Wie alleen is loyaal?
De inlichtingen in dit artikel en in de twee volgende studieartikelen werden op de eerste dag van de „Koninkrijksloyaliteit”-districtscongressen van Jehovah’s Getuigen verschaft. Deze christelijke congressen, die gedurende het afgelopen jaar en tot in het begin van dit jaar overal in het noordelijke en het zuidelijke halfrond zijn gehouden, zijn volgens de gegevens die ten tijde van het schrijven van dit artikel beschikbaar waren door 3.028.796 personen bijgewoond, terwijl 33.627 personen werden gedoopt. Het is zeer actueel dit voortreffelijke geestelijke voedsel thans opnieuw te beschouwen, vooral wanneer wij in aanmerking nemen dat deze zomer, tijdens de „Koninkrijkswaarheid”-districtscongressen, een verder rijk „feestmaal” verschaft zal worden.
DEGENE die in het gehele universum het meest in het oog springt wegens de hoedanigheid loyaliteit, is de Schepper zelf! Deze hoedanigheid in al zijn met verstand begiftigde schepselen is van hem afkomstig. Mensen die een grote waarde toekennen aan loyaliteit, kunnen zich in tijd van nood tot Hem wenden met het verzoek zich jegens hen loyaal te betonen. Het was dan ook niet aanmatigend van de knecht van de patriarch Abraham, de voorvader van koningen, dat hij Jehovah, als de God van zijn meester, smeekte zijn liefderijke goedheid of loyale liefde ten toon te spreiden (Gen. 24:14). Een nakomeling van Abraham, David, sprak nadat hij in aanmerking was gekomen voor het koningschap over Israël, uit eigen ervaring en zei in een psalm die tot Jehovah was gericht: „Jegens iemand die loyaal is, zult gij in loyaliteit handelen” (2 Sam. 22:26; Ps. 18:25). Ook de profeet Mozes, die de hemelse Koning, Jehovah, in de natie Israël vertegenwoordigde, verheerlijkte de hoedanigheid loyaliteit jegens Jehovah God toen hij de priesterlijke stam Levi zegende en zei:
„Uw Urim en uw Tummim behoren de man [Levi] toe die jegens u loyaal is, die gij bij Massa op de proef hebt gesteld. Gij zijt met hem gaan twisten bij de wateren van Meriba, de man die tot zijn vader en zijn moeder zei: ’Ik heb hem niet gezien.’ Zelfs zijn broeders erkende hij niet, en zijn zonen kende hij niet. Want zij [de levieten] hebben uw woord onderhouden, en uw verbond zijn zij steeds nagekomen.” — Deut. 33:4, 5, 8, 9.
De profeet Mozes zou zich zonder aarzelen hebben kunnen aansluiten bij de zangers van een lied dat meer dan 1600 jaar later werd gecomponeerd. Het was getiteld: „Het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam [Jezus Christus].” De woorden ervan luiden: „Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Jehovah God, de Almachtige. Rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Koning der eeuwigheid. Wie zal u niet werkelijk vrezen, Jehovah, en uw naam verheerlijken, omdat gij alleen loyaal zijt? Want alle natiën zullen komen en voor u aanbidden, omdat uw rechtvaardige besluiten openbaar zijn gemaakt.” — Openb. 15:1-4.
De psalmist David uitte dezelfde waardering voor die goddelijke eigenschappen, want hij schreef: „Jehovah is rechtvaardig in al zijn wegen en loyaal in al zijn werken” (Ps. 145:17). Jehovah, als de Opperste Rechter, zal het opnemen voor degenen die hem aanbidden en dienen, zoals een engel volgens het bericht tot hem zei: „Gij, Degene die is en die was, de Loyale, zijt rechtvaardig, omdat gij deze vonnissen hebt geveld.” — Openb. 16:4, 5.
In de taal van de profeet Mozes en de psalmist David bevat het Hebreeuwse woord voor „loyaliteit” dat wij bespreken, de gedachte aan vriendelijkheid, aan liefdevolle vriendelijkheid of goedheid. Sommige bijbelvertalers geven er de voorkeur aan het Hebreeuwse woord (chesed) als „liefderijke goedheid” weer te geven. Wanneer loyaliteit wordt bezien als een vriendelijkheid, houdt deze eigenschap dus in dat men de dingen op een vriendelijke manier beziet en rekening houdt met bepaalde dingen die niet over het hoofd gezien moeten worden, als gevolg waarvan loyaliteit niet iets kouds is, iets wat alleen maar gebaseerd is op wet en gerechtigheid. Het is een persoonlijke eigenschap die voortspruit uit liefde en waardering.
