Inzicht in het nieuws
Gods naam „dwaas”?
● In een artikel in de National Catholic Reporter zegt Joseph Summers, een lid van de oecumenische commissie van het aartsbisdom St. Paul, Minneapolis (VS), over de naam van God die in de bijbel voorkomt: „De naam krenkt mijn eergevoel en gevoel voor fatsoen. . . . Hij is een theologische vergissing . . . Erger nog hij klinkt gewoonweg dwaas.”
In de bijbel komt de naam van God duizenden malen voor, en hij is opgebouwd uit de Hebreeuwse medeklinkers JHWH. Dit tetragrammaton wordt in het Nederlands weergegeven door de naam „Jahweh” of „Jehovah”. Is deze naam van God „dwaas”? Niet voor God, want zijn eigen geïnspireerde Woord verklaart: „Ik ben Jehovah. Dat is mijn naam” (Jes. 42:8). De naam was niet „dwaas” voor Gods Zoon, want in gebed tot zijn hemelse Vader zei Jezus Christus betreffende zijn volgelingen: „Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken” (Joh. 17:26). De apostel Paulus verklaarde, daarmee aantonend hoe uiterst belangrijk Gods naam is: „Een ieder die de naam van Jehovah aanroept, zal worden gered.” — Rom. 10:13.
Degenen die Gods naam trachten omlaag te halen, vallen in de strik van de „vader van de leugen”, Satan de Duivel (Joh. 8:44). Als Gods tegenstander doet Satan zijn best om mensen af te keren van de ware aanbidding en tracht hij het gebruik van Gods naam te doen ophouden.
De psalmist vroeg: „Hoe lang, o God, zal de tegenstander blijven smaden? Zal de vijand uw naam voor eeuwig met minachting blijven bejegenen?” (Ps. 74:10) Neen, want bijbelse profetieën tonen aan dat Jehovah spoedig het volgende zal doen: „Ik zal mijn grote naam stellig heiligen, die onder de natiën werd ontheiligd . . . en de natiën zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.” — Ezech. 36:23.
Kerken in China
● Het openen van diplomatieke betrekkingen tussen China en de Verenigde Staten heeft bij de kerken van de christenheid belangstelling gewekt in de mogelijkheden om hun activiteiten in China nieuw leven in te blazen. Bezoekers melden echter dat er daar weinig belangstelling voor de kerken wordt aangetroffen, en dat er weinig kans bestaat op een opleving van enige betekenis.
Franklin Woo, de secretaris voor China van de Nationale Raad van Kerken in de Verenigde Staten, meldde na zijn tweede bezoek aan China dat er heel weinig openbare kerkdiensten waren. Het aantal bezoekers was erg klein en het waren ’praktisch allemaal buitenlanders’. Bovendien merkte de heer Woo op dat hij ’niet vond dat de diensten het christendom op enigerlei wijze tot eer strekten’, aangezien ze ceremonieel waren. De kerken, zo zei hij, zijn ’in China op grote schaal in diskrediet gebracht omdat het zendingswerk werd verricht in samenwerking met westerse politiek en economische overheersing’.
Dr. Eugene Stockwell, als algemeen secretaris verbonden aan de Nationale Raad van de Kerken van Christus in Amerika, erkende eveneens: „Terwijl onze westerse voorstelling van Jezus die van de Zoon van God is, denken de Chinezen over Jezus in termen van kanonneerboot-diplomatie.” De New York Times berichtte eveneens: „Sinds de eerste presbyteriaanse, methodistische en rooms-katholieke zendelingen aan het einde van de negentiende eeuw het land binnenkwamen, heeft men het beeld van de westerse zendeling vereenzelvigd met westerse politiek.”
Deze negatieve indruk die men van de kerken van de christenheid heeft, blijft bestaan.