Hoe beziet God spiritisme?
„VAN dezelfde dingen houden en aan dezelfde dingen een hekel hebben, dat maakt een vriendschap hecht”, zei de Romeinse geschiedschrijver Sallustius. Ja, een vriend is iemand met wie u heel veel punten van overeenkomst hebt, iemand die u kunt vertrouwen. Zo beschouwt ook God ons als zijn vrienden en vergunt hij ons een hechtere band met hem te ontwikkelen indien wij van dezelfde dingen houden als hij en aan dezelfde dingen een hekel hebben. Dat wil zeggen dat wij ons aangetrokken voelen tot zulke goddelijke hoedanigheden als liefde, vrede, vriendelijkheid en goedheid, en dat wij serieus moeite doen deze eigenschappen ook in ons leven aan de dag te leggen. — Galaten 5:22, 23.
Om te weten te komen of het spiritisme door God wordt goedgekeurd, zouden wij eerst de vruchten ervan kunnen onderzoeken (Matthéüs 7:17, 18). Worden wij erdoor geholpen aantrekkelijke goddelijke hoedanigheden te ontwikkelen? Laten wij, om dat te weten te komen, eens twee uit het leven gegrepen voorbeelden onder de loep nemen.
Waarzeggerij, kwellingen en de dood
Asamaja Amelia, een in Suriname wonende vrouw van middelbare leeftijd, was zeventien jaar toen zij voor het eerst betrokken raakte bij waarzeggerij, een vorm van spiritisme. Aangezien haar voorspellingen uitkwamen en de mensen die haar raadpleegden baat vonden bij haar adviezen, was zij in haar gemeenschap hoog in aanzien. (Vergelijk Handelingen 16:16.) Maar één ding zat haar dwars.
„De geesten die via mij spraken, waren aardig voor degenen die hun hulp zochten”, zegt zij, „maar tegelijkertijd maakten ze mij het leven zuur. Na iedere seance voelde ik mij als een geslagen hond en kon ik mij nauwelijks bewegen. Als de nacht aanbrak, hoopte ik wat op verhaal te kunnen komen, maar de geesten lieten mij niet met rust. Zij bleven mij storen door tegen mij te praten en mij wakker te houden. En de dingen die ze zeiden!” Zij zucht en hoofdschuddend van afkeer slaat zij de ogen neer. „Ze vonden het heerlijk om over seks te praten en wilden met alle geweld betrekkingen met mij hebben. Het was schokkend. Ik was getrouwd. Ik wilde niet ontrouw worden en dat zei ik tegen hen. Het hielp niet. Eens werd ik overmeesterd door een onzichtbare kracht die mijn lichaam aanraakte, mij kneep en mij zelfs beet. Ik voelde mij ellendig.”
’Geesten die tot seksuele immoraliteit aanmoedigen? Dat is te vergezocht!’ roept u misschien uit. Zijn die geesten werkelijk zo verdorven?
„Het is nog erger!”, zegt de eerder genoemde Izaak. „Op een avond werd onze hulp ingeroepen voor een vrouw die door een geest werd gekweld. De leider van de groep — het medium van een sterkere geest — probeerde de geest te verjagen. Een hele dag hebben wij zijn geest om hulp gesmeekt. Wij dansten en sloegen op de trommels, en langzaam ging het beter met de vrouw. Hij gelastte de geest van haar uit te gaan, en dat hielp. ’Wij hebben gewonnen’, verklaarde de leider stralend. Toen gingen wij zitten om ons wat te ontspannen.”
Izaaks druk gebarende armen blijven een ogenblik roerloos, terwijl hij betekenisvol pauzeert. Dan vervolgt hij: „Een poosje leek alles in orde, maar toen werd de stilte door een kreet verscheurd. Wij holden naar het huis waar de kreet vandaan kwam en zagen de vrouw van de leider. Zij huilde hysterisch. Binnen troffen wij haar dochtertje aan — met haar hoofdje achterstevoren! Een of andere kracht had haar nek omgedraaid en gebroken, en haar als een kip afgemaakt — blijkbaar de wraak van de uitgebannen geest! Het was om ziek van te worden! Die geesten zijn sadistische moordenaars.”
Spiritisme en „de werken van het vlees”
Onreinheid, seksuele immoraliteit en moord — dingen waarvan in deze twee ervaringen met spiritisme sprake was — druisen lijnrecht tegen Gods persoonlijkheid in. En dat helpt ons vast te stellen wie die geesten in werkelijkheid zijn. Ze kunnen wel voorgeven boodschappers van God te zijn, maar hun immorele en moorddadige werken verraden dat zij navolgers zijn van Gods vijand en de eerste moordenaar in de geschiedenis, Satan de Duivel (Johannes 8:44). Hij is hun aanvoerder. Ze zijn zijn helpers — goddeloze engelen, ofte wel demonen. — Lukas 11:15-20.
Maar u zou kunnen vragen: ’Treden in het spiritisme die satanische hoedanigheden alleen in zeldzame gevallen aan het licht? Zou het spiritisme mij in de regel in contact kunnen brengen met goede geesten die mij zouden kunnen helpen nader tot God te komen?’ Nee, de bijbel brengt de „beoefening van spiritisme” onder één noemer met de andere „werken van het vlees”, die lijnrecht in strijd zijn met christelijke hoedanigheden. — Galaten 5:19-21.
In Openbaring 21:8 worden „degenen die spiritisme beoefenen” („degenen die met demonen omgaan”, The Living Bible) in dezelfde categorie geplaatst als „degenen die geen geloof hebben en degenen die walgelijk zijn in hun vuiligheid en moordenaars en hoereerders . . . en afgodendienaars en alle leugenaars”. Hoe beziet Jehovah opzettelijke leugenaars, hoereerders, moordenaars en beoefenaars van spiritisme? Hij haat hun daden! — Spreuken 6:16-19.
Het domein van het spiritisme verkennen, komt dus neer op het liefhebben van iets wat Jehovah God haat. Het is hetzelfde als Jehovah verwerpen, tot Satans kamp behoren en de kant kiezen van Gods aartsvijand en zijn handlangers. Sta eens stil bij het volgende: Zou u in nauw contact willen staan met iemand die de kant van uw vijanden kiest? Natuurlijk niet. Integendeel, u zou zo iemand uit de weg gaan. Uiteraard kunnen wij dan van Jehovah God dezelfde reactie verwachten. Spreuken 15:29 zegt: „Jehovah is ver van de goddelozen.” — Zie ook Psalm 5:4.
Spiritisme leidt tot de dood
Door in het spiritisme te liefhebberen, brengt men bovendien zijn leven in gevaar. God beschouwde het als iets waarvoor hij onder zijn volk in het oude Israël terecht de doodstraf moest instellen (Leviticus 20:27; Deuteronomium 18:9-12). Het dient dan ook geen verbazing te wekken dat beoefenaars van spiritisme „Gods koninkrijk niet zullen beërven” (Galaten 5:20, 21). In plaats daarvan zal „hun deel . . . zijn in het meer dat met vuur en zwavel brandt”, waarmee „de tweede dood” ofte wel de eeuwige vernietiging wordt bedoeld (Openbaring 21:8). Het mag dan zo zijn dat sommige kerken van de christenheid tegenwoordig spiritisme dulden, maar de zienswijze van de bijbel is niet veranderd.
Hoe moet het nu als u uw eerste schreden op het spiritistische pad al hebt gezet? Dan zult u er goed aan doen onmiddellijk halt te houden en rechtsomkeert te maken. Volg de door God geïnspireerde raad op die Gods profeet Jesaja aan de Israëlieten uit de oudheid gaf. Hun situatie lijkt op die van mensen in deze tijd die zich met onreine praktijken bezighouden maar toch denken dat zij God aanbidden. Uit hun ervaring zijn daarom waardevolle lessen te leren. Welke lessen?
Sla acht op Jesaja’s waarschuwing
Een blik op het eerste hoofdstuk van Jesaja laat zien dat de Israëlieten „Jehovah verlaten” hadden en „zich achterwaarts gekeerd” hadden (1 vers 4). Hoewel zij afgedwaald waren, bleven zij slachtoffers brengen, aan religieuze ceremoniën vasthouden en gebeden opzenden. Maar tevergeefs! Aangezien het hun ontbrak aan het innerlijke verlangen hun Schepper te behagen, zei Jehovah: „Ik [verberg] mijn ogen voor u. Ook al zendt gij veel gebeden op, ik luister niet.” Die Israëlieten waren tegen hem in opstand gekomen door zich met onreine praktijken in te laten, zozeer zelfs dat ’hun handen met bloedvergieten vervuld’ waren. — 1 Vers 11-15.
Onder welke omstandigheden zou Jehovah bereid zijn hen weer te aanvaarden? Let op de vereisten die in Jesaja 1:16 nadrukkelijk worden genoemd: „Wast u, reinigt u.” Als wij die raad derhalve ernstig opvatten, zullen wij ophouden met of ons onthouden van onreine praktijken, met inbegrip van het spiritisme, een van „de werken van het vlees”. Aangezien wij weten dat de kwade geest achter het spiritisme de geest van Satan de Duivel is, zullen wij er een haat voor aankweken.
Vervolgens dienen wij ons te ontdoen van alle voorwerpen die met spiritisme te maken hebben. Izaak heeft dat gedaan. Hij zegt: „Op een dag bracht ik alles wat ik aan spiritistische spullen had vóór mijn huis bijeen, pakte een bijl en sloeg ze aan stukken. Mijn buurvrouw schreeuwde dat ik er spijt van zou krijgen. Terwijl zij bleef schreeuwen, goot ik benzine over de brokstukken en verbrandde elk stukje en brokje tot er niets meer van overbleef.”
Dat was 28 jaar geleden. Heeft Izaak spijt gekregen van wat hij heeft gedaan? Integendeel. Thans voelt hij zich gelukkig in zijn dienst voor Jehovah als een christelijke bedienaar in een van de gemeenten van Jehovah’s Getuigen.
Jesaja 1:17 vervolgt met de raad: „Leert goed te doen.” Dat vereist studie van Jehovah’s Woord, de bijbel, om te weten te komen wat „de goede en welgevallige en volmaakte wil van God” is (Romeinen 12:2). En het toepassen van die nieuwgevonden kennis zal tot verkwikkende zegeningen leiden. Dat heeft Asamaja ondervonden.
Ondanks bittere tegenstand van familie en buren bestudeerde Asamaja moedig de bijbel met Jehovah’s Getuigen en brak kort daarna met het spiritisme. Vervolgens droeg zij haar leven aan Jehovah God op en werd tijdens een congres gedoopt. Nu, een jaar of twaalf later, zegt zij dankbaar: „Sedert mijn doop ben ik niet meer door geesten lastig gevallen.” En met een glimlach vertelt zij: „De nacht na mijn doop heb ik zo diep en ongestoord geslapen, dat ik de volgende ochtend te laat op het congres kwam.”
Blijvende zegeningen
Izaak en Asamaja kunnen thans uit de grond van hun hart met de psalmist Asaf zeggen: „Het naderen tot God is goed voor mij” (Psalm 73:28). Ja, het naderen tot Jehovah heeft hun fysieke en emotionele zegeningen gebracht. Maar bovenal heeft het hun innerlijke vrede en een hechte band met Jehovah geschonken.
Zulke zegeningen wegen veel en veel zwaarder dan de pijn en de strijd die het kost om het juk van spiritisme af te schudden. Maar het kan wel degelijk een zware beproeving inhouden als men zich daaraan ontworstelt. Lintina van Geenen, een vrouw in Suriname, heeft dat ondervonden. In het volgende artikel zullen wij zien hoe zij jarenlang gestreden heeft maar ten slotte heeft overwonnen.
[Illustratie op blz. 5]
Asamaja Amelia vertelt: ’De geesten maakten mij het leven zuur. En de dingen die ze zeiden!’