Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 1/9 blz. 543-544
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Vergelijkbare artikelen
  • Duma
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • „Wachter, hoe staat het met de nacht?”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Edom
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Edom, Edomieten
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 1/9 blz. 543-544

Vragen van lezers

● Wat is de toepassing van de profetie in Jesaja 21:11, 12, waar staat: „De formele uitspraak tegen Duma: Tot mij roept iemand uit Seïr: ’Wachter, hoe staat het met de nacht? Wachter, hoe staat het met de nacht?’ De wachter zei: ’De morgen moet komen, en ook de nacht. Wilt gijlieden informeren, informeert. Komt terug!’”?

De profetie is klaarblijkelijk een uitspraak tegen Edom. Het woord „Duma” schijnt niet te verwijzen naar steden of plaatsen die de naam Duma dragen. Het zou bezwaarlijk kunnen verwijzen naar het Ismaëlitische Duma (genoemd naar een zoon van Ismaël [Gen. 25:14]), ongeveer halverwege tussen Palestina en zuidelijk Babylonië, en ook niet naar het Judese Duma, dat in het geïsoleerde bergachtige gebied lag (Joz. 15:52). Dat er onmiddellijk daarna naar Seïr wordt verwezen, schijnt er eveneens op te duiden dat de profetie tegen dat land was gericht. Seïr werd eerst door de Horieten bewoond, maar Esau’s zonen verdreven hen uit hun bezit, waarna zowel de naam Edom als Seïr werd gebruikt ter verwijzing naar het land. — Gen. 14:6; Deut. 2:12.

Zowel Jesaja als Jeremia hebben de algehele verwoesting van Edom (Seïr), de vijanden van Jehovah en zijn volk, voorzegd (Jes. 34:5, 9-15; Jer. 49:7-22). „Duma” betekent „stilte”, en zo is het ook in Psalm 94:17 en 115:17 vertaald. Dat het woord „Duma” met betrekking tot Edom is gebruikt, duidt erop dat Edom stil zou worden, zoals in de stilte van de dood of de toestand van niet-bestaan.

Als het ware op een visionaire of symbolische wijze toont de profetie aan dat iemand van Edom zich zorgen maakt over het lot van Edom. De vraag „Wachter, hoe staat het met de nacht?” is als het ware van iemand die er verlangend naar uitziet dat een lange nacht van ziekte of verdrukking eindigt en de wachter op de muur toeroept: ’Hoe ver is de nacht gevorderd?’ ’Wanneer zal de ochtend komen?’ De profetie schijnt eerst naar de nacht van het oordeel te verwijzen dat Edom onderging toen het onder de heerschappij van de Assyrische Wereldmacht stond. Het antwoord van de wachter: „De morgen moet komen, en ook de nacht”, schijnt erop te duiden dat er een schemering als van de morgen zou komen, maar dat de nacht weer snel zou invallen, hetgeen gebeurde toen het Assyrische Rijk viel maar werd opgevolgd door het Babylonische Rijk, dat een zwaar oordeel aan Edom voltrok, zoals door Jeremia was voorzegd (Jer. 25:17, 21; 27:2-8). Daarna volgden de Perzische, Griekse en Romeinse heerschappij, die Edom in onderworpenheid hielden.

In de Romeinse tijd, gedurende de heerschappij van de Herodessen, die Edomieten waren, is er een tamelijk helder schijnsel als van de „morgen” geweest, maar ook dit verdween weer, waarna de nacht aanbrak; en men neemt algemeen aan dat het einde van de heerschappij door de Herodessen ook het einde van de Edomieten kenmerkte. Edom werd een „Duma”, een stille plaats, en zijn bewoners verdwenen uit de geschiedenis van de natiën.

Sommige commentators menen dat de woorden van de wachter: „Wilt gijlieden informeren, informeert. Komt terug!” erop duiden dat de profeet geen eind aan de nachten voor Edom kon zien maar dat de vragensteller later opnieuw kon informeren, ingeval er meer over de precieze bestemming van Edom geopenbaard zou worden. Anderen zijn van mening dat deze woorden betekenen dat de Edomieten, om een gunstig antwoord van God te kunnen ontvangen, berouwvol moesten terugkeren en zich van hun goddeloosheid en tegenstand tegen Jehovah en zijn volk moesten afkeren. Zij moesten hun goddeloze wegen de rug toekeren en Gods geboden volgen, net zoals dit later van de Israëlieten werd verlangd voordat Jehovah het overblijfsel van berouwvolle personen uit hun ballingschap in Babylon bevrijdde en naar Jeruzalem terugbracht (Jes. 55:7). Anders zouden zij niet de hoop kunnen koesteren dat er een eind zou komen aan Edoms nachten en ten slotte met een dood te vergelijken stilte.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen