Dankbaar dat Jehovah onze gebeden heeft verhoord
Zoals verteld door Angelo Clave
„VERHEUGT u in de hoop. Volhardt onder verdrukking. Houdt aan in het gebed.” Door deze raad voortdurend voor ogen te houden, ben ik geholpen veel vreugde te putten uit mijn leven als volle-tijddienstknecht van Jehovah. — Rom. 12:12.
Als de jongste van zes kinderen ben ik in 1936 op het Filippijnse eilandje Anda geboren, vlak bij een beroemd toeristengebied dat bekendstaat als de Honderd Eilanden in de provincie Pangasinan. Ons van hout en bamboe opgetrokken huis stond op slechts vijfhonderd meter van de zee, midden tussen prachtige bloemen en omgeven door mangabomen met heerlijke vruchten. Tragisch genoeg stierf mijn vader toen ik nog maar drie jaar oud was. Afgezien van het pijnlijke verdriet haar man verloren te hebben, was het voor mijn moeder een hele zorg ons zo goed mogelijk op te voeden. Zij bezat gelukkig nog steeds een boerderijtje, wat haar in staat stelde de graanschuur achter ons huis met een voorraad rijst te vullen. Als lid van de Filippijnse Onafhankelijke Kerk hield zij trouw vast aan haar religieuze beginselen.
In 1945, vlak nadat de Tweede Wereldoorlog de Filippijnen had geteisterd, leidde het bezoek van twee jonge vrouwen die bekendmaakten dat Gods koninkrijk de enige hoop voor de mensheid is, tot verstrekkende veranderingen. Mijn moeder had geen belangstelling, maar mijn oudere broer Presalino heette de twee getuigen van Jehovah hartelijk welkom en besprak van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat veel bijbelse onderwerpen met hen. De volgende dag nodigde Presalino mijn neef Eduardo uit om met hem mee te gaan als hij deze vrouwen per boot naar hun huis terugbracht.
Toen mijn broer en neef enkele dagen later terugkwamen, vertelden zij enthousiast aan iedereen dat zij reeds als Jehovah’s Getuigen waren gedoopt! Presalino legde geestdriftig uit dat het koninkrijk waar wij zo vaak in het Onze Vader om hadden gebeden, veel mensen eeuwig leven op een aards paradijs zou brengen (Matth. 6:9, 10; Luk. 23:43). Hoewel mijn moeder aanvankelijk geen belangstelling had, raakte zij er al gauw van overtuigd dat dit de waarheid was. Zij ontdeed ons huis onmiddellijk van zijn crucifix en afgodsbeeldjes van Jozef, Maria en andere „heiligen”. Ook hield zij ermee op de betelnoot te kauwen. Enkele maanden later kwam de vader van de twee meisjes bij ons op bezoek. Hij was blij verrast een groepje aan te treffen dat onder leiding van Presalino de bijbel bestudeerde. Er werden toen twaalf personen gedoopt, met inbegrip van mijn moeder, twee broers, mijn zuster en twee schoonzusters. Zij werden onmiddellijk in een gemeente georganiseerd. Twee van mijn broers werden samen met mijn neef Eduardo aangesteld om opzicht te hebben.
Op onze kleine dorpsschool van ongeveer 120 leerlingen werd ik vaak wegens mijn toenemende geloof bespot. Alle kinderen van Jehovah’s Getuigen kwamen onder druk te staan omdat zij weigerden op school afgoderij te bedrijven. Deze druk belette mij uiteindelijk voortgezet onderwijs te volgen. Dit was een teleurstelling. Mijn moeder hielp mij echter op Jehovah te vertrouwen en mijn verhouding tot hem door gebed en verdere bijbelstudie op te bouwen. Het resultaat? Op vijftienjarige leeftijd bevond ik mij onder de 522 personen die op 22 april 1951 tijdens het nationale congres in Quezon City werden gedoopt.
MIJN GEBEDEN OM EEN VOLLE-TIJDPREDIKER TE WORDEN, VERHOORD
Dit congres wekte in mij het verlangen op een pionier te worden, zoals de volle-tijd Koninkrijksbekendmakers worden genoemd. Op de terugreis en in de gesprekken thuis kwam dit punt steeds weer ter sprake want het was het belangrijkste onderwerp in mijn geest en in mijn gebeden. Hoewel mijn moeder aanvankelijk negatief reageerde, stond zij mij uiteindelijk toe enkele maanden een „vakantie”-pionier te zijn. Deze paar maanden waren bijzonder lonend en versterkten mijn besluit een gewone pionier te worden.
Op 1 maart 1953 werd dit doel verwezenlijkt. Tegelijkertijd begon ik een nieuwe taal te leren — Ilocano. Waarom was dit nodig? Er worden minstens 87 dialecten op de Filippijnen gesproken en ik spreek Bolinao, maar in het gebied waar ik predikte, woonden veel Ilocano-sprekende mensen. Dit was de eerste van een serie nieuwe talen die ik zou moeten leren om meer mensen de bijbelse waarheid te onderwijzen. Steeds weer opnieuw heb ik krachtig op Jehovah’s hulp vertrouwd en gebeden of hij mijn krachtsinspanningen wilde zegenen.
Toen ik samen met de gemeente Ilogmalino in een klein dorpje werkte dat dicht bij het witte strand van de Zuidchinese Zee lag, deed ik een bijzondere ervaring op. Een jongeman die ik thuis had getroffen, raakte emotioneel zo van streek toen hij besefte dat ik een Getuige was, dat hij me wegjoeg met de waarschuwing niet meer terug te komen. De volgende week bezocht de reizende kringopziener ons en gingen wij in hetzelfde gebied werken. De kringopziener was natuurlijk niet op de hoogte van mijn ervaring en deelde het gebied zo in dat ik bij het huis moest beginnen waar de jongeman zo vijandig was geweest.
Mijn eerste gedachte was dat huis over te slaan, maar na tot Jehovah gebeden te hebben, besloot ik er toch heen te gaan. Wat een verrassing! De jongeman luisterde aandachtig, stemde in met een bijbelstudie en bezocht die week zijn eerste vergadering. Hij maakte snel geestelijke vorderingen en werd slechts enkele maanden later op een congres gedoopt. Hoe kwam het dat hij plotseling, in slechts één week tijds, zo was veranderd? Nadat hij mij zo onheus had bejegend, kreeg hij een ongeluk. Aangezien hij dit als een straf beschouwde, besloot hij de volgende Getuige die hij zag, op zijn minst beleefd te woord te staan. Hij deed dit ook en was ingenomen met wat hij hoorde.
Drie van ons pioniers maakten vaak gebruik van een zes meter lange vissersboot om naburige eilanden te bezoeken en lezingen te houden. Toen wij op zekere keer laat in de avond naar huis terugkeerden, sloeg het weer plotseling om. Wij verkeerden in moeilijkheden! Hoge golven brachten de boot tot zinken, zodat wij gedwongen waren twee kilometer in de kolkende zee naar de kust te zwemmen. Op de een of andere manier vonden mijn neef en ik de kracht om mijn nicht te helpen, en hoewel wij onze bezittingen verloren, lukte het ons veilig aan land te komen. Wij dankten Jehovah dat hij ons leven had gespaard.
Mijn volgende toewijzing voerde mij naar een stad die verder van huis was gelegen. Daar ondervond ik de waarheid van Jezus’ woorden: „Een ieder die ter wille van mijn naam huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of landerijen heeft verlaten, zal vele malen meer ontvangen en eeuwig leven beërven” (Matth. 19:29). De broeders en zusters waren bijzonder vriendelijk en liefdevol, zodat wij ons al heel snel in een prettige, gezonde en intieme verhouding verheugden. De band was zo sterk dat toen ik later naar mijn eerste speciale pionierstoewijzing in de provincie Bulacan vertrok, geen van ons de tranen kon bedwingen die ons tijdens het afscheid over de wangen rolden.
In mijn volgende twee toewijzingen had ik nieuwe partners en leerde ik hoe met mensen samen te wonen en te werken die een andere persoonlijkheid hebben. De eerste van deze toewijzingen leidde ertoe dat ik een andere taal leerde, Tagalog, de nationale taal. In de tweede van deze toewijzingen ervoer ik voor het eerst de unieke vreugde te mogen helpen een nieuwe gemeente op te richten. Dit vergde meer dan twee jaar van ijverig werk, voortdurende gebeden en vertrouwen op Jehovah, die ’wasdom geeft’. — 1 Kor. 3:5-9.
ANDERE DIENSTVOORRECHTEN
Mijn dankbaarheid nam toe toen ik, na drie jaar in de speciale pioniersdienst geweest te zijn, werd aangesteld om aan ongeveer twintig gemeenten, met inbegrip van de gemeente in mijn geboorteplaats, kringbezoeken te brengen. Kunt u zich mijn vreugde voorstellen toen ik mijn eigen moeder naar een bijbelstudie vergezelde en haar mocht helpen iemand anders de waarheden te onderwijzen die zij zelf zo aarzelend had aanvaard? Na twee jaren kringwerk verricht te hebben, viel mij een ander soort van vreugde ten deel, toen Lucrecia en ik op 17 januari 1962 in het huwelijk traden. In de zeven en een half jaar dat zij vóór ons trouwen in de gewone en speciale pioniersdienst had gestaan, had zij duidelijk blijk gegeven van haar liefde voor de dienst van Jehovah, en zij is in de jaren sindsdien een bron van hulp en aanmoediging gebleven. Dit is beslist nog een reden om Jehovah dankbaar te zijn! — Spr. 19:14.
Het was vaak moeilijk kringbezoeken te brengen, maar de beloningen waren groot. Om het dorpje Agumanay in de bergen te bereiken, moesten wij bijvoorbeeld twaalf uur lang over een glibberig, modderig bergpad omhoogklauteren! Maar welk een vreugde viel ons ten deel toen wij bij aankomst bemerkten dat de meeste dorpsbewoners Jehovah’s Getuigen waren! Zij verwelkomden ons met lofliederen voor Jehovah — liederen die zij zelf hadden gecomponeerd. Dagelijks vergezelden ongeveer vijftig van deze nederige broeders en zusters ons wanneer wij naburige dorpjes bezochten om het goede nieuws van het Koninkrijk te verbreiden.
Bepaalde levensomstandigheden leveren echter wel gevaar op, en ten gevolge daarvan liep ik hepatitis op. Hierdoor werd een verandering in mijn diensttoewijzing noodzakelijk, en vanaf februari 1965 tot juli 1966 was ik in de speciale pioniersdienst, waarna ik weer voldoende was opgeknapt om de kringbezoeken te hervatten, deze keer in de provincie Tarlac in het hartje van Luzon. De Huks (guerrilla’s) maakten het leven daar onveilig, en er waren reeds veel doden gevallen. Hoewel de gewone vergaderingen vaak niet gehouden konden worden, was het mogelijk medegelovigen geestelijk te helpen door hen thuis te bezoeken. Toen wij op zekere dag bij een broeder en zijn gezin ontbeten, werd hun huisje van hout en bamboe, met plaatijzeren dak, plotseling door een groep soldaten omringd die uit twee vrachtwagens waren gekomen. Met het geweer in de aanslag ondervroegen zij ons één voor één. Ik had de unieke gelegenheid het „goede nieuws” aan de bevelvoerende officier uit te leggen. Tevredengesteld dat wij geen Huks waren, gingen zij weer weg. Ons vertrouwen in Jehovah was opnieuw beloond. — Spr. 29:25.
WEER EEN NIEUWE TAAL LEREN
Een brief van het Wachttorengenootschap, gedateerd 31 augustus 1967, bevatte verrassend nieuws. Wij werden erin uitgenodigd zendingsdienst in Indonesië te verrichten. In gebed zochten wij Jehovah’s leiding, waarna wij de uitnodiging aanvaardden. Zo gebeurde het dat wij, te zamen met zes andere Filippino’s, op 18 februari 1968 in Jakarta aankwamen.
Alles wat ik op de eerste Indonesische vergaderingen die wij bijwoonden, kon zeggen was: „Selamat sore. Selamat datang. Silahkan masuk” (Goede middag. Welkom. Kom binnen). Wij begonnen onmiddellijk elf uur per dag Indonesisch te studeren. Dat was werkelijk een stoomcursus. Aan het einde van deze cursus werd ik aangesteld om voor een nieuwe gemeente te zorgen. Wat was dat een beproeving voor mij! Het was duidelijk dat ik de taal beter moest leren spreken. Wij ontdekten dat wij de taal het beste konden leren door ijverig aan het getuigeniswerk van huis tot huis deel te nemen. De inwoners van Jakarta waren gastvrij en behulpzaam; zij nodigden ons uit bij hen binnen te komen en probeerden beleefd ons te begrijpen. Op deze wijze maakten wij snel vorderingen, want het Indonesisch lijkt een beetje op sommige Filippijnse dialecten. Na slechts acht maanden kregen wij dan ook opnieuw de toewijzing kringbezoeken af te leggen, waarbij wij ons pasgeleerde Indonesisch gebruikten.
Na enige tijd in Jakarta en omstreken doorgebracht te hebben, kregen wij de toewijzing de gemeenten op het eiland Sulawesi te bezoeken. Daar vormden gebrek aan transport en slechte wegen een beproeving, maar opnieuw werden onze krachtsinspanningen rijkelijk beloond door de liefde van de broeders. Op een gemeentevergadering kwam er een vrouw naar Lucrecia toe die vroeg: ’Bid alstublieft voor mij dat ik het lijden kan verduren dat mijn man mij vanwege de waarheid toebrengt.’ Wij gaven haar aanmoediging en troost uit de bijbel en baden inderdaad voor haar, maar verloren deze vrouw later uit het oog, aangezien haar man steeds weer naar andere geïsoleerde gebieden verhuisde om zijn vrouw bij de Getuigen vandaan te houden. Wat waren wij enkele jaren later blij verrast haar onder degenen aan te treffen die op een kringvergadering werden gedoopt!
TOENEMENDE DRUK
In 1976 trachtten wij voor de broeders van Sulawesi een congres te beleggen in Manado. Wij deden moeite voor vijf verschillende zalen, maar kregen nul op het rekest. Ten slotte vonden wij een geschikte zaal, maar de huur van 260.000 roepia’s (ƒ 1250) was te hoog voor ons. Tot onze verbazing schonk iemand die geen Getuige was 100.000 roepia’s! Vervolgens gaf een medegelovige een flinke bijdrage, waardoor de zaal binnen ons financiële bereik kwam te liggen. Er werd een fijn congres gehouden, wat Jehovah’s leiding geweest moet zijn; het bleek namelijk de laatste grote bijeenkomst voor onze broeders in die streek te zijn, aangezien de tegenstand tegen onze activiteit toenam.
Eerst werd het ons verboden de mensen van huis tot huis te bezoeken. De broeders leerden echter hoe zij de mensen moesten vinden tot wie zij konden spreken. Er werden dan ook veel geïnteresseerde mensen aangetroffen en het werk bleef vooruitgaan.
Vervolgens werd het ons verboden in particuliere huizen bijeen te komen. De broeders begonnen meer Koninkrijkszalen te bouwen. Maar op 24 december 1976 werd er een verbodsbepaling uitgevaardigd waardoor de activiteiten en bijeenkomsten van Jehovah’s Getuigen als individuele personen, alsook die van hun wettelijke corporatie, ’het Genootschap van Bijbelonderzoekers in Indonesië’, volledig onwettig werden verklaard. Wij wisten dat ons visum niet hernieuwd zou worden, maar gelukkig hoefden wij niet onmiddellijk te vertrekken. Nadat wij verdere verlengingen van onze verblijfsvergunning hadden aangevraagd, stond een immigratiebeambte ons ten slotte toe nog tien dagen te blijven. De dag vóór ons vertrek hadden wij een picknick met tweehonderd broeders en zusters. Het was een fijne gelegenheid om aanmoedigingen uit te wisselen (Rom. 1:11, 12). Zo waren wij na negen voldoeningschenkende jaren van dienst onder onze geliefde Indonesische broeders en zusters gedwongen hen te verlaten.
IN EEN ANDER LAND DIENST VERRICHTEN
Wij waren echter blij dat wij Jehovah ergens anders konden blijven dienen — deze keer in Taiwan. Weer moesten wij een nieuwe taal leren, deze keer Mandarijn-Chinees, een taal die totaal verschilde van de talen die wij tot dusver hadden geleerd. Hoewel het een taal is met toonhoogteverschillen die de betekenis van gelijkluidende woorden doen veranderen, en deze taal niet het Latijnse letterschrift heeft, maken wij vorderingen. Evenals vroeger bidden wij Jehovah om zijn hulp bij de prediking van het „goede nieuws van het koninkrijk” (Matth. 24:14). Wij werken in de snel groeiende industriestad Kau-sjioeng, met haar meer dan 1.000.000 inwoners. Onze kleine gemeente van dertig verkondigers van het „goede nieuws” heeft een groot gebied om te bewerken. Maar wat zijn wij blij meer dan tweemaal ons aantal voor de vergaderingen in de Koninkrijkszaal te zien bijeenkomen!
Gedurende de bijna dertig jaar dat wij ons aan Jehovah hebben opgedragen, hebben wij talloze malen ervaren dat de door de apostel Paulus geadviseerde loopbaan de beste is. Na vijfentwintig van die jaren in de volle-tijddienst te hebben doorgebracht, weten wij dat indien iemand ’zich verheugt in de hoop die voor hem ligt, volhardt onder verdrukking en aanhoudt in gebed’, Jehovah’s zegen zijn leven zal verrijken. — Rom. 12:12.