Maria — Gezegend onder de vrouwen
HET was voor een vrouw een eer in de afstammingslijn geboren te zijn die tot de Messías leidde. Hoe bijzonder begunstigd zou de vrouw die werkelijk de moeder van de Messías werd, dan wel zijn! Zoals de bijbel aantoont, was een maagd uit het koninklijke huis van David, Maria, zo onder vrouwen gezegend.
De engel Gabriël vertelde Maria over de taak die God voor haar in gedachten had. Volgens de weergave van de tekst in de katholieke Petrus-Canisiusvertaling begroette Gabriël Maria met de woorden: „Wees gegroet, vol van genade. De Heer is met u” (Luk. 1:28). Op grond van deze woorden hebben veel mensen de conclusie getrokken dat Gabriël Maria een speciale mate van heiligheid toekende.
Vestigden Gabriëls woorden echter de aandacht op Maria’s „heiligheid”? Neen. Merk op hoe Gabriëls begroeting in de Sint-Willibrordvertaling is weergegeven: „Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.” In de voetnoot bij deze tekst komt de volgende verklaring voor: „Begenadigde: het hier gebruikte deelwoord van de voltooid verleden tijd, duidt aan dat Maria door God tot voorwerp van genade, liefde en gunst is gemaakt en blijft.” Dat de Allerhoogste Maria met de eer begunstigde de moeder van zijn Zoon op aarde te worden, geeft vanzelfsprekend te kennen dat zij een getrouwe en nederige dienstmaagd van God was. — Luk. 1:38, 46-50.
Was Maria echter meer dan een nederige dienstmaagd van God die het unieke voorrecht ontving de Zoon van God ter wereld te mogen brengen? Bleef zij bijvoorbeeld in een speciale toestand van „heiligheid” door altijd maagd te blijven?
Vele belijdende christenen geloven dat Maria inderdaad haar leven lang een maagd is gebleven. Zij wijzen als bewijs voor deze mening op hetgeen Maria tot de engel Gabriël zei. Toen haar werd gezegd dat zij zwanger zou worden en een zoon ter wereld zou brengen, antwoordde Maria: „Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?” (Luk. 1:34, Sint-Willibrordvertaling) In de voetnoot bij deze tekst staat: „Volgens de gebruikelijke opvatting geeft Maria door deze woorden een moeilijkheid te kennen, die geen ander is dan haar voornemen om maagd te blijven, een voornemen dat zij voor God heeft gemaakt. Daar zij verloofd is, moet Josef in dit voornemen toegestemd hebben.”
Ten einde vast te stellen of Maria vóór het bezoek van de engel Gabriël aan haar, het besluit had genomen een maagd te blijven, moeten wij de kwestie bekijken vanuit het standpunt van de tijd waarin zij leefde. Het werd in die tijd als een schande beschouwd wanneer een gehuwde vrouw kinderloos bleef. Toen Elisabeth zwanger werd van haar eerste en enige kind, Johannes, zei zij derhalve: „Dit heeft de Heer voor mij gedaan toen het Hem behaagd had mijn schande bij de mensen weg te nemen.” — Luk. 1:25, Sint-Willibrordvertaling.
Indien Maria zich dus met Jozef verloofde met de bedoeling een maagd te blijven, zou dit hebben betekend dat zij zichzelf tot een voorwerp van schande maakte. Hoe zou Jozef hebben kunnen toestemmen in een regeling waardoor zijn vrouw onder de schande van onvruchtbaarheid zou komen? Waarom zou hij opzettelijk de gelegenheid willen verbeuren een erfgenaam te hebben die zijn naam zou dragen? In de Hebreeuwse Geschriften, waarmee hij en Maria bekend waren, werd zo iets nergens aanbevolen. Hierin werd op het ouderschap gewezen als iets dat wenselijk was. In Psalm 127:3 lezen wij bijvoorbeeld: „Waarachtig; zonen zijn geschenken van Jahweh, de vrucht van de schoot een beloning!” (Petrus-Canisiusvertaling) De enige regeling die aan de Israëlieten bekend was waardoor een man of een vrouw maagdelijk kon blijven, was door ongehuwd te blijven. — Vergelijk Jeremia 16:1-4.
