Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w78 15/1 blz. 12-16
  • Gehoorzaamheid aan het goede nieuws een levenswijze

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gehoorzaamheid aan het goede nieuws een levenswijze
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GAAT HET HET MENSELIJKE VERMOGEN TE BOVEN EEN CHRISTEN TE ZIJN?
  • HOE BELANGRIJK IS DE BIJBEL ALS RICHTSNOER IN HET LEVEN?
  • MOET MEN ALS CHRISTEN EEN ASCETISCH LEVEN LEIDEN?
  • HET AANDEEL DAT WAARHEIDSGETROUWHEID IN HET LEVEN VAN EEN CHRISTEN HEEFT
  • Zonde
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Persoonlijk voordeel trekken van de wetten en beginselen van de bijbel
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Hoe er een einde zal komen aan misdaad
    Ontwaakt! 1979
  • Waarheid
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
w78 15/1 blz. 12-16

Gehoorzaamheid aan het goede nieuws een levenswijze

„Wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” — Micha 6:8.

1. Hoe bezien mensen thans vaak hun religie?

HET is tegenwoordig gewoon wanneer mensen belijden de dogma’s van een religie te geloven maar in gebreke blijven deze leringen in hun dagelijks leven toe te passen. Vaak beschouwen mensen religie als iets waartoe men moet „behoren”, maar niet als iets waardoor men zijn daden thuis, in het zakenleven en in de omgang met anderen moet laten beïnvloeden.

2. Waarom werd het christendom in de eerste eeuw „De Weg” genoemd?

2 Het ware christendom is echter geen kwestie van uiterlijk vertoon. In de vroege dagen van het christendom werd het zelfs „De Weg” genoemd, omdat het meer dan formele aanbidding was (Hand. 19:9, 23). Het was een LEVENSWIJZE waarin de aanbidding van God, zoals die door zijn geest werd geleid, centraal stond (Joh. 4:23, 24; 1 Kor. 2:11-13). Overal in de christelijke Geschriften treffen wij krachtige uitingen aan waaruit blijkt dat halfslachtige dienst voor God onaanvaardbaar is. Tot degene die een werkelijke christen wil zijn, wordt gezegd: ’Hervorm uw geest’, ’word nieuw gemaakt in de kracht die uw denken aandrijft’ en ’doe de nieuwe persoonlijkheid aan’ (Rom. 12:2; Ef. 4:22-24). Behalve de aansporing tot ijverige getuigenisactiviteit, wordt voortdurend de nadruk gelegd op een goed gedrag. — 1 Petr. 1:15; 2:12; 3:16; 5:12.

3. In hoeverre oefent het ware christendom invloed uit op iemands leven?

3 Het ware christendom strekt zich dan ook tot elk aspect van het leven uit, van de afzonderlijke persoon en van het gezin. Een christen moet God ’met geheel zijn hart en geheel zijn ziel en geheel zijn verstand en geheel zijn kracht’ liefhebben en dienen (Mark. 12:30). Hierdoor wordt geen enkel deel van zijn lichaam, zijn leven of zijn persoonlijkheid buiten beschouwing gelaten. — Matth. 22:37-39.

GAAT HET HET MENSELIJKE VERMOGEN TE BOVEN EEN CHRISTEN TE ZIJN?

4, 5. (a) Eist God bijzonder moeilijke of onredelijke dingen van een christen? (b) Overschaduwt de moeilijkheid om een christen te zijn, de voordelen die dit in deze wereld heeft?

4 Is het dan buitengewoon moeilijk een christen te zijn? Eist God meer dan redelijk is, of eist hij iets „groots” of iets wat het menselijke vermogen te boven gaat? Neen. Hij zei tot zijn volk Israël uit de oudheid: „Hij heeft u verteld, o aardse mens, wat goed is. En wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” — Micha 6:8.

5 Wat is er nu echt moeilijk of onredelijk aan dit vereiste? In werkelijkheid behaagt het God als mensen leven zoals zij van nature werden geschapen om te leven — zoals zij behoren te leven — dat is alles. Het is waar dat het volgen van deze handelwijze in een wereld die van Gods maatstaven is afgeweken, tegenstand en moeilijkheden met zich zal brengen (Joh. 16:33; 2 Tim. 3:12). Het feit doet zich echter voor dat iemand die overeenkomstig Gods maatstaven leeft, een rustiger geweten heeft, zich in grotere vrede des geestes verheugt en bovendien een doel in het leven bezit en een hoop in het vooruitzicht heeft. — 1 Tim. 4:8; 6:6-8.

6. Welke voorziening heeft God getroffen, zodat wij ondanks onze onvolmaaktheid met succes een christelijke levenswijze kunnen volgen?

6 Met het oog op onze onvolmaaktheid kan het iemand moeilijk toeschijnen bijbelse beginselen te volgen en de goede vruchten ervan voort te brengen. Het is waar dat onvolmaakte mensen vele en soms ernstige fouten begaan, maar juist met het oog hierop werd Christus’ zoenoffer verschaft. Een berouwvolle christen kan op grond hiervan tot God naderen ten einde vergeving te ontvangen, terwijl hij door Gods geest geholpen zal worden zijn persoonlijkheid te hervormen — zijn wegen dusdanig te veranderen dat ze steeds meer in overeenstemming geraken met Gods wegen (Hebr. 4:15, 16; 2 Kor. 3:17, 18). De apostel Johannes schreef aan medechristenen: „Mijn kindertjes, ik schrijf u deze dingen opdat gij geen zonde begaat. Mocht iemand niettemin een zonde begaan, dan hebben wij een helper bij de Vader, Jezus Christus, een rechtvaardige. En hij is een zoenoffer voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze [van gezalfde christenen], maar ook voor die van de gehele wereld [de zonden van alle anderen van de mensheid].” — 1 Joh. 2:1, 2.

HOE BELANGRIJK IS DE BIJBEL ALS RICHTSNOER IN HET LEVEN?

7. Hoe beschouwen en gebruiken ware christenen de bijbel?

7 Aangezien christenen beseffen dat zij Gods leiding nodig hebben om zijn rechtvaardige beginselen te kunnen volgen, zullen zij bijbelstudie tot een geregeld onderdeel van hun leven maken. Zij houden krachtig vast aan de verklaring van de apostel Paulus dat „de gehele Schrift . . . door God [is] geïnspireerd en nuttig [is] om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid, opdat de mens Gods volkomen bekwaam zij, volledig toegerust tot ieder goed werk”. — 2 Tim. 3:16, 17.

8. Moeten wij als wij de bijbel als geïnspireerd aanvaarden, alles wat erin staat letterlijk opvatten? Geef voorbeelden.

8 De gehele bijbel — zowel de Hebreeuwse Geschriften, of het „Oude Testament”, als de Griekse Geschriften, of het „Nieuwe Testament” — bevat dus het volledige Woord van God, dat geheel en al waar is en door God is geïnspireerd om als een richtsnoer te dienen waardoor een christen zich in al zijn wegen kan laten leiden. Dit wil echter niet zeggen, zoals sommige fundamentalisten geloven, dat alles wat in de bijbel staat, letterlijk opgevat moet worden. Het is waar dat er veel letterlijke geboden in staan. Maar de bijbel bevat ook veel geschiedenis en er komen eveneens veel symbolische en zinnebeeldige verklaringen in voor. Wereldregeringen worden bijvoorbeeld soms door beesten afgebeeld (Dan. 8:1-8, 20-22; Openb. 17:3, 9-12). En een „dag” kan zowel betrekking hebben op een dag van vierentwintig uur als een periode van jaren aanduiden (Gen. 2:4; Joh. 8:56). De context en andere verwante verklaringen in de bijbel helpen de bijbelstudent te onderscheiden welke teksten letterlijk zijn en welke symbolisch en profetisch opgevat moeten worden.

9. Waarom is de gehele bijbel waardevol voor een christen?

9 Met deze kijk op de bijbel bestuderen christenen zowel de christelijke Griekse Geschriften — die veel rechtstreekse geboden en wetten bevatten — als de Hebreeuwse Geschriften, waarin veel beginselen, illustraties en profetieën staan opgetekend en die een verslag bevatten van werkelijke historische gebeurtenissen welke Gods houding en zienswijze ten aanzien van aangelegenheden van het leven onthullen (1 Kor. 10:11). Overal in de gehele bijbel worden vele voorvallen en gebeurtenissen vermeld die te kennen geven hoe God ten aanzien van verschillende situaties en omstandigheden handelt. Door al deze dingen leert men de persoonlijkheid van God kennen en wordt een christen geholpen „de zin [te hebben] van Christus”, die God beter kent dan wie maar ook. — 1 Kor. 2:16; Matth. 11:27.

MOET MEN ALS CHRISTEN EEN ASCETISCH LEVEN LEIDEN?

10. Hoe blijkt uit Jezus’ leven op aarde dat hij geen asceet was of volgens rituele voorschriften leefde?

10 Als een christen leven, betekent derhalve niet dat men volgens een stelsel van regels of rituele voorschriften moet leven. Christus’ leven weerspiegelt de geest en de liefde die een christen moet trachten te ontwikkelen (Matth. 5:44; 1 Joh. 5:3). Jezus was iemand die in alle opzichten God behaagde (Joh. 8:29). Hij heeft geen enkele onrechtvaardigheid begaan. Maar niettegenstaande zijn volmaaktheid, was hij toch geen asceet. Hij aanvaardde uitnodigingen voor bruiloften en feestmalen en waardeerde de goede dingen van het leven (Joh. 2:1-10; Luk. 5:29; Matth. 11:18, 19). Hij spreidde in alles matigheid ten toon en eiste van zichzelf of van anderen niet meer dan wat redelijk was (Mark. 6:31; Joh. 4:6). Jezus schepte vreugde in het leven en ook in het werk dat hij deed door anderen te helpen meer over God te weten te komen (Joh. 4:34). Hij vergeleek zijn rechtvaardigheid niet voortdurend met de fouten van anderen. Hij was mededogend en barmhartig jegens mensen (Matth. 9:36; Mark. 1:41). Hij veroordeelde echter kwaaddoen en stelde huichelarij aan de kaak. — Matth. 15:1-9; 23:23-32.

11. (a) Kunnen Jehovah’s Getuigen hun onvolmaaktheid als excuus voor zonde aanvoeren, of roemen op hun eigen rechtvaardigheid? (b) Welke strijd bespeurt iedere christen, zoals door de apostel Paulus wordt beschreven?

11 Jezus heeft in deze dingen het voorbeeld voor christenen gesteld. Zij beseffen natuurlijk dat zij, in tegenstelling tot Jezus, niet volmaakt zijn, maar zij streven er oprecht naar zijn voorbeeld na te volgen. Zij trachten het te vermijden kwaad te doen, maar zij beseffen dat de rechtvaardigheid díe zij bezitten, te danken is aan de barmhartigheid van God en een gevolg is van het naleven van de bijbel. Ze kan niet aan henzelf worden toegeschreven. Evenals de psalmist beseffen zij: „Indien gij op dwalingen zoudt letten, o Jah, o Jehovah, wie zou stand kunnen houden?” (Ps. 130:3) Zij weten dat zij zondaars zijn en dat zij soms verkeerde dingen doen, zoals de apostel Paulus zelf opmerkte:

„Ik bemerk in mijn geval dan deze wet: dat wanneer ik het juiste wens te doen, het slechte bij mij aanwezig is. Naar de innerlijke mens schep ik werkelijk behagen in de wet van God, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij in gevangenschap voert aan de wet der zonde, die in mijn leden is. Ellendig mens die ik ben! Wie zal mij verlossen van het lichaam dat deze dood ondergaat? God zij gedankt door bemiddeling van Jezus Christus, onze Heer! Zo ben ik dan zelf met mijn verstand een slaaf van Gods wet, maar met mijn vlees van de wet der zonde.” — Rom. 7:21-25.

12, 13. (a) Hoe vermijden christenen het „al te rechtvaardig” of „bovenmate wijs” te zijn? (b) Wat doet een christelijke getuige als hij door zonde wordt overvallen? (c) Waarom brengen de Getuigen het „goede nieuws” naar anderen?

12 Iemand die werkelijk „De Weg” volgt, tracht het derhalve te vermijden „al te rechtvaardig” of „bovenmate wijs” te zijn in de zin dat hij geen air van wijsheid of zelfrechtvaardigheid aanneemt en op de fouten en het slechte oordeel van anderen let (Pred. 7:16). Hij stelt zich daarentegen in alle oprechtheid rechtvaardigheid ten doel. Hij geeft niet in zwakheid toe aan verkeerde verlangens of zwicht niet voor druk als gevolg waarvan hij ertoe gebracht zou kunnen worden ernstige overtredingen te begaan, waardoor hij zijn rechtschapenheid jegens God zou verbreken. Niettemin zal onvolmaaktheid hem er soms toe brengen fouten te begaan en te zondigen. Indien hij inderdaad een zonde begaat, erkent hij dit en heeft hij er berouw over, terwijl hij Jehovah in Christus’ naam om vergeving vraagt (Hand. 10:43). Hij verlaat zich op Christus’ volmaakte offer als een basis voor vergeving van zonden (1 Tim. 2:5, 6). Vervolgens doet hij alle mogelijke moeite om die zonde niet te herhalen. Hij weet dat het volgen van een zondige handelwijze verlies van Gods gunst tot gevolg zal hebben. Uit naastenliefde geeft hij het „goede nieuws” dat hij heeft gevonden, aan anderen door. Als een ijverige bekendmaker van het „goede nieuws” tracht hij mensen te helpen inzien dat zij geloof nodig hebben en hoe belangrijk het is hun leven in overeenstemming te brengen met bijbelse beginselen. Hij wijst hierbij op voorbeelden als Jezus Christus en andere personen wier geloofsleven in de bijbel wordt beschreven. — Hebr. 11:1–12:3.

13 Aangezien bij gehoorzaamheid aan het goede nieuws het gedrag van een christen in alle dingen betrokken is, bespreken wij hier enkele van de fundamentele maatstaven die God voor allen die christenen willen zijn, heeft uiteengezet.

HET AANDEEL DAT WAARHEIDSGETROUWHEID IN HET LEVEN VAN EEN CHRISTEN HEEFT

14, 15. (a) Waarom moet Jehovah ’met waarheid’ worden aanbeden? (b) Wat betekent „waarheid” voor de gezinskring?

14 Aangezien Jehovah God de mens heeft gemaakt en zijn behoeften kent, is het voor het welzijn van de mens van het allergrootste belang dat hij leeft overeenkomstig de morele maatstaven die God in de bijbel kenbaar heeft gemaakt. Jehovah is allereerst „de God der waarheid” (Ps. 31:5). Hij moet „met geest en waarheid” aanbeden worden (Joh. 4:24). Waarheidsgetrouwheid is van het allergrootste belang, niet alleen om vrede met God te hebben, maar ook om in vrede met anderen te leven. De apostel Paulus geeft christenen de raad: „Nu gij daarom onwaarheid hebt weggedaan, spreekt waarheid, een ieder van u met zijn naaste.” — Ef. 4:25.

15 Sta er eens bij stil wat „waarheid” in de gezinskring betekent. Indien altijd de „waarheid” wordt gesproken, bestaat er vertrouwen tussen de gezinsleden. Er bestaat respect en een intieme band tussen man en vrouw. De ’communicatiekloof’ bestaat niet. Kinderen zijn er verlangend naar hun ouders te laten weten wat er in hun leven voorvalt, want zij hebben het vertrouwen dat zij met consideratie bejegend zullen worden en dat zij leiding zullen ontvangen bij het oplossen van hun problemen. Zij weten ook dat hun ouders niet het ene zeggen en het andere doen. Zij kunnen in elke situatie op hulp van hun ouders rekenen.

16. Hoe beklemtonen Jezus’ woorden in Johannes 14:6 dat een christen waarheidsgetrouw moet zijn?

16 Jezus Christus zei: „Ik ben de weg en de waarheid en het leven” (Joh. 14:6). De „weg” voor een christen is: net als Jezus te denken, te voelen en te handelen. Dit maakt het voor hem noodzakelijk in alle opzichten de „waarheid” te volgen, evenals Jezus alles heeft volbracht wat God voor hem had uitgestippeld. In het volgende artikel worden enkele andere vereisten van die „weg” besproken.

„Want dit betekent de liefde tot God, dat wij zijn geboden onderhouden; en toch zijn zijn geboden geen drukkende last.” — 1 Joh. 5:3

[Illustraties op blz. 14]

Jezus behaagde God, had mededogen met anderen, maar was geen asceet . . .

En hij spreidde volstrekt niet de trots en schijnheiligheid van de Farizeeën ten toon

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen