Kunt u zich dit herinneren?
Hebt u de laatste uitgaven van De Wachttoren zorgvuldig gelezen? Indien ja, dan zult u zich de volgende punten ongetwijfeld herinneren:
● Hoe moeten wij de woorden van Efeziërs 1:9, 10 begrijpen, waarin wordt gesproken over Gods voornemen „een bestuur te hebben, namelijk om alle dingen weer bijeen te vergaderen in de Christus, de dingen die in de hemelen en de dingen die op de aarde zijn”?
Dit „bestuur” duidt op de speciale wijze waarop God de dingen leidt, beheert of bestuurt ten einde discipelen die voor de hemel bestemd zijn onder Christus als Hoofd te verenigen en de rest van de mensheid op aarde door bemiddeling van Christus weer in harmonie met hem te brengen. — Blz. 618, 623, 624.a
● Wat bedoelde Jezus Christus toen hij zei: „Er zijn velen uitgenodigd, maar weinigen uitgekozen”? — Matth. 22:14.
De gehele natie Israël onder het Wetsverbond vormde de ’vele’ uitgenodigden, maar slechts „weinigen” van hen, louter een overblijfsel van de joden, werden als waardig voor het „koninkrijk der hemelen” uitgekozen. — Blz. 123.
● Welke ervaring van Gods dienstknechten in de tegenwoordige tijd komt overeen met de woorden van Psalm 91:7: „Duizend zullen er zelfs aan uw zijde vallen en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken”?
Gods dienstknechten zijn in hun plaats van geestelijke zekerheid gebleven, terwijl de mensen van de christenheid en het jodendom in een geestelijke dood zijn gevallen en het slachtoffer zijn geworden van het materialisme, het nationalisme, de verafgoding van de wetenschap, en dergelijke. — Blz. 158, 159, 173-175.
● „Wie is Jehovah”, dat iedereen hem zou moeten aanbidden?
Jehovah is de God van de Heer Jezus Christus, degene in wiens handen hij het Messiaanse koninkrijk heeft gelegd. Indien wij dus voordeel wensen te trekken uit de heerschappij van dat koninkrijk, dienen wij de universele Soeverein, onze Maker, te aanbidden. — Blz. 246.
● Het is waar dat mensen het lichaam kunnen doden, maar wat is de „ziel” die zij niet kunnen vernietigen? — Matth. 10:28.
Zij kunnen niet iemands door God geschonken recht om een levend wezen te zijn vernietigen. — Blz. 269.
● Welke gevoelens zouden aantonen dat iemand niet noodzakelijkerwijs het punt heeft bereikt dat hij de onvergeeflijke zonde heeft begaan?
Indien hij het oprechte verlangen heeft berouw te hebben en werkelijk het goede wil doen. — Blz. 281.
● Waarom waren er in het vroege begin van ’s mensen geschiedenis geen wetten aangaande het huwen van nauwe bloedverwanten?
Aangezien de mensen dichter bij de volmaaktheid waren, bestond er weinig gevaar dat zij daardoor kinderen met kenmerkende abnormaliteiten zouden voortbrengen. — Blz. 299.
● Wat in verband met de „godvruchtige toewijding” was een „heilig geheim”? — 1 Tim. 3:16.
Na de opstand van Adam rees de vraag welke mens zijn godvruchtige toewijding volmaakt zou kunnen behouden. Totdat Jezus Christus op het aardse toneel verscheen, bleef het antwoord op die vraag een geheim dat alleen aan God bekend was. — Blz. 335, 336.
● Waarom is de bijbel in zijn geheel Gods „woord” of boodschap?
Alles wat daarin staat, werd onder leiding van Gods geest opgetekend, zodat het Gods voornemen dient en de stof in overeenstemming met de feiten weergeeft. — Blz. 371.
[Voetnoten]
a Deze verwijzing is naar De Wachttoren van 1974. Alle volgende verwijzingen zijn naar De Wachttoren van 1975.