Jaren later hebben zowel Jezus Christus als de apostel Paulus de vrijwillig op zich genomen ongehuwde staat aanbevolen als de meest verkieslijke handelwijze voor degenen die trachtten zich zo volledig mogelijk aan geestelijke belangen te wijden (Matth. 19:12; 1 Kor. 7:28-38). Celibataire huwelijken worden echter nergens in de bijbel aangemoedigd, en ook wordt er geen speciale heiligheid aan toegekend. Het tegendeel is het geval. De geïnspireerde apostel Paulus zei tot echtparen: De man moet aan de vrouw zijn [echtelijke] plicht vervullen, zoals ook de vrouw aan den man.” — 1 Kor. 7:3, Petrus-Canisiusvertaling.
Indien Maria en Jozef dus van plan waren een celibatair huwelijk aan te gaan, zouden zij iets gedaan hebben waarvoor geen bijbels precedent bestond. Zij zouden zelfs in strijd hebben gehandeld met Gods voornemen met betrekking tot het huwelijk. Is het derhalve niet veel redelijker de conclusie te trekken dat de gedachte aan een celibatair leven nooit bij hen was opgekomen en dat zij gedurende hun huwelijk ook nooit zo hebben geleefd?
Vóór de geboorte van Jezus heeft Jozef natuurlijk geen seksuele betrekkingen met zijn vrouw gehad. In Matthéüs 1:25 (Sint-Willibrordvertaling) staat: „Hij [had] geen gemeenschap met haar, totdat zij een zoon ter wereld bracht; en hij noemde Hem Jesus.” Moet dit volgens u zo begrepen worden dat Jozef daarna geen betrekkingen met zijn vrouw had? Of duidt dit niet veeleer op niet alleen de mogelijkheid maar juist de waarschijnlijkheid dat hij na de geboorte van Jezus wel betrekkingen met Maria had?
Indien schriftuurlijk vastgesteld zou kunnen worden dat Jezus broers en zusters had, zou de vraag of Maria een maagd is gebleven, geheel zijn opgelost. De inwoners van Jezus’ woonplaats Nazareth zullen beslist de feiten gekend hebben. Wat zeiden zij? In Markus 6:2, 3 lezen wij dat zij vol verbazing over Jezus zeiden: „Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Josef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” — Sint-Willibrordvertaling.
Deze woorden werden oorspronkelijk in het Grieks opgetekend. De vraag rijst derhalve: Hoe zouden Grieks-sprekende mensen de oorspronkelijke woorden die hier met „broeder” en „zusters” zijn vertolkt, opvatten? In de New Catholic Encyclopedia (Deel 9, blz. 337) wordt toegegeven: „De Griekse woorden . . . die worden gebruikt om de verhouding aan te duiden welke er tussen Jezus en deze bloedverwanten bestond, hebben in de Grieks-sprekende wereld van de tijd waarin de evangelist leefde de betekenis van een volle broer en zuster, en zouden door zijn Griekse lezer vanzelfsprekend in deze betekenis worden opgevat.”
Dienen wij met het oog op hetgeen de bijbel over het huwelijk zegt, niet de natuurlijke betekenis van de woorden „broeder” en „zuster” te aanvaarden in plaats van te beweren dat Jezus’ broers en zusters slechts zijn familieleden, misschien zijn neven en nichten, waren? Wanneer wij deze natuurlijke betekenis aanvaarden, gaan wij beseffen dat Maria, als een nederige dienstmaagd van God, haar leven dusdanig heeft geleid dat het in harmonie was met zijn voornemen met betrekking tot het huwelijk.
De schriftuurlijke zienswijze vormt een tegenwicht tegen eventuele verwrongen ideeën over geslachtsbetrekkingen in het huwelijk. Juiste geslachtsbetrekkingen zijn op zichzelf niet verontreinigend. Niet geslachtsbetrekkingen tussen huwelijkspartners, maar celibataire huwelijken zijn in strijd met de geest van Gods Woord. De leer dat Maria altijd maagd is gebleven, geeft derhalve een verkeerd beeld van Gods voornemen met betrekking tot het huwelijk en doet het voorkomen alsof onnatuurlijke celibataire huwelijken „heilig” zijn. Dat Maria de moeder van andere kinderen is geworden, doet niets af aan het feit dat zij gezegend was onder de vrouwen doordat haar de unieke gunst werd geschonken de menselijke Zoon van God ter wereld te mogen brengen.