Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w79 15/2 blz. 29-31
  • De Bergrede — „Blijft vragen”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De Bergrede — „Blijft vragen”
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Vergelijkbare artikelen
  • Zijn Jezus’ woorden van invloed op je gebeden?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Vrees Jehovah, de Hoorder van het gebed
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • De Gulden Regel — Wat wordt ermee bedoeld?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1989
  • Jehovah ’geeft heilige geest aan wie hem erom vragen’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
w79 15/2 blz. 29-31

De Bergrede — „Blijft vragen”

NA ZIJN luisteraars de raad gegeven te hebben geen ongunstig oordeel over hun medemensen te vellen, zei Jezus: „Blijft vragen, en het zal u gegeven worden; blijft zoeken, en gij zult vinden; blijft kloppen, en u zal opengedaan worden.” — Matth. 7:7.a

Met deze woorden spoorde de Zoon van God zijn discipelen ertoe aan in gebed te volharden. Hier bestond een dwingende noodzaak toe. De Bergrede had duidelijk aangetoond dat rechtvaardigheid in Gods ogen niet louter een kwestie was van het verrichten van religieuze en liefdadige werken (Matth. 5:20; 6:1). Willen daden van aanbidding zinvol zijn, dan moeten ze uit een juiste beweegreden van het hart voortspruiten en derhalve ook vergevensgezindheid, eerbaarheid, waarheidsgetrouwheid en liefde weerspiegelen (Matth. 5:22, 27, 28, 33-37, 43-48). Aangezien deze eigenschappen tegen de zondige menselijke aard indruisen, zouden de discipelen God geregeld moeten smeken hen erbij te helpen aan zijn vereisten voor de ware aanbidding te voldoen.

Zij moesten dus ’blijven vragen’ om de noodzakelijke kracht en wijsheid om een godvruchtig leven te leiden (2 Kor. 4:7; 2 Petr. 1:3). Zij moesten deze ’blijven zoeken’ zoals zij verborgen schatten zouden zoeken. (Vergelijk Matthéüs 13:44.) Zij moesten „blijven kloppen” om de zegeningen die God heeft weggelegd voor degenen die zijn goedkeuring ontvangen, volledig te kunnen verwerven. — Zie Lukas 13:24, 25.

Personen die oprecht om zulke zegeningen bidden en in harmonie met hun gebeden werken, kunnen aanmoediging putten uit Jezus’ verdere woorden: „Al wie vraagt, ontvangt, en, al wie zoekt, vindt, en al wie klopt, zal opengedaan worden” (Matth. 7:8). Dit wil niet zeggen dat mensen maar om alles kunnen bidden wat zij graag zouden willen hebben en dan verhoord zullen worden. Een juist gebed moet altijd in overeenstemming zijn met Gods wil (1 Joh. 5:14). De discipelen van Jezus konden echter het vertrouwen hebben dat God hun gebeden om hulp bij het ten uitvoer brengen van de ware aanbidding, zou verhoren.

De Zoon van God gaf in dit verband een illustratie: „Of is er soms iemand onder u die wanneer zijn zoon om brood vraagt, hem een steen zal geven? Of, misschien zal hij om een vis vragen — hij zal hem dan toch geen slang geven?” — Matth. 7:9, 10.

Gedurende de eerste eeuw G.T. bakte men in Israël brood in de vorm van platte koeken die op bepaalde stenen leken. Sommige kleine slangen leken op de vissen die vaak met brood gegeten werden. (Zie Johannes 6:9.) Als een kind zijn vader om brood zou vragen, zou de vader hem niet bedriegen en zijn kind niet tergen door hem een steen te geven. Als de zoon om een vis zou vragen om die samen met brood te eten, zou zijn vader hem geen slang geven. Door de natuurlijke genegenheid die er tussen vader en zoon bestaat, zou het uitgesloten zijn dat de vader zo zou handelen.

„Als gij dus”, zo vervolgde Jezus, „ofschoon gij boos zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemelen is, goede dingen geven aan wie hem erom vragen?” — Matth. 7:11.

Alhoewel vaders op aarde als gevolg van de overgeërfde zonde ’boos zijn’, geven zij hun kinderen geen schadelijke artikelen die alleen maar op de gevraagde dingen lijken. In plaats daarvan doen menselijke ouders hun best hun kinderen „goede gaven” te geven. „Hoeveel te meer” zal God, wiens liefde volmaakt is, de gebeden van zijn toegewijde aanbidders verhoren (1 Joh. 4:8). Hij zal zijn dienstknechten „goede dingen” schenken, vooral heilige geest, die hen kan sterken om in overeenstemming met Gods vereisten heilige dienst te blijven verrichten. (Vergelijk Lukas 11:13.) De Allerhoogste zal dit echter alleen doen voor degenen die „hem erom [blijven] vragen”.

Vervolgens voegde Jezus hier een gedragsregel aan toe die veel bekendheid heeft verworven: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen; dit is trouwens de betekenis van de Wet en de Profeten.” — Matth. 7:12.

God legt een vaderlijke houding jegens zijn dienstknechten aan de dag door hun gebeden te verhoren. Vandaar dat zij op hun beurt hun medemensen op juiste wijze moeten bejegenen. Alleen op deze wijze kunnen zij er blijk van geven zonen van God te zijn, dat wil zeggen, personen te zijn die zijn welwillende houding imiteren en die ervoor in aanmerking komen dat hij hun gebeden bereidwillig verhoort. — Vergelijk Matthéüs 5:44-48; 1 Petrus 3:7.

In het boek A Pattern for Life wordt over deze „gulden regel” opgemerkt:

„Varianten op de Regel kunnen zowel in joodse als heidense bronnen aangetroffen worden, alsof hierdoor wordt bewezen dat God de mens vóór de komst van Christus niet zonder kennis van de hoogste moraal had gelaten. In Tob[it, een van de apocriefe boeken] 4:15 lezen wij: ’Wat gij haat, doe dat niemand aan.’ Hillel [een rabbijn die ten tijde van Jezus leefde] zei: ’Wat u onaangenaam is, doe dat niemand anders aan.’ De Stoïcijnen hadden een stelregel: ’Doe een ander niet aan wat uzelf niet zou willen meemaken.’ In Confucius vinden wij: ’Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.’”

Deze uitspraken zijn echter alle negatief, want mensen worden er hierdoor toe aangemoedigd anderen geen behandeling toe te dienen die zij niet zouden willen terugontvangen.

Personen die acht zouden slaan op het voorbeeld van de Zoon van God, zouden echter verder moeten gaan dan het alleen maar te vermijden anderen onheus te bejegenen. Zij moeten het initiatief nemen om goede dingen voor hun medemensen te doen, ja, ’alles wat zij willen dat de mensen voor hen doen’. Wanneer A. B. Bruce in The Expositors Greek Testament deze raad met de overeenkomstige verklaringen van negatieve strekking in niet-bijbelse geschriften vergelijkt, merkt hij op:

„Het negatieve beperkt ons tot het gebied van gerechtigheid; het positieve brengt ons in het gebied van edelmoedigheid of gunst, en omvat derhalve de wet en de profeten. Wij wensen veel meer dan dat waarop wij aanspraak kunnen maken — wij willen graag geholpen worden in nood, aangemoedigd in strijd, verdedigd wanneer wij verkeerd worden voorgesteld en beschermd wanneer wij met onze rug tegen de muur staan. Christus wil ons dit alles op een grootmoedige, welwillende wijze laten doen, zodat wij niet slechts [rechtvaardig] maar [goed] zijn.” — Zie Romeinen 5:7.

„De Wet en de Profeten” hebben betrekking op uiterst belangrijke Hebreeuwse Geschriften. Wanneer mensen anderen behandelen op de wijze waarop zij willen dat anderen hen behandelen, handelen zij in harmonie met de werkelijke geest die achter Gods wet schuilgaat. „Zijt niemand iets schuldig”, schrijft de apostel Paulus, „dan elkaar lief te hebben; want hij die zijn medemens liefheeft, heeft de wet vervuld. Want het wetsreglement: ’Gij moogt geen overspel plegen, Gij moogt niet moorden, Gij moogt niet stelen, Gij moogt niet begeren’, en welk ander gebod er ook is, wordt samengevat in dit woord, namelijk: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ De liefde berokkent de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling van de wet.” — Rom. 13:8-10; vergelijk Matthéüs 22:37-40.

[Voetnoten]

a Jezus’ woorden in Matthéüs 7:7-11 komen ook in Lukas 11:9-13 voor, in een omlijsting van gebeurtenissen die zich ongeveer anderhalf jaar na de Bergrede in Judéa hebben voorgedaan. Jezus heeft het klaarblijkelijk passend geacht de raad te herhalen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen