Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 15/5 blz. 314-315
  • Titus: Voortreffelijke raad om ’gezond te blijven in het geloof’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Titus: Voortreffelijke raad om ’gezond te blijven in het geloof’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Vergelijkbare artikelen
  • Bijbelboek nummer 56 — Titus
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Titus kwijt zich van een zware toewijzing
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Titus — „Een medewerker voor uw belangen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Titus
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 15/5 blz. 314-315

Titus: Voortreffelijke raad om ’gezond te blijven in het geloof’

ALLE werkelijk opgedragen christenen weten dat zij hun Schepper Jehovah God alleen kunnen behagen door evenwichtig, sterk en ’gezond in het geloof’ te zijn. Er is hun derhalve veel aan gelegen dat zij door hun opzieners in de „gezonde leer” worden onderwezen. In zijn brief aan Titus toont de apostel Paulus zich er terecht bezorgd over dat Titus en andere opzieners gezond onderwijs geven en dat degenen ten behoeve van wie zij dienst verrichten, „gezond . . . zijn in het geloof”. — Tit. 1:9, 13; 2:1, 2, 6.

Wanneer schreef de apostel Paulus deze brief aan Titus? Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij hem tussen zijn eerste en tweede gevangenzetting, namelijk tussen 61 en 64 G.T., geschreven. Evenals in het geval van Paulus’ brieven aan Timótheüs heeft zijn brief aan Titus betrekking op activiteiten die niet in het boek Handelingen worden vermeld. Paulus’ tweede brief aan Timótheüs, die werd geschreven toen hij in gevangenschap was of onder huisarrest stond, geeft te kennen dat hij na een vroegere gevangenschap een tijdlang in vrijheid is geweest en dat dit zijn tweede gevangenschap was. Titus moet hem derhalve gedurende deze tijd van vrijlating hebben vergezeld toen hij tot de Kretenzers predikte. Toen Paulus het noodzakelijk oordeelde Kreta te verlaten, gaf hij Titus de opdracht zorg te dragen voor bepaalde ’onafgedane kwesties’, hetgeen onder andere beslist ook inhield dat hij de judaïsten onder degenen die met de gemeenten op Kreta verbonden waren, moest weerleggen.

Dat Paulus Titus met deze taak belastte, geeft te kennen dat hij een groot vertrouwen in hem stelde, zoals ook blijkt uit zijn brieven aan anderen. Zo schreef hij aan de Korinthiërs: „Mocht er . . . enige twijfel bestaan omtrent Titus, hij is een deelhebber met mij en een medewerker voor uw belangen”. Ja, Titus bezat dezelfde onzelfzuchtige geestesgesteldheid als Paulus. — 2 Kor. 7:6; 8:6, 16, 17, 23.

Paulus’ brief aan Titus vertoont veel overeenkomsten met de eerste brief aan Timótheüs. In beide brieven geeft Paulus onder andere uitdrukkelijke instructies over de hoedanigheden van opzieners en hoe christelijke vrouwen zich dienen te gedragen. Titus schijnt echter niet zo intiem met Paulus bevriend geweest te zijn als Timótheüs, want in de brief aan Titus komt een minimum aan persoonlijke verwijzingen voor terwijl Paulus’ brieven aan Timótheüs overlopen van persoonlijke verwijzingen naar zowel zichzelf als naar Timótheüs.

Wij bespeuren in Paulus’ brief aan Titus ook een enigszins andere toon dan in zijn brieven aan Timótheüs. Dit moet ongetwijfeld worden toegeschreven aan de soort van mensen met wie Titus moest werken. Paulus citeert een Kretenzische profeet die zijn eigen landgenoten ervan beschuldigt leugenachtig, lui, schadelijk en gulzig te zijn. Wanneer men iemand destijds een Kretenzer noemde, betekende dit op sommige plaatsen zelfs dat men hem een leugenaar noemde. Christenen die uit zo’n omgeving kwamen, zouden het er beslist veel moeilijker mee hebben hun persoonlijkheid te veranderen. Zo valt het ons op dat hoewel de vereisten die Paulus voor opzieners opnoemt, in beide brieven grotendeels overeenkomen, aan Titus bovendien wordt gezegd dat opzieners zelfbeheersing moeten hebben en in staat moeten zijn „de tegensprekers terecht te wijzen”. Verderop wordt Titus ertoe aangespoord tegensprekers ’streng terecht te wijzen’ en te blijven „vermanen en terechtwijzen met volledige autoriteit”. Met betrekking tot iemand die „een sekte bevordert”, dat wil zeggen, die verdeeldheid veroorzaakt, kreeg Titus de opdracht ’hem na een eerste en een tweede waarschuwing te verwerpen’. — Tit. 1:9, 13; 2:15; 3:10.

Bij een vergelijking van Paulus’ omgang met Timótheüs en met Titus hebben sommigen zich afgevraagd waarom Paulus de kwestie van de besnijdenis in beide gevallen zo anders aanpakte. In Handelingen 16:3 wordt gezegd dat Paulus Timótheüs liet besnijden. Maar in Galáten 2:3 zegt Paulus: „Zelfs Titus, die bij mij was, [werd] niet gedwongen zich te laten besnijden, ofschoon hij een Griek was.” Hoe moet dit worden uitgelegd?

Aangezien het bekend was dat Timótheüs een joodse moeder had, zouden mensen van hem kunnen verwachten dat hij besneden was. De besnijdenis zou zeer waardevol zijn om hem aanvaardbaar te maken voor de joden. In het geval van Titus was het echter meer een principiële kwestie. Hij was een Griek; zijn beide ouders waren ongetwijfeld niet-joden. Bovendien beklemtoont Paulus dat zelfs Titus niet werd „gedwongen” zich te laten besnijden. Dit schijnt erop te duiden dat er van de zijde van de judaïstische christenen druk was uitgeoefend om Titus te laten besnijden. Ongetwijfeld met de bedoeling zijn standpunt zo krachtig mogelijk duidelijk te maken, had Paulus de onbesneden Titus naar de vergadering in Jeruzalem meegenomen, waar de apostelen en andere mannen na veel geredetwist de beslissing namen dat heidense christenen niet besneden hoefden te worden en niet alle vereisten van de Wet hoefden te onderhouden.

Met het oog op de geestelijke gezondheid van allen in de gemeente bespreekt Paulus het gedrag van verscheidene groepen die er deel van uitmaken. Hij wil vooral dat de oudere mannen „gezond in geloof, in liefde, in volharding” zijn. Zij moeten ook „matig in gewoonten zijn, ernstig, gezond van verstand”. Dit is werkelijk wijze raad; sommige oudere mannen zijn inderdaad geneigd kwesties die ernstig opgenomen moeten worden, licht op te vatten. Ook jongere mannen moeten „gezond van verstand” zijn. — Tit. 2:2, 6.

Vanzelfsprekend moeten ook oudere christelijke vrouwen, alsook jongere vrouwen, „gezond . . . in het geloof” zijn. Wat wordt er met het oog hierop van hen verlangd? „De bejaarde vrouwen [moeten] eerbiedig in hun gedrag zijn, geen lasteraarsters, noch verslaafd aan veel wijn, het goede onderwijzende, opdat zij de jonge vrouwen tot bezinning mogen brengen hun man lief te hebben, hun kinderen lief te hebben, gezond van verstand te zijn, eerbaar te zijn, thuis te werken, goed te zijn, zich aan hun eigen man te onderwerpen, zodat er niet schimpend over het woord van God wordt gesproken.” Wat is dit een passende raad voor onze tijd, nu krachtige nadruk op ’emancipatie’ voor de vrouw zulke slechte vruchten voortbrengt als een alarmerend groot aantal gevallen waarin moeders hun gezin in de steek laten en een enorme toename in het aantal misdrijven onder vrouwen! — Tit. 2:3-5.

Vervolgens geeft Paulus Titus de raad slaven ertoe aan te sporen volledig met hun meester samen te werken en eerlijk te zijn, zodat hun gedrag geen ongunstig licht werpt op hun christelijke religie maar deze integendeel aanbeveelt. Dit is beslist bijzonder passende raad voor alle werknemers in deze tijd.

Allen die „gezond . . . in het geloof” willen zijn, moeten beslist acht slaan op Paulus’ verdere vermaning om „goddeloosheid en wereldse begeerten [te] verzaken en met gezond verstand en rechtvaardigheid en godvruchtige toewijding te . . . leven”. Wij moeten ook onderworpen zijn aan wereldse regeringen en dienen „bereid te zijn tot elk goed werk, over niemand nadelig te spreken”. Wat is laatstgenoemde raad passend! Wegens de gedegenereerde menselijke aard zijn wij namelijk snel geneigd nadelig of slecht van anderen te spreken, vooral als zij ons beledigd hebben. In plaats van strijdlustig te zijn, zullen wij redelijk moeten zijn en jegens allen zachtaardigheid moeten tonen, ook al zijn de mensen om ons heen buitengewoon zelfzuchtig. Gods heilige geest en zijn liefde voor de mensheid, zoals uit de gave van zijn Zoon blijkt, hebben ons echter van de wegen van de wereld bevrijd en ons de hoop op eeuwig leven geschonken. — Tit. 2:12; 3:1, 2, 4-8.

Paulus’ brief aan Titus bevat beslist veel voortreffelijke raad voor allen in de christelijke gemeente: raad voor alle ouderlingen, opdat zij de „gezonde leer” mogen onderwijzen, en voor alle gelovigen, opdat zij „gezond . . . in het geloof” mogen zijn.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen