Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w80 15/8 blz. 31-32
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Waarom heeft God lijden op aarde toegelaten?
    Het leven heeft wel degelijk een doel
  • Wat was Edens verboden vrucht?
    Ontwaakt! 1972
  • Wat was de erfzonde?
    Ontwaakt! 1990
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
w80 15/8 blz. 31-32

Vragen van lezers

● Genesis 3:22 suggereert dat behalve Jehovah nog anderen in de hemel een bepaalde kennis van goed en kwaad bezaten. Is dat zo?

Het schijnt dat niet alleen Jehovah, maar ook zijn eniggeboren Zoon kennis van goed en kwaad bezat in de betekenis waarop in Genesis wordt gedoeld.

Nadat Adam en Eva hadden gezondigd, sprak Jehovah het oordeel over hen uit. Vervolgens zei God: „Zie, de mens is als een van ons geworden wat het kennen van goed en kwaad betreft, en nu, opdat hij niet zijn hand uitsteekt en werkelijk ook van de vrucht van de boom des levens neemt en eet en leeft tot onbepaalde tijd —” — Gen. 3:22.

Het eerste mensenpaar bezat beslist kennis van goed en kwaad. God had hun gezegd dat het verkeerd of kwaad zou zijn om van de vrucht van de ene aangewezen boom te eten; gehoorzaamden zij God daarentegen, dan was dit goed (Gen. 2:16, 17). De speciale „kennis” die door de „boom der kennis van goed en kwaad” werd aangeduid, hield dus in dat men zelf bepaalde wat goed en kwaad was. Professor T. J. Conant schreef hierover: „Door zich niets van de goddelijke wil aan te trekken en op eigen gezag beslissingen te nemen en te handelen, verkoos de mens voor zichzelf te weten wat goed en kwaad was.” Ja, Adam en Eva verwierpen Gods beslissing en verkozen hun eigen maatstaf van wat goed en kwaad was, vast te stellen.

Wat valt er echter te zeggen over Gods verklaring: „De mens is als een van ons geworden wat het kennen van goed en kwaad betreft”?

Sommigen zijn van mening dat God hier de pluralis majestatis (het majesteitsmeervoud) gebruikte, zoals een koning zou kunnen zeggen: „Wij zijn hier niet mee ingenomen”, als hij alleen naar zichzelf verwijst. Er bestaat echter een andere mogelijkheid waarvoor een krachtige, schriftuurlijke ondersteuning blijkt te bestaan.

In Genesis 1:26 zei Jehovah: „Laten wij de mens maken naar ons beeld.” De Schrift wijst op de conclusie dat God zich hier richtte tot zijn eniggeboren Zoon, die later als Jezus naar de aarde kwam. Deze Zoon, het Woord, was Gods meesterwerker door bemiddeling van wie alle andere dingen werden geschapen (Joh. 1:1, 3; Kol. 1:15, 16; Spr. 8:22-31). De overeenkomst in zegswijze in Genesis 3:22 geeft te kennen dat Jehovah opnieuw tot degene sprak die hem het meest na was, zijn eniggeboren Zoon.

Indien dit zo is, zou hierdoor te kennen worden gegeven dat het Woord reeds „kennis van goed en kwaad” bezat. Door zijn lange en intieme ervaring met Jehovah had de Zoon beslist goed de denkwijze, beginselen en maatstaven van zijn Vader leren kennen. Aangezien Jehovah ervan overtuigd was dat zijn Zoon hiervan op de hoogte was en zich er loyaal aan hield, kan hij hem in het behandelen van bepaalde zaken enige vrijheid toegestaan hebben zonder van hem te verlangen dat hij in elk afzonderlijk geval de Vader raadpleegde. In deze mate zou de Zoon dus in staat en gemachtigd zijn om vast te stellen wat goed en kwaad was. Hij zou echter geen maatstaf vaststellen die in strijd was met Jehovah’s maatstaven.

Dat Adam en Eva goed en kwaad leerden kennen, hield in hun geval in dat zij Jehovah’s gebod verbraken en zijn maatstaven verwierpen. Hiervoor verdienden zij de dood, waartoe zij ook werden veroordeeld.

In de Nieuwe-Wereldvertaling en enkele andere vertalingen eindigt Genesis 3:22 met een gedachtenstreep. Dit duidt erop dat God geen verklaring in het verslag liet opnemen van wat er gedaan moest worden. In plaats daarvan eindigen zijn woorden en beschrijft het volgende vers de daad zelf; hij verdreef Adam en Eva uit de hof. Hun onafhankelijke maatstaf met betrekking tot goed en kwaad was dus niet als die van Jehovah en zijn Zoon, maar heeft hen veeleer in het verderf gestort. — Jer. 10:23.

● Wat wordt er in Amos 5:5 bedoeld, waar staat: „Zoekt niet Bethel”?

De Israëlieten van het noordelijke koninkrijk waren erg ijverig in hun beoefening van valse aanbidding. Dit blijkt uit de woorden die via de profeet Amos tot hen werden gericht: „’Komt naar Bethel en begaat overtredingen. Begaat te Gilgal veelvuldig overtredingen, en brengt uw slachtoffers in de morgen, op de derde dag uw tienden. En laat van het gezuurde een dankoffer in rook opgaan, en kondigt vrijwillige gaven af; verkondigt het, want zo hebt gij het graag gehad, o zonen van Israël’, is de uitspraak van de Heer Jehovah.” — Amos 4:4, 5.

Bethel was een centrum van valse aanbidding. Daar heeft Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke koninkrijk, het gouden kalf opgericht (1 Kon. 12:28-30). Ook Gilgal moet een plaats voor afvallige aanbidding zijn geworden. Dat Israël te Bethel en Gilgal offers bracht, vormde dus in werkelijkheid een overtreding tegen Jehovah.

Het is opmerkenswaardig dat de Israëlieten in hun afgodische aanbidding ook andere praktijken overnamen die in strijd met de Wet waren. De Wet verklaarde: „Geen graanoffer dat gij aan Jehovah zult aanbieden, dient als iets gezuurds te worden bereid” (Lev. 2:11). Toch offerden de afvallige Israëlieten gezuurde koeken als een „dankoffer”. Ook was de hele geest die achter vrijwillige slachtoffers school, dat er geen ruchtbaarheid aan gegeven moest worden. De afgodische Israëlieten maakten ze echter in het openbaar bekend. Zij hadden hun valse aanbidding lief, maar Jehovah haatte deze.

Door met hun ontrouwe handelwijze door te gaan, konden de Israëlieten dus niet aan de voltrekking van Jehovah’s oordelen ontkomen. Alleen door de valse aanbidding de rug toe te keren en berouwvol tot Jehovah terug te keren, konden zij de hoop koesteren ontkoming te vinden. Daarom werd de profeet Amos ertoe geïnspireerd te verklaren: „Dit heeft Jehovah gezegd tot het huis van Israël: ’Zoekt mij, en blijft leven. En zoekt niet Bethel, en naar Gilgal moogt gij niet komen, en naar Berséba moogt gij niet overtrekken [dat wil zeggen, overtrekken naar deze enclavestad van Simeon], want Gilgal zelf zal zonder mankeren in ballingschap gaan; en wat Bethel betreft, het zal iets magisch worden [klaarblijkelijk een verlaten ruïne die voorbijgangers met een bijgelovige vrees zou vervullen]. Zoekt Jehovah, en blijft leven, opdat hij niet werkzaam wordt net als een vuur, o huis van Jozef [het tien-stammenkoninkrijk, waarvan nakomelingen van Jozefs zonen Efraïm en Manasse het grootste deel uitmaakten], en het vuur niet werkelijk verslindt, en Bethel niet wordt zonder iemand die het uitblust.’” — Amos 5:4-6; Joz. 19:1, 2.

De Israëlieten konden niet de hoop koesteren aan rampspoed te ontkomen door pelgrimstochten te ondernemen naar Bethel, Gilgal en Berséba, allemaal steden van het noordelijke koninkrijk Israël. Wanneer zij op deze plaatsen goddelijke gunst trachtten te vinden, zouden zij zich alleen maar Gods gramschap op de hals halen. Bethel, Gilgal en Berséba zouden, te zamen met hun heiligdommen, tot niets worden. Israël kon alleen hoop koesteren door ’Jehovah te zoeken’ en met een volledig hart naar hem terug te keren.

Zo is het ook thans. Ook al beoefenen mensen nog zo ijverig religieuze praktijken, toch zullen deze, als ze niet in harmonie zijn met de waarheid van Gods Woord, geen nut afwerpen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen