Geloof in Gods Zoon — Welke uitwerking behoort het op u te hebben?
„Gedraagt u op een wijze die het goede nieuws over de christus waardig is, . . . dat gij vaststaat in één geest, één van ziel zijde aan zijde strijdend voor het geloof van het goede nieuws.” — Fil. 1:27.
1. (a) Welk werk nadert nu zijn climax? (b) Waardoor wordt bewezen dat er thans werkelijk geloof op aarde wordt gevonden?
VERVULDE profetieën duiden erop dat wij ons ver in het „besluit van het samenstel van dingen” bevinden (Matth. 28:20). Het is nu meer dan 64 jaar geleden sinds de „Zoon des mensen”, Jezus Christus, met alle engelen gekomen is om ’plaats te nemen op zijn glorierijke hemelse troon’. Het oordeel en het scheiden van de mensen in getrouwe „schapen” en ontrouwe „bokken” nadert zijn climax (Matth. 25:31-33). Daarom vragen wij: Heeft de „Zoon des mensen” werkelijk geloof op aarde gevonden? De bijeenvergadering van de internationale gemeente van Jehovah’s Getuigen — meer dan 2 miljoen sterk — bewijst duidelijk dat dit het geval is.
2. Waarom heeft men congressen van Jehovah’s Getuigen terecht als „niet van deze wereld” beschreven?
2 Nieuwsmedia hebben congressen van Jehovah’s Getuigen als „niet van deze wereld” beschreven. En ze behoren ook iets buitengewoons te zijn! Want Gods volk streeft naar uitnemendheid. Deze reusachtige gemeente is in feite op weg van de huidige onvolmaakte wereld naar een glorierijke „nieuwe ordening” waar geen ziekte, dood en verdriet meer zullen zijn. Jehovah’s Woord verzekert ons dit! (Openb. 21:1-4) Om dat doel te bereiken, moeten wij stevig vasthouden aan onze overwinning door geloof. Hoe doen wij dit?
HET OORDEEL OVER DE WERELD BEGINT
3. Welke veranderingen hebben zich sinds 1914 voorgedaan, en wat betekent dit?
3 Toen het „besluit van het samenstel van dingen” in het jaar 1914 aanving, begonnen er enorme veranderingen op deze aarde plaats te vinden. Het was net zoals Jezus zelf had geprofeteerd — internationale oorlogen, aardbevingen, pestilentiën, voedseltekorten, toenemende wetteloosheid en een tekort aan liefde (Matth. 24:3-12; Luk. 21:10, 11). Er was een tijd van oordeel over de wereld aangebroken.
4, 5. (a) Hoe hebben de religies van de christenheid getoond geen geloof te bezitten? (b) Hoe verschillen ze van Jehovah’s Getuigen wat de verhouding tot de wereld betreft? (c) Hoe spreiden wij ons onoverwinnelijke geloof ten toon?
4 Hoe zouden de religies van de christenheid op de situatie reageren? Zouden ze zich overwinnaars door geloof betonen? Verre van dat! In plaats van het „teken” te aanvaarden dat Gods koninkrijk nabij is, verleenden de geestelijken van de christenheid steun aan het stervende „samenstel van dingen”. Toen de wereldoorlog Europa overspoelde, spoorden de kerken aan beide zijden christenen ertoe aan christenen af te slachten, waarmee zij zich een enorme bloedschuld op de hals haalden. En toen de oorlog eindigde, kozen de religies van de christenheid niet voor de regerende koning, Jezus Christus, maar voor een door mensen gemaakt politiek lichaam dat zij op godslasterlijke wijze als de „politieke uitdrukking van het Koninkrijk Gods op aarde” bestempelden. Dit was de Volkenbond, die in 1919 werd voortgebracht voor het aangekondigde doel wereldvrede en zekerheid te waarborgen. Het bijbelboek Openbaring beschrijft de bond als ’een scharlakengekleurd wild beest vol van lasterlijke namen’. — Openb. 17:3.
5 De kerken van de christenheid hebben, door steun te verlenen aan de totale oorlogvoering en vervolgens aan dit door mensen gemaakte hulpmiddel, duidelijk getoond wat ze zijn: een deel van deze wereld. Jehovah’s Getuigen daarentegen hebben, door een neutraal standpunt ten opzichte van internationaal geweld en politiek in te nemen, ondubbelzinnig bewezen dat zij „geen deel van de wereld” zijn (Joh. 15:19). Ons geloof berust niet op de vleselijke arm of de oorlogswerktuigen van sterfelijke mensen. Maar ons onoverwinnelijke geloof erkent „God als regeerder meer . . . dan mensen”. En doordat wij „God als regeerder . . . gehoorzamen” door getuigenis te geven omtrent zijn Koninkrijksvoornemen, tonen wij dat wij Gods geest bezitten (Hand. 5:29-32). Op deze wijze zijn wij gesterkt om de werken te doen waarover Jezus sprak: „Wie geloof oefent in mij, zal ook zelf de werken doen die ik doe; en hij zal grotere werken dan deze doen” — door het opgerichte koninkrijk op de gehele aarde te prediken. — Joh. 14:12.
6. Hoe is sinds 1919 heilige geest aanwezig geweest?
6 Deze heilige geest van Jehovah was zeer duidelijk aanwezig op de internationale congressen van Jehovah’s Getuigen die in 1919 en in 1922 te Cedar Point, in de Amerikaanse staat Ohio, werden gehouden. Deze geest sterkte het geloof van het kleine overblijfsel van gezalfde christenen en gaf hun de kracht gehoor te geven aan de oproep: „Verkondigt, verkondigt, verkondigt de Koning en zijn koninkrijk.” Energiek gingen zij aan de slag om het „goede nieuws” wijd en zijd bekend te maken. Tegen het uitbreken van de gewelddadige Tweede Wereldoorlog was hun aantal van enkele duizenden tot meer dan 67.000 toegenomen die in verscheidene landen op aarde predikten.
GELOOF OVERWINT VERVOLGINGEN
7. Welke voorbeelden tonen aan dat geloof zegeviert over vervolgingen?
7 Deze toename werd niet bereikt zonder hevige vervolgingen. Omdat de rechtschapenheid-bewarende getuigen van Jehovah bijvoorbeeld weigerden de nazi-staat te aanbidden, werden zij opgespoord en bijeengedreven in smerige concentratiekampen. Ook zijn 635 van hen in gevangenissen omgekomen. Maar hun geloof kon niet gebroken worden. Een waarnemer beschreef de individuele Getuige als „een vesting die wel vernietigd maar nooit ingenomen kan worden”. Een ooggetuige zei met betrekking tot zijn eigen broer, die in een openbare executie door nazi-SS-bewakers wreed werd doodgeschoten: „Iedereen was onder de indruk van zijn kalmte en rust, zoals iemand die de strijd reeds gewonnen had.”
8. (a) Hoe genoot christelijk geloof gedurende de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog voorspoed? (b) Wat werd echter door religieuze leiders gezegend en geprezen?
8 Zoals reeds gezegd, gingen Jehovah’s Getuigen de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog in met een aantal van zo’n 67.000 personen, maar zij traden met meer dan 141.000 man sterk uit het conflict te voorschijn. Verbodsbepalingen, gevangennemingen en andere beproevingen op hun rechtschapenheid hadden hen niet doen terugdeinzen in hun geloof. De religies van de christenheid gaven echter hun zegen aan de vervolging en uitmoording. En ook al had het ’scharlakengekleurde wilde beest’ de religieuze leiders als Volkenbond teleurgesteld, toch waren zij er vlug bij het weer te begroeten toen het als de Verenigde Naties te voorschijn kwam. Zij vestigden al hun hoop erop (Openb. 17:3-8). Tijdens zijn bezoek aan het hoofdkwartier van de V.N. in New York in 1965, prees wijlen paus Paulus VI dit lichaam als de „grootste van alle internationale organisaties” en „de laatste hoop op eendracht en vrede”.
DE VOORTGAANDE OVERWINNING DOOR GELOOF
9. (a) Welke actuele inlichtingen maakten Jehovah’s Getuigen in 1942 bekend? (b) Hoe rukte Gods volk toen in zijn overwinning voorwaarts?
9 Toen de oprichting van de Verenigde Naties in 1942 voor het eerst door de geallieerden werd geopperd, maakten Jehovah’s Getuigen op hun internationale congres van dat jaar bekend dat dit slechts een herleving van de Bond zou zijn. Zij toonden aan de hand van Gods Woord dat de V.N. in de laatste botsing te Har–mágedon, te zamen met alle andere politieke organisaties, ten slotte in de vernietiging moet verdwijnen. Omringd door bewijzen van „de tijd van het einde” rukte Jehovah’s volk in hun overwinning door geloof voorwaarts (Dan. 11:35). In 1943 werd de Wachttoren-Bijbelschool Gilead georganiseerd en zendelingen werden tot de uiteinden der aarde uitgezonden. Met welk resultaat? Terwijl er in 1945 weliswaar 141.606 Koninkrijkspredikers in 66 landen werkzaam waren, rapporteerden er in 1978 2.182.341 dienst in 205 landen. De overwinning door geloof is duidelijk te zien geweest, vooral in de 40 en meer landen waar Jehovah’s Getuigen thans onder verbodsbepalingen en andere beperkingen dienen.
10. Hoe is de beproefde hoedanigheid van geloof in Malawi en andere landen waar verbodsbepalingen bestaan, ten toon gespreid?
10 De kleine Afrikaanse staat Malawi neemt onder de landen waar de geloofsbeproeving zwaar is geweest, een opmerkelijke plaats in. Tot 1962 genoten Jehovah’s Getuigen in dat land een snelle groei. Maar toen brak er in 1964 een hevige vervolging uit. Omdat Jehovah’s Getuigen niet het Malawi-deel van het ’wilde beest uit de zee’ (Openb. 13:1, 4) wilden aanbidden door politieke partijkaarten te kopen, werden zij uit hun huizen verjaagd, en velen werden verkracht en gedood. Ten slotte werden de meesten van hen uit hun geboorteland verdreven. Maar de beproefde hoedanigheid van hun geloof, beproefd als door vuur, is een reden tot vreugde geweest, niet alleen voor henzelf maar voor hun christelijke broeders op de gehele aarde (1 Petr. 1:7). In alle landen waar Jehovah’s Getuigen gedwongen zijn ondergronds te dienen, valt dezelfde voortreffelijke hoedanigheid van geloof waar te nemen. Al deze Getuigen — en er zijn er meer dan 200.000 in zulke landen — maken hun overwinning door geloof tot een groot succes.
11. Waaruit blijkt dat wij moeten volharden in onze overwinning door geloof?
11 Wat valt er echter te zeggen over Jehovah’s Getuigen in landen waar het gemakkelijker gaat, waar wij niet in voortdurend gevaar verkeren gearresteerd of gevangengezet te worden, of het leven te verliezen? Het is droevig te moeten zeggen dat het in enkele van deze landen niet zo goed is gegaan. Hiertoe behoren veel welvarende landen, waar verleidingen tot genoegens en immoraliteit te over zijn. Maar nooit dient uit het oog verloren te worden: Wij moeten volharden in onze overwinning door geloof totdat wij bevrijd zijn van dit goddeloze samenstel van dingen, of dat nu door de dood gebeurt of doordat wij de „grote verdrukking” overleven.
12. Welke woorden van Jezus’ profetie verdienen thans onze dringende aandacht, en waarom?
12 Hoe drinkend is het dat wij dit allen duidelijk beseffen! Overal is het duidelijke bewijs te zien dat de wereld op de rand van de vernietiging wankelt. De „laatste dagen” hebben bijna hun loop gehad. Daarom dienen de slotwoorden van Jezus’ profetie over het besluit van het samenstel van dingen voor heel Jehovah’s volk in deze tijd met alarmerende duidelijkheid te klinken: „Schenkt . . . aandacht aan uzelf, dat uw hart nooit bezwaard wordt met overmatig eten en overmatig drinken en zorgen des levens, en die dag plotseling, in een ogenblik, over u komt als een strik. Want hij zal komen over allen die op de gehele aardbodem wonen. Blijft dan wakker, te allen tijde smekend dat gij erin moogt slagen te ontkomen aan al deze dingen die stellig gaan geschieden, en te staan voor het aangezicht van de Zoon des mensen.” — Luk. 21:34-36.
DE „BESTEMDE TIJD” NADERT
13. Waarom is het gebiedend noodzakelijk dat wij Jehovah’s oordeel blijven verwachten?
13 Hoewel de „grote verdrukking” misschien niet zo spoedig is gekomen als velen van ons verwacht hadden, is dat geen reden voor ontmoediging. God verandert niet (Mal. 3:6). En evenmin is zijn grootse voornemen veranderd. Jehovah zegt met betrekking tot het „goede nieuws”: „Zo zal mijn woord dat uit mijn mond uitgaat, blijken te zijn. Het zal niet zonder resultaten tot mij terugkeren, maar het zal stellig datgene doen waarin ik behagen heb geschept en het zal stellig succes hebben in dat waarvoor ik het heb gezonden” (Jes. 55:11). Het tijdstip waarop God zijn oordeel voltrekt, is niet verschoven. Het komt elke dag dichterbij. Laten wij dus denken aan de woorden van Jesaja 30:18: „Jehovah is een God des gerichts. Gelukkig zijn allen die hem blijven verwachten.”
14. (a) Wanneer wij aan welk vertrouwen vasthouden, zullen wij ons Jozua’s woorden ten slotte geheel eigen kunnen maken? (b) Welke aanmoediging kunnen wij in Habakuks profetie aantreffen?
14 Niet onze afhankelijkheid van een tijdsperiode, maar ons oprechte vertrouwen in Jehovah als de God die „niet liegen kan”, stelt ons in staat de geloofsoverwinning te behalen (Tit. 1:2). Dit vertrouwen zal ons ten slotte tot het punt brengen waar wij, evenals Jozua uit de oudheid, tot onze metgezellen in deze overwinning door geloof zullen kunnen zeggen: „Gij weet zeer goed met geheel uw hart en met geheel uw ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor u uitgekomen. Geen woord daarvan is onvervuld gebleven” (Joz. 23:14; 21:45). Wij kunnen volledig vertrouwen hebben in Habakuks woorden: „Het visioen is nog voor de bestemde tijd, en het blijft voorthijgen naar het einde.” Mogen wij met dat visioen blijven voorthijgen totdat onze overwinning volledig is! De profetie verzekert ons: „Het zal geen leugen vertellen. Zelfs al zou het op zich laten wachten, blijf er vol verwachting naar uitzien; want het zal zonder mankeren uitkomen. Het zal niet te laat komen.” — Hab. 2:3.
„JEHOVAH IS NIET TRAAG”
15. (a) Waarom kan er worden gezegd dat ’Jehovah niet traag is’? (b) Hoe komt zijn dag ten slotte?
15 Sinds de dagen van de apostelen zijn er negentienhonderd jaar verstreken. Maar in Gods ogen is dit minder dan twee dagen. Het is zoals de apostel Petrus het stelde: „Laat dit ene feit . . . niet aan uw aandacht ontgaan, geliefden, dat bij Jehovah één dag als duizend jaren is en duizend jaren als één dag. Jehovah is niet traag ten aanzien van zijn belofte, zoals sommigen traagheid beschouwen, maar hij is geduldig met u, omdat hij niet wenst dat er iemand vernietigd wordt maar wenst dat allen tot berouw geraken. Toch zal Jehovah’s dag komen als een dief.” — 2 Petr. 3:8-10.
16. Waarom is Jehovah’s dag nog niet gekomen, en hoe dienen wij derhalve op de situatie te reageren?
16 Wat maakt het nu uit of Jehovah’s dag nog enkele tikken van zijn tijdklok langer blijkt te duren? Zijn wij niet blij dat dit nog enkele honderdduizenden meer van zijn „schapen” in de gelegenheid heeft gesteld bijeengebracht te worden? Terwijl die klok blijft voorttikken, stromen tienduizenden vroegere katholieken in Zuideuropese landen naar het Koninkrijk, keren honderden op afgelegen eilanden der zee hun afgoderij de rug toe en rukken duizenden Aziaten zich los van oosterse bijgelovigheden en aanvaarden het „goede nieuws”. De reden waarom Jehovah’s met een dief te vergelijken dag nog niet is gekomen, is dat hij nog steeds werk voor ons te doen heeft op het gebied van het bijeenbrengen van de „andere schapen”. Jehovah is niet traag. Laten wij niet traag zijn in het aangrijpen van elke gelegenheid om volledig in Zijn werk te delen.
17. (a) Welke actuele raad geeft Petrus voor deze tijd? (b) Wat onderscheidt Jehovah’s volk, en hoe spreidt het dat geloof ten toon?
17 De apostel Petrus geeft de raad: „Het einde van alle dingen is nabijgekomen. Weest daarom gezond van verstand en weest waakzaam met het oog op gebeden. Hebt bovenal intense liefde voor elkaar” (1 Petr. 4:7, 8). Naarmate dit goddeloze „samenstel van dingen” zijn krachten samenbalt voor een laatste, uiterste poging om Gods volk te vernietigen, moeten wij beslist onverstoord, waakzaam en gebedsvol blijven, overtuigd van onze overwinning door geloof. Wij moeten verenigd blijven in de intense liefde die zozeer een onderscheidend kenmerk van Jehovah’s eigen volk overal op aarde is. Wanneer is er in de hele menselijke geschiedenis een volk geweest zoals Jehovah’s Getuigen van thans? Dit is de enige broederschap die tot in de uithoeken van de bewoonde aarde is doorgedrongen. Welke andere kracht dan Jehovah’s geest zou twee miljoen mensen „uit alle natiën en stammen en volken en talen” verenigd kunnen hebben in zo’n wonderbaarlijke eenheid van geloof, doel en activiteit? Gezamenlijk hebben wij de overwinning door geloof behaald en gezamenlijk spreiden wij dat geloof ten toon door getuigenis te geven omtrent Jehovah’s koninkrijk door zijn Zoon. — Openb. 7:9.
NAARMATE HET EINDE NADERT
18, 19. (a) Hoe ontwikkelden de gebeurtenissen zich in de dagen van de apostelen als een vervulling van de bijbelse profetieën? (b) Welke treurige vergissing zullen sommigen misschien hebben gemaakt?
18 Jehovah’s volk van thans is als de getrouwe christenen in het Jeruzalem uit de tijd van de apostelen, die vol verlangen naar de eerste vervulling van het „teken” uitzagen. Zij keken uit naar de komst van het „walgelijke ding”, dat in de „heilige plaats” zou staan. Eindelijk gebeurde het! Het Romeinse leger viel aan en drong zelfs tot de westelijke muur van het tempelgebied door. Wat moesten de christenen nu doen? Jezus had gezegd dat zij „naar de bergen [moesten] vluchten”. Toen dat leger onverwachts terugtrok, grepen die christenen de gelegenheid aan. Zij vluchtten! Zij trokken naar de bergen van Peréa. Maar waren zij nu gered? Was hun overwinning door geloof volledig? Nog niet! — Matth. 24:15, 16.
19 Met gespannen aandacht wachtten die christenen op de volgende ontwikkeling — Jehovah’s oordeelsvoltrekking aan Jeruzalem. Zij wachtten een jaar. Er gebeurde niets. Twee jaar, en er gebeurde niets. Drie jaar, en nog steeds gebeurde er niets. Enkelen van die christenen zijn het wachten misschien wel moe geworden. Zij hebben misschien wel gezegd: ’Laten we naar de stad terugkeren en zaken doen en het ervan nemen.’ Wat een treurige vergissing zou dat zijn geweest!
20. Hoe bewerkte geloof toen redding?
20 Want plotseling, in het vierde jaar, keerden de Romeinse legers terug. De stad en haar tempel werden totaal verwoest en er bleef niet één steen op de andere. Het was precies zoals Jezus had geprofeteerd (Luk. 19:41-44; 21:20-24). Maar Gods volk buiten Judéa was actief en waakzaam gebleven. Zij hadden op Jehovah gewacht. Hun geloof had hun redding bewerkt.
21. Welke opmerkelijke vervulling van bijbelse profetieën heeft zich sinds 1945 voorgedaan?
21 Thans bevinden wij ons in een soortgelijke situatie. De christenheid is de hedendaagse tegenhangster van de ontrouwe stad Jeruzalem uit de oudheid. Het „walgelijke ding” uit Jezus’ profetie wordt door de Schrift duidelijk geïdentificeerd als de huidige organisatie van de Verenigde Naties, ofte wel het ’scharlakengekleurde wilde beest’ van Openbaring hoofdstuk 17. Toen dat „beest” in 1945 uit de afgrond te voorschijn kwam, kon het wereldrijk van valse religie, „Babylon de Grote”, waarvan de christenheid het voornaamste deel vormt, het gaan berijden en er enige macht over uitoefenen.
22. Welke veranderde situatie is thans in de V.N. kenbaar, hetgeen wat beduidt?
22 Thans is dit echter anders. Natiën die religie als „opium voor het volk” beschouwen, verkrijgen grote macht in de V.N. Zij vormen een ware bedreiging voor het werkterrein van de religies van de christenheid en in feite van alle religies. Wij kunnen heel spoedig het schouwspel verwachten dat de „tien horens” van het „wilde beest” zich tegen wereldreligie keren en zelfs het religieuze rijk van de christenheid verwoesten. De „grote verdrukking” zal dan zijn begonnen en snel haar hoogtepunt in Har–mágedon bereiken. — Openb. 17:12-18; 19:19-21.
23. (a) Wat moeten wij, met het oog op de kritieke situatie op aarde, thans doen? (b) Hoe kunt u erin slagen als overwinnaar van de wereld te voorschijn te komen?
23 Wat moeten Jehovah’s Getuigen doen nu zij deze kritieke situatie op aarde zien? Wij moeten ons ervan vergewissen dat onze vlucht naar de beschermende „berg” van Gods koninkrijk volledig is. Wij moeten de overwinning door ons geloof zonder wankelen voortzetten. Wij moeten vastbesloten zijn overwinnaars te zijn door bemiddeling van onze God die ons liefheeft. Zolang er nog tijd voor is, moeten wij ijverig blijven deelnemen aan de prediking van dit goede nieuws van het Koninkrijk op de gehele aarde en aan het maken van discipelen. Zult u, met alle Getuigen van Jehovah overal ter wereld, blijven vaststaan „in één geest, één van ziel zijde aan zijde strijdend voor het geloof van het goede nieuws”? (Fil. 1:27) Zult u aldus de naam van Jehovah en het koninkrijk van zijn Zoon, Jezus Christus, verheerlijken? Door dit te doen, zult ook u de verwachting kunnen koesteren er door geloof op glorierijke wijze in te slagen als overwinnaar van de wereld te voorschijn te komen.
[Illustratie op blz. 24]
ZIE EROP TOE DAT UW HART NOOIT BEZWAARD WORDT MET OVERMATIG ETEN EN DRINKEN