Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w86 1/10 blz. 26-30
  • Een pad zonder eind

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een pad zonder eind
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hoe het pad begon
  • Als partners op pad
  • Met een caravan op pad
  • Ervaringen op ons pad
  • Juiste keuzes hebben geleid tot levenslange zegeningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Geholpen mijn verlegenheid te overwinnen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
  • Eenvoudig leven om Jehovah te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
w86 1/10 blz. 26-30

Een pad zonder eind

Zoals verteld door Eva Carol Abbott

IK BEN in 1908 geboren, op de 21ste dag van de maand december. Mijn ouders waren Grace Pearl en William Reuben Vaughan en zij woonden in een boerderij in de buurt van Emporia, Kansas (VS). Van Emporia verhuisden wij naar de prairies van Colorado, waar het leven moeilijk en eenzaam was. Wij hadden een schuur, een windmolen en een huis dat volgens de beschrijving van mijn moeder veel weg had van een treinwagon. Hierin bevond zich een heel grote keuken en nog een grote kamer die zowel woon- als slaapkamer was.

Enkele van de zeer weinige buren woonden echter in woonholen, die zich half boven en half onder de grond bevonden. Gedurende de lange winter waren hun hutten verschillende periodes achtereen volledig onder een dikke laag sneeuw bedolven. Tijdens die periodes ontvingen mijn ouders telefoontjes van deze ingesneeuwde buren (ondanks hun armoede hadden zij een telefoon) die informeerden hoe laat het was en, nadat dit hun verteld was, vervolgens vroegen: ’Bedoelt u overdag of ’s nachts?’

Verscheidene malen per jaar gingen de huis- en landeigenaars, zoals wij werden genoemd, dagen achtereen naar het bos om palen te kappen. De palen werden op wagens geladen die door een span sterke paarden werden getrokken en naar de stad werden gereden, waar ze ingeruild werden voor voedsel, wintervoorraden en zomerzaad voor het planten van gewassen. In deze periodes was Moeder alleen met mij en tijdens de lange avonden las en herlas zij haar bijbel tot diep in de nacht. Zij geloofde heel krachtig dat God een volk had en zij probeerde hen op het spoor te komen om hun pad te volgen.

Toen ik drie jaar oud was, verhuisden mijn ouders naar een boerderij in Kansas, in de buurt van het stadje Kiowa. De reis werd gedeeltelijk in een boerenwagen gemaakt die mijn vader met tentdoek had afgedekt. Ik kreeg de griep en ik kan me herinneren dat ik lekker warm ingepakt op een strozak op de vloer van de wagen lag en naar de petroleumlamp keek die vanaf het tentdoek boven mijn hoofd heen en weer slingerde. Mijn moeder wreef mij in met een combinatie van reuzel, terpentijnolie en petroleum. Ik kan me nog levendig herinneren hoe goed dit me deed en met welk een gezellige sfeer en liefde de behandeling gepaard ging.

Hoe het pad begon

Tot de herinneringen aan mijn kinderjaren behoort ook onze verhuizing naar Alva, Oklahoma. Moeder was nog steeds op zoek naar het pad dat tot „Gods volk” zou leiden. Op zekere dag vond Moeder enkele bijbelse traktaten op onze veranda. Kort daarna werd mijn vader in de winkel waar hij werkte, aangesproken door een colporteur (volle-tijdbedienaar) die hem een van de delen toonde van Studies in the Scriptures (Schriftstudiën), geschreven door C. T. Russell, de eerste president van de Watch Tower Society. Hoewel Vader het boek kocht, was Moeder degene die het las en besefte dat de boodschap uit dezelfde bron afkomstig was als de traktaten die op de veranda waren achtergelaten.

Vader werd door de colporteur uitgenodigd om die avond een bijbelstudievergadering bij te wonen. Hij verkoos niet te gaan, maar Moeder ging wel en nam mij mee. Ik kan me deze vergadering nauwelijks herinneren, maar mijn moeder heeft mij de details ervan herhaaldelijk verteld. Er waren tien tot twaalf aanwezigen en de vraag werd gesteld: „Hoe sterven wij?” Een zuster die zich onder de aanwezigen bevond, antwoordde: „Als een redeloos dier.” Moeder was geschokt. Zij interrumpeerde: „Neem me niet kwalijk, heb ik begrepen dat u gelooft dat wij als redeloze dieren sterven?” De broeder die de vergadering leidde, antwoordde: „Wilt u Prediker 3:19-21 opslaan en dit schriftgedeelte voor uzelf lezen?”

„Zij stonden mij toe die vergadering voortdurend te onderbreken met mijn vele vragen en wijdden de hele avond aan het beantwoorden ervan”, vertelde mijn moeder mij graag in geuren en kleuren. Ik kan me herinneren dat Moeder bij haar thuiskomst heel opgewonden was van blijdschap. Zij had inderdaad Gods volk gevonden en de levenswijze die zij wilde volgen. Hier begon het pad!

Dit gebeurde in 1913. Kort daarna werd de film en diapresentatie van de Watch Tower Society het „Photo-drama der schepping” getoond. Moeder was dolgelukkig dat zij tijdens de vertoning ervan in het stadstheater tot de dienstverleners behoorde. Die jaren in Alva waren hartverwarmend voor Moeder. Ik zei vaak tegen haar: „Mama, nu glimlacht u, en dat deed u vroeger niet zo vaak.”

Tegen deze tijd had Moeder een krachtig standpunt voor de waarheid ingenomen. Dit gebeurde in de tijd toen sommige Bijbelonderzoekers geloofden dat zij „nu elk moment” in de hemel opgenomen konden worden, zodat zij met visioenen rondliepen dat hun binnenkort een gemakkelijk leventje te wachten stond. Maar Moeder dacht er anders over. Zij werd niet volkomen in beslag genomen door onmiddellijke hemelse verwachtingen. Moeder had het ’te druk’, zoals zij zei, ’met leren, studeren, naar de vergaderingen gaan en deelnemen aan de prediking van het goede nieuws van het Koninkrijk’.

Het duurde niet lang of de Eerste Wereldoorlog was in volle gang, en dit leidde tot vervolging van de zijde van de stadsbevolking. Ik kan me herinneren dat ik met Moeder van deur tot deur ging om handtekeningen te verzamelen voor een petitie aan het adres van de regering van de VS om broeder Rutherford en zijn zeven metgezellen vrij te laten uit de staatsgevangenis te Atlanta (Georgia, VS), waar zij ten onrechte gevangen waren gezet. Maar er gebeurde iets anders, waardoor wij moesten verhuizen.

De oorlog eindigde en de griepepidemie woedde hevig. Als gevolg van de griep was mijn moeder lichamelijk volkomen uitgeput geraakt. De dokter raadde Vader aan om met haar naar het zuiden van Californië te gaan, waar het klimaat beter zou zijn. Wij kwamen in Los Angeles aan en vestigden ons in Alhambra, een van de buitenwijken van de stad. Daar kwam ik voor de grootste beslissing in mijn leven te staan.

In 1924 stapten mijn vriendin en ik in de trein naar Los Angeles om de begrafenis bij te wonen van een christelijke zuster voor wie wij een grote bewondering hadden gehad. Op de terugreis bespraken wij het onderwerp wijding (nu bekend als opdracht). Ik begon ernstig over mijn leven na te denken en besprak dit met Moeder. Dit had tot resultaat dat ik het onderwerp verder uitdiepte door de herdrukken van de Watch Tower te gebruiken en alles over wijding te lezen tot op het jaar 1908. Kort daarna droeg ik mijn leven aan Jehovah op en in oktober 1925 werd ik gedoopt.

Als partners op pad

Op zekere dag in 1927 kreeg ik te horen dat een broeder, Herbert Abbott genaamd, mij wilde ontmoeten. Ik was stomverbaasd, aangezien ik niet eens wist wie hij was. Maar dat zou ik gauw te weten komen. Dat ik als achttienjarige al twee jaar gewijd was, stond hem aan. Wij werden aan elkaar voorgesteld, hadden drie maanden verkering en trouwden in juli 1927.

Herbert en ik kochten een huis in de prachtige heuvels van Pasadena. Op zekere dag in het voorjaar van 1928 bracht ik de post binnen, waartoe ook inlichtingen behoorden over de pioniersdienst. Toen Herbert ’s avonds van zijn werk thuiskwam, opperde ik het idee ons huis te verkopen en de volle-tijddienst op ons te nemen. Hij zei dat als ik bereid was onze huidige levenswijze op te geven, hij geen nee kon zeggen.

Wij kregen gebied in Charles City, Iowa, dat na het bezoek aan het congres in Detroit, Michigan, bewerkt moest worden. Tegen de zomer hadden wij onze plannen voor de pioniersdienst uitgewerkt, maar tot onze verbazing bleek ik zwanger te zijn. Wat moesten wij doen? Onze plannen veranderen, zou erop neerkomen dat wij zeiden: „Wij weten, Jehovah, dat u voor ons tweeën kunt zorgen, maar niet voor drie.”

Na het congres gingen Herbert en ik naar onze toewijzing in Charles City. Maar toen ik ongeveer acht maanden in verwachting was, scheen het ons wijs toe naar Los Angeles terug te keren. Begin januari 1929 werd ons mooie dochtertje Perousia Carol geboren. Onze vreugde over haar duurde echter slechts negen maanden; in oktober stierf zij.

Jehovah’s belofte dat er een opstanding zal zijn, nam in onze geest de eerste plaats in. De dood is echter een vijand en ons dochtertje dood te zien, was verschrikkelijk! De wrede gedachte dat onze kleine lieveling in de koude aarde lag, werd verzacht door onze kennis van Gods Woord. Zij sliep alleen maar; zij zou in Jehovah’s herinnering blijven (Johannes 11:11-14, 23-25). Ja, zij slaapt nu al heel lang, maar op zekere dag in de toekomst zal zij ontwaken en bewijzen dat Gods Woord waar is. Het blijft mijn verlangen dat zij eeuwig lof mag brengen aan Jehovah’s grote naam.

Met een caravan op pad

Opnieuw maakten wij plannen voor de pioniersdienst. De eerstvolgende maand maart kochten wij een caravan met een opvouwbaar dak van tentdoek en ruilden wij onze zevenpersoons Studebaker in voor een Model A Ford om hiermee de caravan te trekken. Zo begon de 25-jarige periode dat wij met een caravan op pad waren.

De kleine caravan waarmee wij zo gelukkig over de weg hobbelden, heeft ons ruim acht jaar lang goede diensten bewezen. Het vrije vloeroppervlak was 1,2 x 1,5 meter en de kookruimte was een vooruitstekende plank van 28 x 30 centimeter. Er waren twee goede bedden, een tweepits benzinekookstel, een emmer voor water, een benzinelamp, een petroleumkachel, een wastobbe, een wasbord, een door een ingebouwde benzinebrander verhit strijkijzer en een strijkplank. Er was ook een losse plank boven de kachel, met daarop een kastje waar ik ons prachtige Haviland porselein bewaarde, dat een huwelijksgeschenk was geweest. Op zekere nacht braken de bouten die de plank op haar plaats hielden en kwam de plank met een grote klap naar beneden. Ook de benzinelamp kwam op zijn kop naar beneden, zonder schade aan te richten behalve dat ons prachtige servies aan diggelen was!

Een paar maal hebben wij de tentdoek-bedekking van de caravan moeten vervangen. Hiertoe kochten wij zware lappen tentdoek die door fruittelers werden gebruikt om sinaasappelbomen af te dekken als zij die uitrookten. Wij sneden dit tentdoek in repen en naaiden die met gebogen naalden aan elkaar totdat de caravan geheel afgedekt was.

Op maandag hadden wij wasdag. Wij wasten en spoelden de kleren in water dat wij uit een beekje, uit een rivier of uit de stadsbron haalden en op een vuurtje buitenshuis verwarmden. Wij hadden ook een opvouwbaar oventje, dat ik gebruikte om er een cake in te bakken voor de lunches van de volgende week. Nu waren wij gereed om aan de uitdaging van ons gebied het hoofd te bieden.

In de jaren ’30 was er een exodus van de boerderijen naar de steden. Soms volgden wij een weg die al kronkelend over bergen en door ravijnen liep naar een huis dat zich kilometers verder bevond, om tot de ontdekking te komen dat het huis leeg was. Teneinde dit probleem op te lossen, gebruikten wij een verrekijker om vast te stellen of er kleren aan de waslijn hingen, of er rook uit de schoorsteen kwam en of er misschien vee in de buurt te zien was. Dit bespaarde ons tijd en benzine. Wij konden natuurlijk niet altijd zien of er een huis aan de weg stond, en daarom vroegen wij aan de buren of de weg naar een huis toe liep.

Eén keer wisten wij niet wat te doen. Zo’n 24 kilometer over de bergen bevond zich een veefokkerij, maar de buren waren er niet zeker van of er iemand thuis was. Er moest ook rekening worden gehouden met de hoeveelheid benzine voor de reis van de volgende dag. Wij bevonden ons in de buurt van een heldere bergstroom van ongeveer anderhalve meter breed en Herb had dorst. Hij ging op zijn knieën zitten om wat te drinken en kreeg toen iets glimmends in het oog. Hij stak zijn hand in het water en pakte geldstukken van de stroombedding die samen verscheidene dollars bedroegen. Nu waren wij natuurlijk niet langer besluiteloos en vervolgden wij ons pad. Het was een lange, moeilijke tocht en de veefokker had geen belangstelling, maar wij wisten tenminste dat het gebied was bewerkt en dat de man getuigenis had ontvangen.

Ervaringen op ons pad

In de loop der jaren hebben wij veel opwindende en ook amusante ervaringen opgedaan. Zo was er bijvoorbeeld de tijd dat wij in Corning, Californië, door het gepeupel werden aangevallen. Vier zusters en ik kwamen Aleck Bangle te hulp (nu een zendeling op Jamaica), toen die werd geslagen. Er waren ruim honderd toeschouwers op straat, die de vervolger allemaal juichend aanmoedigden. Ik moet er achteraf om lachen als ik eraan denk dat ik een van mijn schoenen met hoge hakken uitdeed en er de vervolger mee op zijn hoofd sloeg op het moment dat hij zich vooroverboog om onze broeder Aleck een harde klap te geven!

Op de omslag van het tijdschrift Consolation (Vertroosting; nu Ontwaakt!) van 29 mei 1940 stond een afbeelding van de derde Amerikaanse president, Thomas Jefferson, en de Amerikaanse vlag. Aangezien wij toen in een periode van moeilijkheden en vervolging leefden, meende ik dat het goed was altijd enkele van die uitgaven in mijn tijdschriftentas mee te nemen, voor het geval wij er een nodig zouden hebben. En ja hoor, toen ik op een zekere zaterdag straatwerk deed met de tijdschriften, benaderde ik twee mannen die op een hoek stonden. Een van hen keek heel streng en zei strijdlustig: „Welnu, jongedame, als je een tijdschrift met de Amerikaanse vlag erop bij je zou hebben, zou ik het nemen, maar jullie Jehovah’s Get — ” Voordat hij verder iets kon zeggen, luidde mijn antwoord natuurlijk: „O, mijnheer, ik ben erg blij dat ik precies het tijdschrift bij me heb dat u graag wilt hebben”, en nam die uitgave uit mijn tijdschriftentas. Hij rinkelde niet langer met het wisselgeld in zijn zak, werd rood, stotterde en gaf mij de bijdrage — en ik gaf hem het tijdschrift!

Ik maakte ook iets grappigs mee toen wij een speciale brochure aan alle geestelijken verspreidden — The Kingdom, the Hope of the World (Het Koninkrijk, de hoop der wereld). Bij één huis kwam een predikant aan de deur. Hij had absoluut geen belangstelling voor de brochure, maar wij hadden de instructie ontvangen de brochure indien enigszins mogelijk bij iedere deur achter te laten, en daarom zei ik vriendelijk: „Dit is uw exemplaar, mijnheer; ik zal het hier voor u neerleggen.” Ik draaide mij om om weg te gaan, en toen ik het pad terugliep, vloog de brochure langs mijn oren en belandde op de grond naast een plas. Ik pakte de brochure op, omdat ik ze daar niet wilde achterlaten, maar op dat moment liep een grote hond mij grommend achterna, rukte de brochure uit mijn hand en rende terug naar zijn baas, de predikant. Wat ik dus niet had kunnen afgeven, deed de hond voor mij!

In 1953 vestigden Moeder, Herbert en ik ons in Sacramento. Daar Herberts gezondheid te wensen overliet, moesten wij beiden ons levenspatroon veranderen. Ik heb Jehovah vaak bedankt dat hij mij met mijn getrouwe moeder en mijn loyale echtgenoot heeft gezegend. Beiden zijn nu gestorven en hebben hun hemelse beloning ontvangen. Moeder stierf in 1975; Herbert eindigde zijn aardse loopbaan in september 1980, op 82-jarige leeftijd. De eenzaamheid is nog steeds groot, maar als ik nadenk over de jaren dat wij samen dienst verrichtten, voel ik mij vertroost. En ik weet dat er nooit een eind zal komen aan het pad, aangezien Jehovah mij door bemiddeling van zijn Zoon Jezus Christus leidt op het pad dat zich tot in alle eeuwigheid zal blijven uitstrekken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen