Inzicht in het nieuws
Emoties en gezondheid
● „In de medische centra overal in het land stapelen zich de bewijzen op dat droefheid [en] vreugde . . . veel sterker op ons lichaam inwerken dan de geleerden tot nu toe geloofden”, bericht een artikel in de New York Times Magazine. Men onderkent nu dan negatieve emoties ten minste enigszins een rol spelen bij het „verlagen van een kritieke drempel”. Het artikel zegt: „Onderzoekingen wijzen erop dat woede en bezorgdheid er in belangrijke mate toe schijnen bij te dragen dat het bij veel mensen aanwezige herpes simplex virus er kans toe ziet de overhand te krijgen op het afweersysteem van het lichaam, waardoor de veelvuldig voorkomende koortsuitslag ontstaat.”
Tevens bracht het artikel verslag uit over de bevindingen van Dr. Barbara Betz, die afgestudeerden van de Johns Hopkins Medical School heeft bestudeerd. Over een periode van 30 jaar ontdekte zij dat onder degenen die een goede geestelijke gezondheid en positieve emoties bezaten, slechts 25 procent door een hartaanval af een kankeraandoening getroffen werd. Maar bij degenen die humeurig en prikkelbaar waren, liep het aantal getroffenen op tot 77 procent. „Uw temperament en de manier waarop u het leven benadert”, schrijft zij, „schijnen beslist van invloed te zijn op uw weerstand tegen ziekte.”
Hoewel sommigen in de medische beroepswereld er lang voor nodig hebben gehad om verband te leggen tussen emoties en gezondheid, heeft de bijbel dat al lang geleden duidelijk gemaakt met de woorden: „Een hart dat blij is, doet goed als geneesmiddel, maar een geest die terneergeslagen is, droogt de beenderen uit.” — Spr. 17:22.
„Vals kastenstelsel”
● Er zijn „enige hoopgevende tekenen dat het buitensporige klerikalisme dat de Kerk nu al eeuwenlang in een wurggreep houdt, begint af te brokkelen”. Zo sprak een anglicaans priester in Mississauga, Ontario (Canada). Hij voegde eraan toe dat er „een opwindende herontdekking” gaande is „van de Nieuw-testamentische bediening, waarbij onderkend wordt dat de geordineerde geestelijken ’dienaren van de dienaren’ zijn”. Maar hij waarschuwt: „Natuurlijk is het geen gemakkelijke opgaaf een vals kastenstelsel, dat al sedert de middeleeuwen opgeld doet, ongedaan te maken.” Het gevolg is dat „wij . . . de Kerk veranderd hebben in een instituut dat bestaat uit actieve geestelijken als leveranciers en passieve leken als consumenten”.
Het is interessant dat Jehovah’s Getuigen al sedert jaren de aanwijzing volgen van de Stichter van het christendom, namelijk dat „gij allen broeders zijt”, en in hun gelederen geen klasse van geestelijken kerken. Ook genieten zij een wereldwijde reputatie wegens hun buurtevangelisatie door alle leden van hun plaatselijke gemeenten. Juist deze organisatorische regeling en activiteit heeft hun veel kritiek van de kant van de geestelijkheid opgeleverd. Maar zelfs Jezus Christus ontmoette in zijn tijd klerikale tegenstand van degenen die titels en posities najoegen om zich van hun medeaanbidders te onderscheiden. — Matth. 23:8-12; 26:3-5.
Geleerden en misleiding
● In een hoofdartikel dat de biochemicus Donald F. Calbreath, doctor in de wijsbegeerte, voor het tijdschrift American Laboratory schreef, wees hij op drie manieren waarop de evolutionisten het publiek misleiden. In de eerste plaats wordt het creationisme (de leer dat de Schepper alles heeft geschapen) als leerstof op scholen tegengestaan omdat het met religie te maken zou hebben. „Maar”, schrijft hij, „het wereldlijke humanisme dat zowel in de klas als in de lerarenopleiding de boventoon voert, moet net zo goed als een religie beschouwd worden. . . . Aangezien beide zich bezighouden met sommige gebieden die niet volledig onder schot te krijgen zijn door middel van het wetenschappelijk experiment, is er een zeker element van geloof voor nodig om de leerstellingen van het systeem te aanvaarden.”
Niettemin, aldus Calbreath, krijgt „het [school]kind de evolutie niet als theorie voorgesteld. Reeds vanaf de tweede klas (waarneming gebaseerd op het lezen van de schoolboeken van mijn kinderen) worden in de leerstof over natuurkennis subtiele uitspraken gedaan. De evolutie wordt voorgesteld als werkelijkheid, niet als een begrip dat in twijfel getrokken kan worden”.
Ten derde wordt gepoogd het „te doen voorkomen alsof het in het strijdperk gaat tussen wetenschappers die de evolutie ondersteunen en gelovers in het creationisme die geen wetenschappers zijn”. Dit, zegt hij, „gaat niet op”. Waarom niet? Omdat „veel van de tegenstand tegen de evolutie afkomstig is van wetenschappers, mannen en vrouwen die zich op academisch niveau onderscheiden hebben, die terdege bekend zijn met research en de wetenschappelijke methode en die de evolutie verwerpen op grond van hun wetenschappelijke kennis. . . . Wanneer geleerden van naam de evolutietheorie verwerpen en belangrijke argumenten aanvoeren om hun afwijzing te staven, kon er misschien toch wel eens iets zinnigs in hun argumentatie zitten”. — November 1980, blz. 8, 10.