Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w82 15/11 blz. 10-14
  • Volharding door geloof in Jehovah

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Volharding door geloof in Jehovah
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een verbazingwekkend nieuw project
  • Volharding nodig om te prediken
  • In stoffelijk opzicht goed verzorgd
  • Wettelijke strijd
  • Opwindende congressen!
  • De kwestie van de christelijke neutraliteit
  • Andere toewijzingen
  • Voorwaarts met Gods organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Mijn leven in Jehovah’s door de geest geleide organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Verkondigt de Koning en het Koninkrijk! (1919–1941)
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Een rijk leven in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
w82 15/11 blz. 10-14

Volharding door geloof in Jehovah

Zoals verteld door Carey W. Barber

TOEN de spreker bij het theater in Plainfield, in de Amerikaanse staat New Jersey, aankwam, bleek de politie de toegang tot het toneel bezet te hebben. Terwijl hij het podium opliep, zag hij dat de politie twee machinegeweren achter de gordijnen had opgesteld zodat hij met zijn rug ernaartoe zou moeten spreken. De politie zei bericht te hebben ontvangen dat er een rel zou uitbreken, en zij waren er om de orde te handhaven. Niettemin kon de lezing „Waarom heerst er thans religieuze onverdraagzaamheid?” zonder incidenten worden gehouden en ze werd enthousiast door alle toehoorders, onder wie ikzelf, aangehoord.

De spreker was J. F. Rutherford, de toenmalige president van de Watch Tower Bible and Tract Society. In het begin van de jaren dertig was Plainfield een broeinest van oppositie tegen het werk van Jehovah’s Getuigen. Daarom juist besloot Rutherford die openbare vergadering op 30 juli 1933 daar te houden. Ik kan u verzekeren dat de sfeer tijdens die lezing over „onverdraagzaamheid” zeer gespannen was!

Het waren dergelijke ervaringen vroeg in mijn leven die mijn geloof versterkten en die me hebben aangemoedigd in Jehovah’s dienst te volharden, zoals ik dat de afgelopen zestig jaar heb gedaan.

Een verbazingwekkend nieuw project

Ik ben op 4 juli 1905 geboren in Trowbridge in het Engelse graafschap Wiltshire. Op 18 april 1921 werd ik op zestienjarige leeftijd tijdens een klein congres van de Internationale Bijbelonderzoekers (zoals Jehovah’s Getuigen toen bekendstonden) in Winnipeg (Canada) gedoopt.

Omstreeks die tijd begon het Wachttorengenootschap met een stoutmoedig nieuw waagstuk. In plaats van gebruik te maken van commerciële drukkers om de gebonden boeken van het Genootschap te vervaardigen, besloot J. F. Rutherford dat dit voortaan, met Jehovah’s hulp, door opgedragen christenen gedaan zou worden. Dus begon men een drukkerij in een gebouw aan de Concord Street 18 in Brooklyn, New York, en er werd een oproep gedaan tot broeders in Canada en de Verenigde Staten om aan het werk te komen deelnemen.

En zo stonden mijn tweelingbroer Norman en ik in april 1923 — wij waren nog geen achttien jaar — in Bethel, het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn, om ons te melden, bereid om aan dit nieuwe project te gaan werken.

Mijn eerste toewijzing was, exemplaren van de brochure Our Lord’s Return (De wederkomst onzes Heeren) in een naaimachine te voeren. De opziener legde uit hoe ik het moest doen en zei, op een enorme stapel brochures wijzend: „Haast je en zorg dat het werk klaar komt, want Armageddon is op komst!”

’Maar er zijn sindsdien al heel wat jaren verstreken’, zult u misschien zeggen. ’Er was toch zeker geen enkele reden voor zoveel haast.’ Zeker, de dag van Jehovah’s toorn is nog niet gekomen. Als u echter aan de uitdaging denkt waar wij voor stonden — het drukken van boeken voor de prediking van het goede nieuws op „de gehele bewoonde aarde” — kunt u ons gevoel van dringendheid wel begrijpen (Matth. 24:14). Mensen met ervaring in het drukkersvak schudden hun hoofd en zeiden: „Dat kan gewoon niet.” Ik kan u wel verzekeren dat het ons, nieuwelingen, soms heel wat hoofdbrekens heeft gekost om de kunst van het drukken en boekbinden te leren! Het was beslist een beproeving op ons geloof en onze volharding. Daarom stond ik vaak stil bij de woorden in Hebreeën 10:36: „Gij hebt volharding nodig, om, na de wil van God gedaan te hebben, de vervulling van de belofte te ontvangen.”

Volharding nodig om te prediken

Het predikingswerk van deur tot deur was destijds iets heel nieuws voor ons en er waren religieuze tegenstanders.

Zo werden mijn broer Norman en ik, samen met nog een broeder van Bethel, op een zaterdagmiddag niet lang na mijn komst op Bethel, gearresteerd terwijl wij ermee bezig waren huisbewoners te bezoeken om met hen over Gods Woord te spreken. Ons werd meegedeeld dat het in dat gebied in strijd met de wet was bijbelse lectuur van huis tot huis te verspreiden, en wij werden beboet. Omdat wij niet wisten hoe wij in zo’n geval te werk moesten gaan, stemden wij erin toe de boete te betalen.

Wij waren alle drie enigszins verontrust dat zo iets in een „vrij” land mogelijk was. In plaats dat het afbreuk deed aan onze vastberadenheid om het goede nieuws te prediken, werd onze ijver er juist groter door. Ons kleine incident was er slechts één in een campagne die op touw werd gezet en die jarenlang in felheid zou toenemen. Jehovah’s Getuigen zouden zich echter niet zonder strijd gewonnen geven! Straks meer daarover.

In stoffelijk opzicht goed verzorgd

Toen ik de boete had betaald en naar Bethel terugging, had ik helemaal geen geld meer. Maar ik kan in alle oprechtheid zeggen dat het mij vanaf die tijd tot nu toe, nooit aan voldoende voedsel, kleding of onderdak heeft ontbroken. Ik weet van sommigen dat zij de volle-tijddienst niet op zich hebben genomen uit vrees dat er niet in hun dagelijkse behoeften zou worden voorzien. Anderen zijn ermee opgehouden omdat zij vonden dat de toelage niet groot genoeg was om aan hun behoeften te voldoen. Of zij waren er niet zeker van dat zij op hun oude dag wel verzorgd zouden zijn en dus zochten zij werelds werk. Toch heeft mijn geloof in Jehovah’s belofte om voor de levensbenodigdheden te zorgen mij geholpen in de volle-tijdbediening te volharden (Matth. 6:25-34). Ik heb het volste vertrouwen dat Jehovah mij nooit in de steek zal laten. — Hebr. 13:5, 6.

Hoewel ik bepaalde luxeartikelen nooit heb gehad, ben ik altijd tevreden geweest met wat Jehovah heeft verschaft. Ik weet uit ervaring dat als iemand ’eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoekt’ (Matth. 6:33), God in alles zal voorzien wat hij nodig heeft om te volharden en gelukkig te zijn. Ik kan persoonlijk getuigen van de waarheid van Spreuken 10:22: „De zegen van Jehovah — die maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij.”

Wettelijke strijd

Mettertijd leerde ik een smoutpers bedienen, en tot het vele smoutwerk dat mij als taak werd toebedeeld, behoorde het drukken van de wettelijke argumenten die broeder Rutherford en anderen gebruikten bij hun wettelijke strijd tegen degenen ’die moeite beraamden op gezag der verordening’ (Ps. 94:20). Toen de koorts van de Tweede Wereldoorlog in het begin van de jaren veertig haar hoogtepunt bereikte, leek het er werkelijk op dat onze tegenstanders ons werk stil zouden leggen. Maar ik werd zeer aangemoedigd door wat er op 3 mei 1943 gebeurde, toen Jehovah zijn volk klinkende overwinningen gaf! Het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten besliste van de dertien zaken er twaalf ten gunste van ons!

Een werkelijk uitzonderlijke zaak die ik me herinner, was de zaak Murdock contra Pennsylvania, waarbij het om een ventvergunning en de daarmee verbonden belasting ging. (Het strijdpunt was of een Getuige een vergunning moest aanvragen en een belasting moest betalen om te mogen prediken.) Het Hof herriep een eerdere uitspraak en verklaarde: „Er zij echter betoogd dat het feit dat de ventbelasting deze activiteit kan onderdrukken of beheersen, onbelangrijk is indien ze dit ook niet werkelijk doet. Maar daarmee zou men de aard van deze belasting miskennen. Het betreft een ventbelasting — een algemene belasting die wordt geheven voor het aanspraak maken op een recht dat door de Bill of Rights wordt gewaarborgd. Een staat mag geen belasting heffen voor het genieten van een door de federale grondwet gewaarborgd recht.” Wat een overwinning voor Gods volk!

Deze gebeurtenissen en de manier waarop Jehovah de zaken manoeuvreerde, waren een bron van kracht voor mij, want er bleek duidelijk uit dat hij alle dingen ten goede kan doen keren voor degenen die hem liefhebben.

Opwindende congressen!

Laten wij nog eens teruggaan naar 1922. Vanaf dat jaar tot 1928 hielden de Bijbelonderzoekers zeven indrukwekkende congressen. Ik had het voorrecht bij elk van deze congressen òf aanwezig te zijn òf een aandeel te hebben aan het drukken en verspreiden van de aangrijpende resoluties die er werden aangenomen. Onder de congresgangers te zijn en deel te nemen aan alles wat er gebeurde, was opbouwend voor mijn geloof, en ik wist dat ik met Jehovah’s hulp kon volharden.

Het kwam voor dat woedende menigten probeerden onze vreedzame congressen in de war te sturen. Ik was bijvoorbeeld aanwezig in Madison Square Garden in de stad New York op zondag 25 juni 1939, toen aanhangers van de Katholieke Actie probeerden de openbare lezing „Heerschappij en vrede” door J. F. Rutherford te verhinderen. Maar wij waren voorbereid.

Een aantal van ons op Bethel waren met andere broeders aangewezen als ordedienaren. Tegen 4 uur ’s middags was het grootste deel van de zaal gevuld met Getuigen, behalve het balkongedeelte vlak achter de spreker. Kort nadat de vergadering was begonnen, kwam er een menigte van zo’n 500 aanhangers van Charles E. Coughlin, een bekende katholieke „radio-priester” uit de jaren dertig, binnen en vulde dat deel van het balkon. Even later deed iemand in dat gedeelte het licht aan en uit als een afgesproken signaal voor het gepeupel om tot actie over te gaan.

„Heil Hitler!” „Viva Franco!” en andere kreten klonken uit dat ene gedeelte. Wat zou Rutherford doen?

’Kijk hoe de nazi’s en fascisten deze vergadering vandaag zouden willen opbreken, maar door Gods genade lukt het hun niet’, verklaarde broeder Rutherford vanaf het podium. Wij barstten los in een applaus waarmee wij te kennen gaven dat wij achter hem stonden. Vervolgens werkten de ordedienaren de indringers eruit.

Wat een opwindend congres! Dergelijke ervaringen dienden als een test op onze toewijding en ons geloof of Jehovah werkelijk zijn volk zou schragen. Zulke episoden hielden mijn geloof in Jehovah levend en moedigden mij aan in zijn dienst te volharden.

De kwestie van de christelijke neutraliteit

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog laaide het strijdpunt van de christelijke neutraliteit ten aanzien van wereldse conflicten weer op en opnieuw bevond ik mij in het heetst van de strijd!

Degenen onder ons die de dienstplichtige leeftijd hadden, kregen een oproep om voor de plaatselijke rekruteringsraad te verschijnen. Wij ondergingen de medische keuring en vroegen vrijstelling — iets waarin de wet voorzag. De rekruteringsraad deed al het mogelijke om ons het recht op vrijstelling te ontzeggen. Maar opnieuw was Jehovah met ons — niet één van ons werd uit zijn toewijzing op Bethel gehaald. Als alle jonge broeders op Bethel waren opgeroepen, zou het zo belangrijke christelijke predikingswerk daar ernstig door belemmerd zijn.

Vanwege het verlies van vrijheden in veel gebieden en als voorzorgsmaatregel voor de veiligheid van de Bethelfamilie was er in South Lansing in de staat New York een toevluchtsoord gebouwd. Het gebouw is voor dat doel echter nooit nodig geweest. In plaats daarvan werd het onder Jehovah’s leiding later verbouwd tot een studentenonderkomen en een school, de Wachttoren-Bijbelschool Gilead genaamd. Dit gebeurde terwijl de Tweede Wereldoorlog nog in alle hevigheid woedde. In 1943 begon de eerste klas met 100 leerlingen. De school (waarvan ook ik later profijt zou trekken) zou gebruikt worden om zendelingen op te leiden voor de verbreiding van het goede nieuws van Gods koninkrijk.

Andere toewijzingen

Tegen die tijd was ik al twintig jaar op Bethel, en hoewel de wereldgebeurtenissen een climax schenen te bereiken, stonden wij in feite nog maar aan het begin van een ware ontplooiing van het wereldomvattende predikingswerk.

Verscheidene jaren later, in 1948, kreeg ik een andere toewijzing. Ik werd uitgezonden als reizend vertegenwoordiger van het Genootschap, en dit zou de volgende dertig jaar mijn toewijzing blijven. Het zou onmogelijk zijn om zelfs maar te proberen een beschrijving te geven van alles wat er in die tijd is gebeurd!

Mijn eerste toewijzing was District 6, het westen van de Verenigde Staten. En dat was me een district! Het begon bij San Diego in Californië en reikte in het noorden helemaal tot aan de Canadese grens, een afstand van zo’n 2400 km. Vanaf de westkust strekte het zich uit over de Rocky Mountains tot in oostelijk Washington, Idaho en Montana. Dan ging het naar het zuiden en omvatte heel Wyoming, Utah, Nevada, New Mexico, het smalle deel van Texas, Arizona, en terug naar Californië. In die tijd lagen de wekelijkse kringvergaderingen van Jehovah’s Getuigen wel 1600 km uit elkaar. Ik moest met mijn auto dus heel wat kilometers afleggen om aanwezig te zijn.

Ik vond het echter een geweldig voorrecht heel de Verenigde Staten door te reizen en te zamen met getrouwe broeders en zusters Jehovah God te aanbidden en te dienen. Het was beslist geloofversterkend in de verkondiging van het goede nieuws met hen samen te werken.

Eén lieve trouwe zuster die ik me herinner, was Emma, die in New Mexico woonde. Jarenlang diende Emma als volle-tijdverkondigster van het goede nieuws. Zij trok te voet door een uitgestrekt woestijngebied van die staat. De hele dag gaf zij van huis tot huis getuigenis en als de nacht haar overviel, logeerde zij bij een gastvrij gezin of legde zij zich neer onder elke beschutting die er maar te vinden was. Soms herkenden koeienhoeders te paard haar terwijl zij moeizaam voortliep en riepen dan: „Meerijden, Oma?” Dan kwam zij bij hen achterop zitten en reed een paar kilometer mee. Haar grote liefde en ijver voor Jehovah moedigden mij aan in Gods dienst te volharden.

Na acht jaar maakte ik weer een grote verandering mee. Ik werd in 1955 naar de zesentwintigste klas van Gilead geroepen. In diezelfde klas zat een pionierster (volle-tijdverkondigster) uit Canada die Sydney Lee Brewer heette. In plaats van na de graduatie weer alleen op pad te gaan, trouwden Sydney en ik onderweg van de Gileadschool naar onze toewijzing, die bestond in het bezoeken en aanmoedigen van gemeenten in en om Chicago. Dat was op 18 februari 1956. Ja, wij besteedden onze wittebroodsweken aan het dienen van de gemeenten. Sydney werkt nog steeds als een trouwe metgezellin aan mijn zijde. Haar ijverige krachtsinspanningen zijn een bron van aanmoediging voor velen geweest.

Na ongeveer dertig jaar in de reizende dienst te zijn geweest, ontving ik in de herfst van 1977 een brief van het hoofdbureau waarin ik werd uitgenodigd om als lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen te dienen. En dus ging ik weer terug naar mijn goede oude huis — Brooklyn Bethel. Een klein aandeel te hebben aan de activiteiten van het Besturende Lichaam van Jehovah’s volk is een niet te bevatten eer en voorrecht.

Wat zal ik zeggen als ik terugkijk op zo’n zestig jaar in Jehovah’s dienst? Ik heb Jehovah’s Getuigen zien groeien van een paar duizend in 1923 tot ruim twee miljoen in 1982. Ik heb de krachtsinspanningen van tegenstanders gezien om het predikingswerk een halt toe te roepen, maar zonder succes. Ik heb het voorrecht genoten duizenden van Jehovah’s volk overal in de Verenigde Staten en in veel andere landen te ontmoeten en met hen om te gaan. Hoewel ik enkele opwindende ervaringen heb beleefd, hebben mijn geloof in Jehovah en mijn vastberadenheid in zijn dienst te volharden, mij in staat gesteld er goed doorheen te komen.

Ik voel me als koning David uit de oudheid, die ertoe werd bewogen Jehovah te loven omdat hij als een liefdevolle herder voor hem was (Psalm 23). Evenals David heeft het ook mij ’aan niets ontbroken’. Jehovah heeft mijn ziel al die jaren inderdaad gedrenkt en verkwikt. Mijn vurige hoop is, dat ik in geloof en liefde jegens de Getrouwe Herder, Jehovah God, mag blijven groeien. Moge hij mij de kracht geven die nodig is om getrouw ’tot in lengte van dagen in het huis van Jehovah’ te volharden. — Ps. 27:4.

[Illustratie op blz. 12]

J. F. Rutherford spreekt in Madison Square Garden, 1939

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen