Vragen van lezers
● Is de doop noodzakelijk voor iemand die ondergedompeld wenst te worden, maar wiens zeer slechte gezondheid of hoge leeftijd dat riskant zouden maken?
De bijbel toont aan dat de doop door volledige onderdompeling zeer belangrijk is. Dus zelfs wanneer vanwege iemands toestand bepaalde ongewone maatregelen noodzakelijk zijn, dient hij als het enigszins mogelijk is, gedoopt te worden.
De uit de doden opgestane Jezus zei tot zijn discipelen: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende . . ., en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb” (Matth. 28:19, 20). Ja, degenen die de wil van God leerden kennen en zich opdroegen om hem te dienen, moesten volledig in water ondergedompeld worden, net zoals Jezus zelf was gedoopt. (Het Griekse woord baptizein betekent „dopen, indompelen, onderdompelen”.) Betreffende de legeroverste Cornelius en zijn gezin lezen wij: „[Petrus] gebood . . . dat zij in de naam van Jezus Christus gedoopt zouden worden.” — Hand. 10:48.
In de hedendaagse tijd hebben Jehovah’s Getuigen op grote bijeenkomsten regelingen getroffen voor de doop. De feitelijke doop kan plaatsvinden in een zwembad, meer of rivier in de nabijheid, waar voldoende water aanwezig is voor een volledige onderdompeling. (Vergelijk Handelingen 8:38.) Maar sommige personen waren, hoewel zij op die wijze gedoopt wilden worden, lichamelijk niet in staat een grote vergadering bij te wonen. Daarom hebben volledig geldige onderdompelingen zelfs plaatselijk in een grote badkuip in een particulier huis plaatsgevonden Dit is een hulp geweest voor personen met een hartkwaal, of van hoge leeftijd, of met een bijzonder zwakke gezondheid. Het water in de badkuip kon verwarmd worden zodat het de persoon geen ongemak zou bezorgen, en de doopkandidaat kon zeer rustig en geleidelijk in het water geplaatst worden. Wanneer hij of zij eenmaal aan de temperatuur gewend was, kon de eigenlijke doop plaatsvinden.
Maar wat valt er te zeggen over buitengewone gevallen? Zelfs in veel van deze gevallen is onderdompeling mogelijk geweest. Personen met open monden of blijvende openingen in de hals zijn gedoopt. De mond werd met een stuk plastic bedekt en langs de rand even met pleister afgedicht Er hebben ook onderdompelingen plaats gevonden van personen die een toestel voor kunstmatige ademhaling („ijzeren long”) nodig hebben. Er werden regelingen getroffen dat een arts of een ervaren verpleegster aanwezig was om hulp te bieden. De verlamde persoon werd in het water gebracht terwijl hij via een slang met een mondstuk werd beademd. Vervolgens werd, gedurende het moment dat de doop plaatsvond, het mondstuk verwijderd en werd de rest van zijn lichaam ondergedompeld, en zodra de persoon boven water kwam, werd het mondstuk weer aangebracht. Zulke gevallen illustreren dat, zelfs al is er misschien speciale zorg of zijn er speciale voorzorgsmaatregelen nodig, in bijna alle gevallen de doop kan plaatsvinden.
In een extreem geval zou de doop natuurlijk voorlopig absoluut onmogelijk kunnen schijnen. Dan vertrouwen wij erop dat onze barmhartige hemelse Vader het zal begrijpen en die bereidwillige persoon, die zich in zijn hart heeft opgedragen, zal goedkeuren (Ps. 103:13, 14; Klaagl. 3:22). „Jehovah zelf onderzoekt . . . de rechtvaardige. . . . De oprechten zijn het die zijn aangezicht zullen aanschouwen” (Ps. 11:5, 7). Wij kunnen dus het vertrouwen hebben dat, wanneer het lichamelijk onmogelijk is een pas opgedragen persoon te dopen, Jehovah de situatie barmhartig zal beschouwen.
● Als Petrus nooit in Korinthe is geweest, waarom beweerden sommigen daar dan ’bij Céfas (Petrus) te behoren’, en waarom staat dat verslag in de bijbel?
Het is waar dat de bijbel geen aanwijzing geeft dat Petrus ooit in Korinthe is geweest. Toch schreef de apostel Paulus aan die gemeente: „Een ieder van u zegt: ’Ik behoor bij Paulus’, ’Maar ik bij Apóllos’, ’Maar ik bij Céfas’, ’Maar ik bij Christus.’” — 1 Kor. 1:12.
Paulus had gehoord dat sommigen daar tweedracht veroorzaakten door zich achter de namen van vooraanstaande christenen op te stellen. Zowel Paulus als Apóllos waren in Korinthe geweest. Sommige personen daar hebben de een of de ander misschien voorgestaan omdat zij veel van hen hadden geleerd, vanwege hun persoonlijkheid of vanwege hun onderwijsbekwaamheden.
Maar waarom zeiden sommigen dat zij bij Petrus behoorden, die klaarblijkelijk nooit in Korinthe is geweest? Het is niet uitgesloten dat sommigen over Petrus hadden vernomen en hadden gehoord hoe hij de „sleutels van het koninkrijk der hemelen” had gebruikt (Matth. 16:18, 19). Bepaalde personen in Korinthe hebben daarom misschien Petrus’ naam genoemd alsof zijn kijk op het christendom nauwer verwant was aan het judaïsme en verschilde van die van Paulus, die er de nadruk op legde dat christenen niet onder de wet van Mozes staan (Gal. 2:15-21; 4:8-11). Voordat De Weg voor Samaritanen en heidenen was geopend, had Petrus er een belangrijke rol in gespeeld joden en joodse proselieten tot het christendom te brengen. En in Antiochië spreidde Petrus bij één gelegenheid een onevenwichtige belangstelling voor de houding van joodse christenen ten toon, wegens welk feit Paulus hem moest terechtwijzen (Gal. 2:11-14). In de sfeer van tweedracht die in Korinthe bestond, kunnen sommigen Petrus hebben aangegrepen alsof hij een ander soort christendom vertegenwoordigde dan degenen die Paulus’ naam voorstonden.
Onder inspiratie veroordeelde Paulus zo’n onenigheid terecht. Hij hielp de Korinthiërs te beredeneren dat Christus niet verdeeld was. Hoewel aan Paulus speciaal „het goede nieuws voor de onbesnedenen was toevertrouwd, zoals Petrus het had voor de besnedenen” — zodat de eerste zich op de heidenen concentreerde en de laatste op de joden — was hun fundamentele boodschap gelijk (Gal. 2:7, 8; Ef. 4:4-6). Zij waren niet verdeeld, noch in hun leer, noch in hun doelstellingen. Zowel Petrus als Paulus hadden een bijdrage geleverd aan de bijeenkomst in Jeruzalem (49 G.T.), waarop duidelijk werd dat heidense bekeerlingen niet besneden behoefden te worden en zich niet aan de Wet behoefden te houden (Hand. 15:7-14). En Petrus noemde Paulus zelfs „onze geliefde broeder”, wiens brieven belangrijk waren, evenals „de overige Schriften” (2 Petr. 3:15, 16). De verdeeldheid in Korinthe was dus niet gerechtvaardigd.
Dit verslag werd in de bijbel opgenomen als een waarschuwende raad. Ook in deze tijd zouden zich kleine kliekjes of groepjes in de christelijke gemeente kunnen vormen. Sommigen worden misschien als liberaal denkend beschouwd en gaan misschien voornamelijk met elkaar om of met een christelijke ouderling van wie zij menen dat hij het met hun opvatting eens is. Anderen worden misschien door deze eerste groep als meer conservatief in hun benadering van de dingen beschouwd, of men denkt dat zij de raad vragen en de zienswijze aanhangen van ouderlingen wier stijl zíj prettiger vinden. Zo’n situatie kan een ongezonde geest van verdeeldheid en onenigheid veroorzaken. Onvolmaakte mensen zijn maar al te zeer geneigd om op degenen te steunen die hun oren of hun persoonlijkheid kittelen. Maar Gods raad luidt dat wijsheid berust bij een veelheid van raadgevers, die een bijdrage dienen te leveren in de vorm van hun kennis van Gods Woord en hun ervaring in het toepassen ervan. — Spr. 15:22.