij in het voorjaar van 1932 in een buitenwijk van Tjiai in Midden-Taiwan woonden, kregen wij bezoek van een man die Saboero Otjiai heette. Hij bracht ons onder de aandacht dat bijbelse profetieën ook de belofte van een opstanding voor de doden behelzen (Johannes 5:28, 29). Wat een heerlijk vooruitzicht! Ik verlangde er met hart en ziel naar mijn vader en moeder terug te zien. Wat hij met logische argumenten, redelijke verklaringen en goed gefundeerd bijbels bewijsmateriaal vertelde, had de klank van de waarheid. De tijd vloog om terwijl wij de hele dag de bijbel bespraken. Plotseling werd het een aantrekkelijk boek voor mij.

Weldra vertrok de heer Otjiai naar een andere plaats, na boeken bij ons te hebben achtergelaten zoals Schepping, De Harp Gods, Regeering, Profetie, Licht en Verzoening, alle uitgegeven door de Watch Tower Bible and Tract Society. Bij het lezen daarvan raakte ik hevig geboeid en begon mij gedrongen te voelen anderen te vertellen over de dingen die ik las. Als Jezus zijn bediening in zijn woonplaats Nazareth was begonnen, waarom zou ik dan niet beginnen waar ik woonde? Ik bracht een bezoek aan mijn naaste buren. Niemand had mij geleerd hoe ik moest prediken, en daarom ging ik van huis tot huis met mijn bijbel en de boeken die ik gelezen had en predikte zo goed als ik kon. De mensen reageerden gunstig en namen tijdschriften aan. Ik vroeg Todaisja, zoals het Wachttorengenootschap in Japan in die dagen heette, mij 150 exemplaren van de brochure Het Koninkrijk — De Hoop der Wereld te sturen en ik verspreidde ze.

Op een dag vertelde iemand die lectuur genomen had mij dat direct na mijn vertrek de politie gekomen was en de boeken in beslag had genomen. Kort daarop kwamen er vier rechercheurs naar mijn huis en namen al mijn boeken en tijdschriften in beslag. Alleen de bijbel lieten zij achter. Vijf jaar lang ontmoette ik niemand van Jehovah’s volk, maar het vuur van de waarheid bleef branden in mijn hart.

Toen brak december 1937 aan! Wij kregen bezoek van twee colporteurs uit Japan. Stomverbaasd vroeg ik: „Hoe zijn jullie ons op het spoor gekomen?” Ze zeiden: „Wij hebben jullie naam hier op een briefje.” Jehovah was ons indachtig geweest! De twee Getuigen, Joriitji Oe en Josjioetji Kosaka, waren op oude fietsen, met hun bezittingen hoog opgetast achterop, zo’n 240 kilometer van Taipei naar Tjiai komen rijden. Terwijl zij met ons spraken, voelde ik mij als de Ethiopische eunuch, die zei: „Wat belet mij gedoopt te worden?” (Handelingen 8:36) Op de avond van hun aankomst werden zowel mijn man als ik gedoopt.

Zorgen voor broeders in de gevangenis

In 1939 werden plotseling overal in Japan Jehovah’s Getuigen gearresteerd. Weldra sloeg de golf van vervolging over naar Taiwan. In april werden broeder Oe en broeder Kosaka allebei gearresteerd, en wij twee maanden later. Omdat ik onderwijzeres was, werd ik de volgende dag vrijgelaten, maar mijn man werd vier maanden in hechtenis gehouden. Na de vrijlating van mijn man verhuisden wij naar Taipei. Daar wij nu dichter bij de gevangenis waren waar de twee broeders opgesloten zaten, kwam dit heel goed uit.

In de gevangenis van Taipei was de bewaking streng. Met kleding en voedsel bij me ging ik de broeders opzoeken. Eerst verscheen broeder Kosaka met een bewaker en een rechercheur achter een raampje van 30 bij 30 centimeter met ijzergaas ervoor. Hij zag bleek en zijn lippen waren zo rood als verse aardbeien. Hij had tuberculose opgelopen.

Vervolgens kwam broeder Oe te voorschijn met een glimlach op zijn gelaat, en hij bleef maar blij herhalen: „Geweldig dat jullie konden komen.” Daar zijn gezicht geel en opgezwollen was, vroeg ik hem naar zijn gezondheid. „Met mij gaat het uitstekend!”, antwoordde hij. „Dit is een prima gelegenheid. Geen bedwantsen of luizen. Ik kan hier zelfs boekweitmie te eten krijgen. Het is net een villa”, zei hij. De politie en de bewaker konden hun lachen niet inhouden en zeiden: „O, die Oe is niet klein te krijgen.”

Weer gevangengezet

Op 30 november 1941, enkele dagen nadat ik van mijn bezoek aan de broeders thuisgekomen was, werd er omstreeks middernacht op de deur gebonsd. Ik zag silhouetten van hoeden als bergtoppen door de glazen schuifdeur. Acht telde ik er. Het waren politieagenten. Zij drongen ons huis binnen en keerden alles ondersteboven — maar tevergeefs. Na een huiszoeking van een uur namen zij enkele fotoalbums in beslag en bevalen ons mee te gaan. Ik herinnerde mij hoe Jezus midden in de nacht was gearresteerd (Mattheüs 26:31, 55-57; Johannes 18:3-12). Het was een vermakelijke gedachte dat acht mannen zoveel drukte maakten om ons tweeën.

Wij werden naar een onbekend gebouw gebracht, enorm groot en donker. Later kwamen wij erachter dat het de Hitjisei-gevangenis in Taipei was. Wij moesten voor een groot bureau plaatsnemen en de ondervraging begon. Telkens weer vroegen zij: „Wie kennen jullie?”, en elk op onze beurt antwoordden wij: „Ik ken niemand.” Hoe konden wij de broeders op de eilanden van het moederland Japan kennen? Wij kenden alleen de broeders Oe en Kosaka, en eventuele andere namen die wij indirect gehoord mochten hebben, kwamen niet over onze lippen.

Al spoedig was het vijf uur in de ochtend, en twee rechercheurs brachten mij naar mijn cel. Het duurde een poosje voor ik aan de nieuwe omgeving gewend raakte. Voor het eerst in mijn leven werd ik met bedwantsen geconfronteerd. Deze insektjes, altijd tuk op een feestmaal bij nieuwelingen, zaten mij genadeloos op de huid, terwijl ze de andere twee vrouwen in de cel met rust lieten — hoewel ik ze kapotkneep als ze mij te na kwamen. Ten slotte gaf ik het op en liet toe dat ze zich aan mij te goed deden.

Ons voedsel bestond uit een kopje dunne, halfgare rijstepap, maar mijn mond bleef vinden dat het rauwe rijst was. Bij die dunne pap werden een paar gezouten blaadjes daikon (Japanse radijs) verstrekt met het zand er nog op. Omdat het eten stonk en smerig was, kon ik het eerst niet naar binnen krijgen en kwamen mijn celgenotes het opeten. Uiteraard heb ik mij van lieverlee moeten aanpassen om in leven te blijven.

Het leven in de gevangenis was tragisch. Bij één gelegenheid hoorde ik een van spionage verdachte man dag aan dag schreeuwen als hij gemarteld werd. Ik zag ook in de cel naast ons iemand onder hevige pijnen sterven. Nu dit alles zich voor mijn ogen afspeelde, was ik er diep van doordrongen dat er een eind aan dit oude samenstel moest komen, en mijn hoop op Gods beloften werd vaster dan ooit.

Verhoor

Ik werd ongeveer een jaar gevangen gehouden en vijfmaal aan een verhoor onderworpen. Op een dag kwam er voor het eerst een aanklager en ik werd naar een benauwd verhoorkamertje gebracht. Het eerste wat hij zei was: „Wie is groter, Amaterasoe Omikami [de zonnegodin] of Jehovah? Zeg op!” Ik dacht er even over na hoe ik zou antwoorden.

„Zeg op wie de grootste is of je krijgt ervan langs!” Hij keek mij dreigend aan.

Bedaard antwoordde ik: „Helemaal aan het begin van de bijbel staat geschreven: ’In het begin schiep God de hemel en de aarde.’” Ik vond het niet nodig er iets aan toe te voegen. Hij keek mij alleen maar zonder een woord te zeggen aan en veranderde toen van onderwerp.

Wat was nu uiteindelijk de reden waarom ik in verzekerde bewaring werd gehouden? Het onderzoeksverslag zei: „Er wordt gevreesd dat zij het publiek door haar woorden en daden zou kunnen misleiden.” Dat was de reden waarom ik zonder enige vorm van proces opgesloten zat.

Jehovah was terwijl ik dit alles doormaakte voortdurend bij mij. Dank zij Jehovah’s goedheid kreeg ik de beschikking over de christelijke Griekse Geschriften in zakformaat. Op een dag gooide een rechercheur het boekje in mijn cel met de woorden: „Hier, voor jou.” Ik las dagelijks zo intensief dat ik uit het hoofd begon te leren wat ik las. De voorbeelden van vrijmoedigheid van de eerste-eeuwse christenen in het boek Handelingen werden een grote bron van aanmoediging. Ook de veertien brieven van Paulus sterkten mij. Paulus heeft buitensporige vervolging ondervonden, maar de heilige geest steunde hem altijd. Zulke verslagen gaven mij nieuwe moed.

Ik werd heel mager en broos, maar Jehovah schraagde mij, dikwijls op onverwachte manieren. Op een zondag kwam er een rechercheur die ik nog nooit had ontmoet met een in een omslagdoek gewikkeld pak. Hij opende de celdeur en nam mij mee naar de binnenplaats. Toen wij bij een grote kamferboom kwamen, maakte hij het pakje open. Ik geloofde mijn ogen niet! Er zaten bananen en broodjes in. Hij zei dat ik ze daar moest opeten. De rechercheur merkte op: „Jullie zijn allemaal heel goede mensen. Toch moeten wij jullie zo behandelen. Ik zou graag gauw met dit werk ophouden.” Zo begonnen bewakers en rechercheurs mij vriendelijk te behandelen. Zij vertrouwden mij en lieten mij hun kamers schoonmaken en gaven mij verschillende andere vertrouwelijke taken.

Tegen eind 1942 werd ik ontboden bij een van de rechercheurs die ons gearresteerd hadden. „Hoewel je de doodstraf verdient, word je vandaag vrijgelaten”, verklaarde hij. Mijn man was ongeveer een maand voor mijn vrijlating weer thuisgekomen.

Hernieuwde omgang met de Getuigen

Terwijl wij in de gevangenis zaten, begaf Japan zich in de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens, in 1945, vernamen wij dat Japan de oorlog verloren had en lazen wij in de krant dat politieke gevangenen zouden worden vrijgelaten. Wij wisten dat broeder Kosaka in de gevangenis aan zijn ziekte was gestorven, maar ik schreef onmiddellijk brieven naar de gevangenissen in Taipei, Hsintjoe en andere steden om te informeren naar de verblijfplaats van broeder Oe. Ik kreeg echter geen antwoord. Later kwam ik te weten dat broeder Oe gefusilleerd was.

In 1948 kregen wij een onverwachte brief uit Sjanghai. Hij was afkomstig van broeder Stanley Jones, die van Gilead — een enkele jaren tevoren opgerichte zendelingenschool van Jehovah’s Getuigen — naar China was uitgezonden. Opnieuw was Jehovah ons indachtig geweest! Ik was overgelukkig dat ik dit contact met Jehovah’s organisatie mocht hebben. Er waren zeven jaar verstreken sinds wij broeder Oe hadden gezien. Hoewel wij al die tijd geen enkel contact met andere Getuigen hadden gehad, had ik anderen wel over het goede nieuws verteld.

Het was een tijd van grote vreugde toen broeder Jones ons voor het eerst kwam bezoeken. Hij was bijzonder hartelijk. Hoewel wij hem nog nooit eerder ontmoet hadden, hadden wij het gevoel dat wij een heel intiem familielid in ons huis verwelkomden. Kort daarop vertrok broeder Jones naar T’ai-toeng, aan de overkant van de bergen, met mijn man als tolk. Na ongeveer een week kwamen zij terug, en in die tijd hadden zij een eendaags congres gehouden en ongeveer 300 leden van de Amis-stam aan de oostkust gedoopt.

Het bezoek van broeder Jones was in nog een ander opzicht betekenisvol voor mij. Tot die tijd had ik in mijn eentje gepredikt. En nu werd tijdens het bezoek van broeder Jones een echtpaar, van wie de man onze huisbaas was, gedoopt. Sindsdien heb ik naast de vreugde van het verkondigen van het Koninkrijk vele malen de vreugde gesmaakt discipelen te maken. Later zijn wij naar Hsintjoe verhuisd, waar broeder Jones ons driemaal heeft bezocht, telkens voor twee weken. Ik heb van die heilzame omgang hartgrondig genoten. Bij de laatste gelegenheid zei hij: „Volgende keer breng ik Harold King, mijn partner, mee.” Maar die „volgende keer” is er nooit van gekomen, want kort daarop werden zij beiden in China gevangengezet.

In 1949 kwamen Joseph McGrath en Cyril Charles, zendelingen van de elfde klas van Gilead, aan in Taiwan. Zij breidden het werk in Taiwan uit, met ons huis als hun basis. Hun voorbeeld moedigde mij werkelijk aan. De politieke situatie dwong hen echter naar Hong Kong te vertrekken. Ik kon mijn tranen niet inhouden toen zij in gezelschap van een politieagent vertrokken. „Niet huilen, Mijo”, zei Joe. Hij voegde eraan toe: „Dank je wel”, en gaf mij zijn veelgebruikte balpen als aandenken.

De opleiding van een kind ter hand nemen

Mijn man en ik hadden geen kinderen, en daarom adopteerden wij een nichtje van mijn man toen zij vier maanden was. Haar moeder, die aan astma leed, verkeerde in levensgevaar.

In 1952 bracht broeder Lloyd Barry, die als zendeling in Japan diende, een bezoek aan Taiwan om te trachten wettelijke erkenning voor de activiteiten van Jehovah’s Getuigen te verkrijgen. Hij logeerde bij ons en moedigde ons zeer aan. Tegen die tijd was onze dochter achttien maanden. Hij tilde haar op en vroeg haar: „Wat is Gods naam?” Verbaasd vroeg ik hem: „Bedoel je dat wij zo vroeg al met haar onderwijs moeten beginnen?” „Ja”, antwoordde hij met stelligheid. Toen sprak hij er met mij over hoe belangrijk het is een kind vanaf een zeer prille leeftijd op te leiden. Zijn woorden: „Zij is een geschenk van Jehovah om jou te vertroosten”, zijn mij altijd bijgebleven.

Onmiddellijk maakte ik een begin met de opleiding van mijn dochtertje Akemi om haar te leren Jehovah te kennen en lief te hebben en zijn dienstknecht te worden. Ik leerde haar fonetische tekens, te beginnen met de drie letters i, ho en ba, die te zamen het woord „Ihoba” vormen, ofte wel Jehovah in het Japans. Toen zij twee jaar werd, kon zij begrijpen wat ik haar vertelde. Daarom vertelde ik haar elke avond voor zij naar bed ging bijbelse verhalen. Zij luisterde vol belangstelling en onthield ze.

Toen zij drie en een half was, kwam broeder Barry weer op bezoek en gaf Akemi een bijbel in hedendaags gewoon Japans. Zij liep de kamer rond met de bijbel en zei: „Akemi’s bijbel! Akemi’s bijbel!” Even later flapte zij eruit: „Akemi’s bijbel heeft Jehovah niet! Die wil ik niet!”, en zij gooide hem op de grond. Verbluft bekeek ik de inhoud. Eerst sloeg ik Jesaja hoofdstuk 42 vers 8 op. Daar was de naam Jehovah vervangen door het woord „Heer”. Ik zocht andere schriftplaatsen op, maar ik kon de goddelijke naam Jehovah niet vinden. Akemi was pas tevreden toen ik haar Jehovah’s naam weer in mijn oude bijbel liet zien, die in het Oudjapans was geschreven.

Terugkeer naar Japan

In 1958 keerden wij naar Japan terug en verbonden ons met de gemeente Sannomija in Kobe. Daar ik zoveel redenen had om Jehovah dankbaar te zijn, wilde ik uiting geven aan die dankbaarheid door pionier te worden — een volle-tijdbedienaar bij Jehovah’s Getuigen. Ik spande mij in de pioniersdienst krachtig in. Het gevolg was dat ik veel huisbijbelstudies kon leiden en de vreugde smaakte tussen de zeventig en tachtig personen te helpen in de waarheid te komen. Een tijdlang had ik zelfs het voorrecht als speciale pionier te dienen en elke maand meer dan 150 uur in de velddienst te staan, terwijl ik ook voor mijn man en dochter zorgde.

Daar wij meer dan dertig jaar in Taiwan hadden gewoond, was het leven in Japan een cultuurschok, en ik heb een aantal beproevende ervaringen meegemaakt. Op zulke momenten werd Akemi mijn steun en toeverlaat, precies zoals broeder Barry jaren tevoren tegen mij had gezegd. Als ik gedeprimeerd was, zei ze tegen mij: „Mam, vat moed. Jehovah zorgt wel voor de uitweg.” „Ja, dat doet hij vast, hè?”, antwoordde ik dan, en omhelsde haar stevig. Wat een bron van aanmoediging! Hoe zou ik het kunnen laten Jehovah te danken!

Mijn dochter aan Jehovah aanbieden

Akemi werd verkondigster toen zij zeven was en werd gedoopt toen zij twaalf was, in de zomer van 1963. Ik probeerde zoveel mogelijk tijd met haar door te brengen (Deuteronomium 6:6, 7). Er zijn in haar puberteit moeilijke ogenblikken geweest, maar met de voortreffelijke voorbeelden en aanmoediging van speciale pioniers die naar onze gemeente waren gestuurd, heeft Akemi zich uiteindelijk ten doel gesteld in nieuwe gebieden te gaan pionieren.

Op het districtscongres van 1968 speelde zij de rol van Jefta’s dochter in het bijbelse drama. Terwijl ik naar het drama keek, besloot ik net als Jefta had gedaan, mijn enige dochter, die ik tot dan toe aan mijn hart had gekoesterd, aan Jehovah aan te bieden voor de volle-tijddienst. Hoe zou het leven zijn zonder mijn dochter dicht in de buurt? Het was een uitdaging, want ik was al over de zestig.

In 1970 kwam voor onze dochter de tijd om ons te verlaten. Zij kreeg toestemming van mijn man en ging naar Kioto om als pionier te dienen. Omdat zij onze gevoelens begreep, nam zij met bloedend hart afscheid van ons. Als afscheidstekst haalde ik Psalm 126:5, 6 voor haar aan: „Wie met tranen zaaien, zullen zelfs met vreugdegeroep oogsten. Wie zonder mankeren heengaat, al is het wenend, terwijl hij een zak vol zaad bij zich draagt, zal zonder mankeren met vreugdegeroep terugkomen, terwijl hij zijn schoven draagt.” Die woorden bleken ook voor mij een hart onder de riem te zijn.

Later is Akemi getrouwd en zij bleef met haar man in de speciale pioniersdienst. Sinds haar man in 1977 als kringopziener werd aangesteld, dienen zij in het reizende werk. Regelmatig spreid ik een kaart uit en „reis” met mijn dochter mee op de kaart. Ik vind het verrukkelijk hun ervaringen te horen en via mijn dochter met veel zusters kennis te maken.

Ik ben al 86. De dagen die voorbijgegaan zijn, lijken niet meer dan een nachtwake. Ik kan niet meer zoveel doen als voorheen, maar de velddienst schenkt mij nog steeds vreugde. Als ik mijmer over de zestig jaar die verstreken zijn sinds ik de waarheid leerde kennen, welt Gods geruststellende belofte op in mijn hart. Ja, Jehovah, die loyaal zal handelen jegens zijn loyalen, laat ons vreugde in overvloed oogsten. — Psalm 18:25.

[Illustratie van Mijo Idei op blz. 10]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen