Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w85 1/6 blz. 15-20
  • Wandel met vertrouwen in Jehovah’s leiding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wandel met vertrouwen in Jehovah’s leiding
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Waarschuwingen uit het verleden
  • Jehovah’s leiding over een nieuwe natie
  • Zorg ervoor uw vertrouwen niet te verliezen
  • ’Werp uw last vol vertrouwen op Jehovah’
  • Volg Christus, de perfecte Leider
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • Christus leidt zijn gemeente
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • Jehovah leidt zijn volk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • Goed leiderschap — Waar is het te vinden?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
w85 1/6 blz. 15-20

Wandel met vertrouwen in Jehovah’s leiding

„Weest moedig en sterk. Weest niet bevreesd en krimpt niet van angst ineen voor hen, want Jehovah, uw God, zelf trekt met u mee. Hij zal u niet in de steek laten, noch u geheel en al verlaten.” — DEUTERONOMIUM 31:6.

1. Hoe betoonde Jehovah zich een onvergelijkelijk leider van de Israëlieten?

JEHOVAH betoonde zich een onvergelijkelijk leider toen hij de Israëlieten uit de slavernij in Egypte voerde. Hij leidde hen niet alleen door de wildernis heen, maar hij voorzag hen ook van voedsel en drank en gaf hun feilloos onderricht. Derhalve konden de levieten in de tijd van Nehemía zeggen: „Gij, ja gij [Jehovah God], [hebt] in uw overvloedige barmhartigheid hen in de woestijn niet verlaten. De wolkkolom zelf week niet van boven hen overdag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurzuil ’s nachts, om voor hen de weg te verlichten waarlangs zij moesten gaan. En uw goede geest hebt gij gegeven om hen behoedzaam te maken, en uw manna hebt gij aan hun mond niet onthouden, en water hebt gij hun gegeven voor hun dorst. En veertig jaar lang hebt gij hen in de wildernis van voedsel voorzien. Het heeft hun aan niets ontbroken. Zelfs hun kleren raakten niet versleten en hun voeten zelf zwollen niet op.” — Nehemía 9:19-21.

2. Waarom kon Mozes de Israëlieten aansporen „moedig en sterk” te zijn?

2 De Goddelijke Onderwijzer leerde de Israëlieten door streng onderricht dat hun vaderlijk werd toegediend, wat het inhield gerechtigheid te oefenen en rechtvaardig te zijn. Alles wat hij deed was voor hun welzijn. Zelfs als zij murmureerden en in opstand kwamen, was hij lankmoedig en liet hen niet in de steek. Vooral wanneer zij werden geconfronteerd met vijandelijke legers die numeriek ver in de meerderheid waren, gaf Jehovah er blijk van een bekwaam leider te zijn die de gelederen van de aanvallers zware verliezen toebracht. Mozes sprak de waarheid toen hij de Israëlieten met deze woorden aanmoedigde: „Weest moedig en sterk. Weest niet bevreesd en krimpt niet van angst ineen voor hen, want Jehovah, uw God, zelf trekt met u mee. Hij zal u niet in de steek laten, noch u geheel en al verlaten” (Deuteronomium 31:1, 6). God zou met hen ’meetrekken’ indien zij geloof oefenden. Wat een aansporing voor ons om met vertrouwen in Jehovah’s leiding te wandelen!

Waarschuwingen uit het verleden

3. Hoe gaf het volk Israël spoedig nadat zij uit Egyptische knechtschap waren bevrijd, blijk van ondankbaarheid en gebrek aan vertrouwen in Jehovah?

3 Toch vormen de ervaringen van de Israëlieten een waarschuwing voor ons. Ofschoon zij nog maar kort geleden uit Egyptische knechtschap waren bevrijd, zondigden zij herhaaldelijk tegen hun onzichtbare Leider. Terwijl Mozes op de berg Sinaï was en de Wet ontving, gaven zij blijk van ondankbaarheid voor alles wat God voor hen had gedaan. Zij overreedden Aäron een gouden kalf te maken en aanbaden dit op het feest dat door Aäron „een feest voor Jehovah” werd genoemd (Exodus 32:1-6). Tien van de twaalf verspieders die uitgezonden waren om Kanaän te verkennen, bleken geen geloof te bezitten. Alleen Jozua en Kaleb spoorden het volk aan het land binnen te trekken en het in bezit te nemen. Maar Israël handelde niet met geloof in God, die derhalve verordende dat alle mannen „van twintig jaar oud en daarboven”, uitgezonderd de stam Levi en de getrouwe Kaleb en Jozua, in de loop van veertig jaar in de wildernis zouden sterven (Numeri 13:1–14:38; Deuteronomium 1:19-40). Dit alles dient stellig een waarschuwing voor ons te zijn tegen een soortgelijke ondankbaarheid en gebrek aan vertrouwen in Jehovah’s leiding!

4. Hoe rechtvaardigde Israëls geschiedenis de rampspoed die Juda, Jeruzalem en de tempel in 607 v.G.T. trof?

4 Alhoewel de Israëlieten veertig jaar lang in de wildernis rondtrokken, liet Jehovah hen niet in de steek. Hij bleef hun oorlogen strijden. Na de dood van Mozes en Jozua verwekte God rechters om zijn volk van onderdrukkende vijanden te bevrijden. Doch in die tijd deed het volk Israël wat juist was in hun eigen ogen en begonnen teugelloos geweld, immoraliteit en afgoderij hoogtij te vieren (Rechters 17:6–19:30). Toen zij later een menselijke koning wilden om net als de omringende natiën te zijn, willigde Jehovah hun verzoek in maar waarschuwde hen voor de gevolgen (1 Samuël 8:10-18). Doch zelfs het koningschap van Davids huis bevredigde het volk niet en in de dagen van Rehábeam kwamen tien stammen in opstand (1 Koningen 11:26–12:19). De gedachte dat God zelf hen leidde, vervaagde steeds meer in de geest van de meerderheid. De verwoesting van Jeruzalem en de tempel en ook de omverwerping van het koninkrijk Juda door de Babyloniërs in 607 v.G.T. waren welverdiende oordeelsvoltrekkingen aan een volk dat niet met vertrouwen in Jehovah’s leiding had gewandeld. Wat een waarschuwing voor ons!

Jehovah’s leiding over een nieuwe natie

5. Wat verschafte Jehovah in de persoon van Jezus, en wat zou Jezus doen?

5 Net als de Israëlieten uit de oudheid werden Jehovah’s latere dienstknechten voortdurend met veranderende omstandigheden geconfronteerd, maar hij leidde hen feilloos. Toen Jezus van Nazareth zich in 29 G.T. in water liet dopen, verschafte God een Profeet en Leider die groter was dan Mozes. Als de Messías zou hij mensen uit deze goddeloze wereld die in de macht van Satan ligt, leiden (Matthéüs 3:13-17; Daniël 9:25; Deuteronomium 18:18, 19; Handelingen 3:19-23; 1 Johannes 5:19). Maar wat voor mensen? Vanzelfsprekend die joden en anderen die geloof zouden oefenen in de Messías die door de grote hemelse Leider, Jehovah God, was verschaft!

6. (a) Hoe kwam het dat Jezus’ volgelingen in staat waren om te prediken en zorg te dragen voor een groeiende organisatie? (b) Waarom leek het er later op dat het licht van de bijbelse waarheid uitgedoofd was?

6 Jezus onderwees zijn volgelingen in de wonderbaarlijke waarheid Gods en gaf hun het nodige onderricht voor de bediening (Lukas 10:1-16). Toen Christus zijn bediening voltooide en zich aanbood als slachtoffer ten behoeve van de zondige mensheid, liet hij dan ook volgelingen achter die opgeleid waren om het predikingswerk voort te zetten en de aangelegenheden te besturen van de groeiende organisatie van personen die in hem geloofden. Gedurende de apostolische periode was er hevige vervolging. Maar Jehovah’s hand was met zijn volk en de wonderbaarlijke toename in het aantal gelovigen was een tegenwicht voor hun ontberingen (Handelingen 5:41, 42; 8:4-8; 11:19-21). Nadat Jezus’ apostelen en hun naaste medewerkers waren gestorven, kwamen degenen die beleden volgelingen van Christus te zijn, onder de heerschappij van wrede en arrogante geestelijken en koningen te staan (Handelingen 20:28-30). Aangezien deze toestand zo’n vijftien eeuwen voortduurde, leek het alsof het licht van de bijbelse waarheid was uitgedoofd.

7. Wanneer en hoe liet Jehovah zijn leiding opnieuw gelden, en wat onthulde hij aan zijn hedendaagse dienstknechten?

7 Toen kwam echter alsof er ’een stem in de wildernis riep’, de aankondiging: ’Het Koninkrijk is nabij!’ (Vergelijk Jesaja 40:3-5; Lukas 3:3-6; Matthéüs 10:7.) In de tweede helft van de negentiende eeuw liet Jehovah zijn leiding opnieuw gelden en begon hij zijn ware aanbidders uit deze goddeloze wereld en haar Babylonische religieuze stelsels te roepen (Openbaring 18:1-5). Door middel van zijn geschreven Woord en de heilige geest onthulde God aan zijn hedendaagse dienstknechten dat in het jaar 1914 het einde zou komen van ononderbroken heerschappij door heidense natiën en tevens de verheerlijkte Jezus Christus, die door God als Koning over de gehele mensheid was verkozen, in de hemel op de troon geplaatst zou worden. — Lukas 21:24; zie Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1976, blz. 31-34.

8. (a) Wat werd daarna georganiseerd? (b) Wie hebben zich bij Jezus’ gezalfde volgelingen gevoegd, en hoe is duidelijk aan het licht getreden dat God en Christus de leiding hebben?

8 Daarna werd er een nieuwe natie, bestaande uit het overblijfsel van het geestelijke Israël, georganiseerd en zij werden verder verlicht met betrekking tot Gods voornemens en volledig opgeleid voor de bediening. Later voegde een schare gelovigen met een aardse hoop zich bij deze gezalfde volgelingen van Christus. Nu maken al deze getuigen van Jehovah samen vol vreugde zijn naam en koninkrijk tot aan de einden der aarde bekend (Jesaja 66:7, 8; Galáten 6:16; Openbaring 7:4, 9, 10). Uit de manier waarop de activiteiten van de Getuigen zijn georganiseerd, blijkt duidelijk dat Jehovah en zijn koninklijke Zoon de leiding hebben. Dit treedt vooral aan het licht door de gunstige reactie van miljoenen oprechte mensen die trouwe voorstanders van Koninkrijksheerschappij zijn geworden. Maakt u deel uit van deze gelukkige menigte die met vertrouwen in Jehovah’s leiding voorwaarts gaat? — Micha 4:1, 2, 5.

9. Welke wereldomvattende gemeenschap is ontstaan, en wat is hun houding ten aanzien van Gods leiding en theocratische heerschappij?

9 Uiteindelijk zouden Jezus’ volgelingen getuigen van hem moeten zijn „tot de verst verwijderde streek der aarde” (Handelingen 1:6-8; Markus 13:10). Bijgevolg maken Jehovah’s Getuigen het goede nieuws van het Koninkrijk thans over de gehele aarde bekend en zij „die de juiste gezindheid voor het eeuwige leven” bezitten, aanvaarden de waarheid met een blij hart. Zij gaan tot een wereldomvattende gemeenschap van geestelijke broeders en zusters behoren die Gods leiding gaarne aanvaarden en zich hebben onderworpen aan de theocratische heerschappij (Handelingen 13:48; 1 Petrus 2:17). Hebt u evenals zij het volste vertrouwen dat Jehovah God en zijn Koning-Zoon, Jezus Christus, deze organisatie van Koninkrijksverkondigers leiden?

Zorg ervoor uw vertrouwen niet te verliezen

10. Welke waarschuwing dient er voor iedere christen aanleiding toe te zijn zich zeer zorgvuldig te onderzoeken?

10 Kunnen personen die zo rijk gezegend zijn omdat zij zich aan Jehovah’s leiding onderwerpen, in de strik van gebrek aan geloof en vertrouwen in hem geraken? Ja, want wij worden gewaarschuwd: „Past op, broeders, dat er zich in niemand van u ooit een goddeloos, ongelovig hart ontwikkelt, doordat hij zich terugtrekt van de levende God, maar blijft elkaar elke dag, zolang het ’Heden’ genoemd kan worden, vermanen, opdat niemand van u wordt verhard door de bedrieglijke kracht der zonde” (Hebreeën 3:12, 13). Daarom moet iedere christen zich zeer zorgvuldig onderzoeken.

11. (a) In welke opzichten kan iemands geweten verhard worden? (b) Wat overkwam sommigen in de eerste eeuw G.T.?

11 Iemands geweten kan zo verhard worden dat hij geen kwaad ziet in een handelwijze die niet strookt met de geest van het christendom en die gebrek aan geloof en vertrouwen in Jehovah verraadt. Sommigen zouden bijvoorbeeld in de strik kunnen geraken dat zij materialistische bezigheden en vleselijke genoegens op één lijn stellen met of zelfs belangrijker achten dan hun dienst voor God. Anderen worden misschien immoreel of geven misschien af op verantwoordelijke mannen in de gemeente. In de eerste eeuw G.T. verontreinigden „goddeloze mensen” die heimelijk de gemeente waren binnengedrongen ’het vlees en zij minachtten heerschappij en spraken schimpend over heerlijken’ die verantwoordelijkheid in de gemeente droegen (Judas 4-8, 16). Die valse christenen hadden het ware geloof in Jehovah en in zijn leiding verloren. Moge dat ons nooit overkomen!

12. (a) Wat wordt door een onafhankelijke en opstandige geest genegeerd? (b) Welke tegenstelling bestond er tussen Korach en David?

12 Vaak gaat het ’minachten van heerschappij’ gepaard met een onafhankelijke en opstandige geest die het feit negeert dat Jehovah zijn organisatie leidt. Deze geest had verschrikkelijke gevolgen voor Korach en anderen die de door God aan Mozes en Aäron verleende autoriteit betwistten (Numeri 16:1-35). Maar hoe anders was David! Omdat hij er vrede mee had te wachten totdat God onrecht zou herstellen, wilde hij zijn goddeloze vijand, koning Saul, niet doden, omdat deze „de gezalfde van Jehovah” was (1 Samuël 24:2-7). Ja, Jehovah had Mozes, Aäron, Saul, David, Jezus Christus en anderen aangesteld. Insgelijks worden in Gods hedendaagse organisatie dienstaanstellingen in overeenstemming met de schriftuurlijke vereisten en onder leiding van Jehovah’s heilige geest gedaan. — 1 Timótheüs 3:1-13; Titus 1:5-9; Handelingen 20:28.

13. (a) Waarom dienen wij dankbaar te zijn voor Jehovah’s leiding? (b) Net als wie dienen wij te wandelen, en met welke houding?

13 Aangezien „het niet aan de aardse mens is zijn weg te bepalen”, dienen wij dankbaar te zijn dat Jehovah de leiding heeft (Jeremia 10:23). Abraham en zijn toegewijde vrouw Sara gehoorzaamden God en handelden in geloof. Boaz en Ruth schikten zich naar goddelijke regelingen. En nog veel andere getrouwe mannen en vrouwen aanvaardden graag Jehovah’s leiding (Hebreeën 11:4-38; Ruth 3:1–4:17). Net als die vroegere dienstknechten van God dienen wij derhalve een onafhankelijke geest te schuwen, vreugdevol met Gods theocratische organisatie samen te werken en met het volste vertrouwen in Jehovah’s leiding te wandelen.

’Werp uw last vol vertrouwen op Jehovah’

14. Waardoor worden wij geholpen ons voor een opstandige geest te hoeden?

14 Waardoor worden wij als Jehovah’s loyale getuigen geholpen ons te hoeden voor een opstandige geest? Welnu, in de eerste plaats moeten wij erkennen dat het verkeerd is opstandig te zijn en aanmatigend Gods leiding te negeren (Nehemía 9:16, 28-31; Spreuken 11:2). Wij kunnen net als David tot onze hemelse Vader bidden en smeken: „Houd uw knecht ook terug van overmoedige daden; laten ze niet over mij heersen. In dat geval zal ik volkomen zijn, en ik zal onschuldig zijn gebleven aan veel overtreding” (Psalm 19:13). Het zal ook nuttig zijn te bedenken hoeveel liefde Jehovah ons heeft betoond. Dit dient onze liefde voor hem te doen toenemen en ons ertoe aan te zetten zijn leiding te allen tijde te aanvaarden. — Johannes 3:16; Lukas 10:27.

15. Welke handelwijze wordt aanbevolen als een broeder denkt dat hij niet tot dienaar in de bediening of tot opziener is aangesteld omdat de ouderlingen iets tegen hem hebben?

15 Wij mogen niet het feit uit het oog verliezen dat God zijn organisatie leidt, hoewel het soms misschien niet gemakkelijk is met vertrouwen in Jehovah’s leiding te wandelen. Ter illustratie: Stel dat een broeder denkt dat hij niet tot dienaar in de bediening of tot opziener is aangesteld omdat de ouderlingen iets tegen hem hebben. In plaats van te reageren op een manier waardoor de vrede in de gemeente verstoord zou kunnen worden, dient hij te bedenken dat Jehovah de theocratische organisatie leidt. Derhalve kan de broeder misschien op een nederige en vredelievende wijze om een verklaring vragen (Hebreeën 12:14). Vervolgens zou hij er heel verstandig aan doen als hij eventuele zwakheden die hem onder de aandacht worden gebracht, zou erkennen en er gebedsvol naar zou streven verbeteringen aan te brengen! Daarna kan hij de zaak aan God overlaten, in overeenstemming met de woorden: „Werp uw last op Jehóvah” (Psalm 55:22). Mettertijd en naarmate wij er geestelijk bekwaam voor worden, zal Jehovah ons beslist volop te doen geven in zijn dienst. — Vergelijk 1 Korinthiërs 15:58.

16. Welke handelwijze dienen wij, ook al is ons binnen de gemeente werkelijk onrecht aangedaan, niet te volgen, en waarom niet?

16 Maar zelfs als een broeder of zuster ons werkelijk onrecht heeft aangedaan, zou dat ons dan een gegronde reden geven om niet meer met de gemeente om te gaan? Zou het dan gerechtvaardigd zijn als wij ermee ophielden heilige dienst voor Jehovah te verrichten? Neen, want een dergelijke handelwijze zou van ontrouw aan God en van ondankbaarheid voor zijn leiding getuigen. Er zou ook door te kennen worden gegeven dat wij onze loyale medegelovigen over de gehele aarde niet liefhebben (Matthéüs 22:36-40; 1 Johannes 4:7, 8). Bovendien zouden wij, indien wij onze rechtschapenheid jegens Jehovah zouden verbreken, Satan daarmee een basis geven om God te honen — iets wat wij stellig niet willen! — Spreuken 27:11.

17. (a) Wat zal ons helpen op de leiding die Jehovah zijn organisatie geeft, te blijven vertrouwen? (b) Wat zal de ervaring zijn van degenen die met vertrouwen in Jehovah’s leiding blijven wandelen?

17 Laten wij daarom ’Jehovah zegenen en nooit al de weldaden vergeten van Degene die ons leven met liefderijke goedheid en barmhartigheden kroont’ (Psalm 103:2-4). Indien wij altijd aan onze liefdevolle God denken en in overeenstemming met zijn Woord handelen, zullen wij krachtig blijven vertrouwen op zijn nimmer falende leiding (Spreuken 22:19). Zouden wij ons van Jehovah en zijn organisatie afkeren, de leiding van „de getrouwe en beleidvolle slaaf” verachten en ons alleen maar verlaten op het persoonlijk lezen van de bijbel en onze eigen uitleg ervan, dan zouden wij als een eenzame boom in een verschroeid land worden. Daarentegen wordt iemand die zijn vertrouwen in onze grote Leider, Jehovah, stelt beslist „als een boom geplant bij de wateren, die zijn wortels uitslaat vlak bij de waterloop; en hij zal niet zien dat er hitte komt, maar zijn loof zal werkelijk welig blijken te zijn”. Bovendien zal hij „in een jaar van droogte . . . niet bezorgd worden, noch zal hij nalaten vrucht voort te brengen” tot Gods heerlijkheid (Matthéüs 24:45-47; Jeremia 17:8). Dat kan uw gezegende ervaring zijn als u vastbesloten met vertrouwen in Jehovah’s leiding blijft wandelen.

Kunt u deze vragen beantwoorden?

◻ Op welke manieren heeft Jehovah zich een onvergelijkelijk leider van de Israëlieten betoond?

◻ Welke waarschuwingen in verband met Gods leiding worden door het oude Israël verschaft?

◻ Over wie heeft Jehovah in deze tijd de leiding?

◻ Wat kan ons helpen het vertrouwen in Jehovah’s leiding niet te verliezen?

◻ Hoe dienen wij tegenover Jehovah’s leiding te staan als ons binnen de gemeente onrecht wordt aangedaan?

[Illustratie op blz. 17]

In 607 v.G.T. werden degenen die niet met vertrouwen in Jehovah’s leiding wandelden, door rampspoed getroffen. Acht slaan op de waarschuwing is erg verstandig!

[Illustratie op blz. 19]

Abraham, Sara, David, Jezus en anderen wandelden met vertrouwen in Jehovah’s leiding. Doet u dat ook?

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen