Koninkrijksverkondigers brengen verslag uit
Guinee heet „Goddelijke vrede”-congresgangers welkom
TIJDENS de eerste vier dagen van 1987 werd in de republiek Guinee (West-Afrika) voor het eerst een districtscongres van Jehovah’s Getuigen gehouden. Hoewel Guinee een overwegend islamitisch land is waar het werk van Jehovah’s Getuigen nog niet officieel is erkend, hebben de Getuigen aldaar de reputatie verworven goede, vriendelijke en vredelievende mensen te zijn. Wegens deze reputatie opende de regering haar deuren wijd om de „Goddelijke vrede”-congresgangers te ontvangen.
Tot de afgevaardigden behoorden negen zendelingen die in een bestelwagen en op twee motorfietsen uit Freetown (Sierra Leone) waren gekomen. Aan de grens moesten zij een rivier oversteken op een pont die uit drie boomstamkano’s bestond waarop dwarsplanken waren bevestigd. Toen zij met hun voertuigen veilig de overkant hadden bereikt, vroegen de zendelingen: „Hoeveel zijn wij u verschuldigd?” „Jullie zijn Jehovah’s Getuigen”, luidde het antwoord. „Het kost jullie niets.”
Hoe stond het met de douane- en immigratieformaliteiten? „Maak jullie daar maar geen zorgen over”, werd hun gezegd. „Alles is geregeld. Draag alleen jullie lapelkaartje.” Honderden andere afgevaardigden deden soortgelijke ervaringen op. De regering van Guinee had niet alleen voorzien in een gratis overtocht over de rivier die Guinee van Sierra Leone en Liberia scheidt, maar had ook douane- en immigratieformaliteiten ingetrokken voor iedereen die in het bezit was van een „Goddelijke vrede”-lapelkaartje! Een kringopziener die uit Liberia kwam, zei: „Het lapelkaartje was veel beter dan een paspoort.”
De Guinese regering bood in nog andere opzichten hulp. Ze voorzag in een voertuig dat de Getuigen van de hoofdstad, Conakry, naar de congresstad Guéckédou, ongeveer 640 kilometer verder gelegen, bracht. Ze stond de Getuigen toe benzine te kopen voor de voertuigen die uit Freetown waren gekomen. Ze gelastte het hotel vlak bij het congresterrein alle kamers voor de Getuigen te reserveren. Ze gaf de Getuigen ook toestemming om voor hun congres gratis gebruik te maken van het gemeentehuis.
De districtsgouverneur, de hoogste functionaris in dat deel van het land, verleende in zijn eigen ambtswoning huisvesting aan elf afgevaardigden. Hij behoorde ook tot de 1132 personen die op zondag naar de openbare lezing luisterden.
Jehovah God zal deze aan zijn dienstknechten betoonde vriendelijkheid niet vergeten. — Matthéüs 10:42; 25:40.