Wij herinneren ons hoe een zekere regeerder in het land Kanaän, die zag dat de ware God met Abraham was, naar Abraham toe ging en zei: „Zweer mij nu daarom hier bij God dat gij niet ontrouw zult blijken te zijn aan mij en aan mijn nageslacht en aan mijn nakomelingschap; dat gij, naar de liefderijke goedheid [of loyale liefde] waarmee ik u behandeld heb, ook zo zult handelen jegens mij en ten opzichte van het land waarin gij tot nu toe als vreemdeling hebt vertoefd” (Gen. 21:22, 23). Wij herinneren ons ook hoe Abrahams knecht Eliëzer, die later door Abraham werd uitgezonden om een vrouw voor zijn geliefde zoon Isaäk te halen, een gebed tot Jehovah God richtte en zei: „Díe [vrouw, de vrouw die ik heb beschreven] moet gij aan uw knecht, aan Isaäk, toewijzen; en laat mij hieraan weten dat gij liefderijke goedheid [of loyale liefde] jegens mijn meester hebt betracht.” — Gen. 24:14.
LOYALITEIT WAARAAN?
De patriarch Abraham bracht datgene wat hij onder ede aan die heerser in het land Kanaän had beloofd, ten uitvoer, en Jehovah God deed wat Abrahams knecht Eliëzer hem in gebed had gevraagd te doen en verschafte de juiste vrouw voor Isaäk. Waaraan is de Allerhoogste God Jehovah echter bovenal loyaal? Aan zijn koninkrijk, aan zijn eigen koningschap, want hij is de rechtmatige Soeverein over het gehele door hem geschapen universum. Hij kan zichzelf, met betrekking tot wat hij in werkelijkheid is, niet verloochenen. Als een vervulling van zijn onveranderlijke verbond met Abraham werd hij Koning over Abrahams speciale lijn van nakomelingen, de natie Israël, en wel in het bijzonder toen God hen uit de slavernij in het land Egypte bevrijdde en in 1467 v.G.T. in het Beloofde Land bracht. Vervolgens gaf Jehovah hun 350 jaar lang, tot in de dagen van rechter Samuël, zijn zichtbare vertegenwoordigers in de vorm van rechters. Toen Samuëls moeder Hanna hem in Gods heilige tabernakel te Silo voor Gods heilige dienst aanbood, uitte zij een profetie die vooruitwees naar een toekomstige zichtbare koning over de natie Israël. Ze zei: „Jehovah zelf zal de einden der aarde oordelen, om aan zijn koning sterkte te geven, om de hoorn van zijn gezalfde te verhogen.” — 1 Sam. 2:10.
Gedurende die dagen van rechter Samuël wilden de Israëlieten een andere regering hebben. Zij eisten het volgende van rechter Samuël: „Stel nu toch een koning over ons aan om ons te richten.” Dit mishaagde niet alleen Samuël, maar ook Jehovah God. Hij zij tot Samuël: „Niet u hebben zij verworpen [als rechter], maar mij hebben zij verworpen, dat ik geen koning over hen zou zijn” (1 Sam. 8:1-7). God stond hun toe een zichtbare, menselijke koning te hebben, namelijk Saul, de zoon van Kis. Niettemin zag God niet van zijn soevereiniteit over hen af. Overeenkomstig het doel van zijn verbond betoonde God zich loyaal ten opzichte van zijn onzichtbare, hemelse koningschap over zijn uitverkoren volk. Hun tweede menselijke koning was de voormalige herder David, de zoon van Isaï uit de Judese stad Bethlehem.
Hoe trad loyaliteit op de voorgrond gedurende het koningschap van David? Waarvan vormde dit een afschaduwing? En hoe is de kwestie van loyaliteit van invloed op ons in deze tijd? Deze vragen zullen in het volgende artikel worden beantwoord.