Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w72 1/6 blz. 344-347
  • Een beproeving op nederigheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een beproeving op nederigheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN BEPROEVING VOOR DEGENEN DIE NIET ALS OUDERLINGEN WORDEN AANGESTELD
  • EEN BEPROEVING DIE AANGESTELDE OUDERLINGEN RAAKT
  • EEN BEPROEVING OP NEDERIGHEID VOOR CHRISTELIJKE JONGEREN
  • EEN BEPROEVING OP NEDERIGHEID VOOR IEDEREEN
  • Ouderlingen die op een voortreffelijke wijze de leiding hebben
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Aangestelde ouderlingen om de kudde Gods te weiden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Schik u nederig naar Jehovah’s weg van redding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Aan alle lichamen van ouderlingen
    Koninkrijksdienst 1975
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
w72 1/6 blz. 344-347

Een beproeving op nederigheid

NEDERIGHEID is een hoedanigheid waarnaar de Soeverein van het universum, Jehovah God, zoekt bij degenen die hij in zijn dienst wenst te gebruiken. De bijbel vertelt ons: „God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.” — Jak. 4:6.

Hoewel Jehovah God oppermachtig is, is hij nederig. Hoe is dit mogelijk? Dat God nederig is, betekent natuurlijk niet dat hij zich aan anderen onderwerpt. Het betekent veeleer dat hij altijd gereed en bereid is barmhartigheid te oefenen jegens ootmoedige zondaars die het oprechte verlangen koesteren zijn goedkeuring te ontvangen. Koning David was iemand die dit besefte. Nadat Jehovah hem van zijn vijanden had verlost, zong David: „Gij zult mij uw schild van redding geven, en het is uw deemoed die mij groot maakt” (2 Sam. 22:36). Ja, nederig verwaardigde Jehovah zich een onvolmaakt (doch rechtgeaard) man, David, te hulp te komen en daardoor maakte hij hem groot.

Gods eerstgeboren Zoon, Jezus Christus, weerspiegelde eveneens nederigheid (Fil. 2:5-8). Als volmaakt man was hij nooit overkritisch of arrogant jegens de zondige mensen onder wie hij woonde en werkte. Medelijden en mededogen bewogen hem ertoe anderen in geestelijk en fysiek opzicht te helpen. — Matth. 9:36.

Net als Jezus Christus hebben miljoenen getrouwe engelen zowel in hun houding als in hun optreden nederigheid getoond. De engel die gebruikt werd om een profetische openbaring aan de apostel Johannes te geven, erkende nederig: „Ik ben slechts een medeslaaf van u en van uw broeders” (Openb. 22:9). En over engelen in het algemeen zei Jezus: „Er [ontstaat] vreugde bij de engelen Gods over een zondaar die berouw heeft” (Luk. 15:10). Deze vreugde is inderdaad een bewijs van grote nederigheid. Hoe dat zo?

Welnu, destijds in de eerste eeuw G.T. kwamen berouwvolle zondaars in aanmerking voor lidmaatschap in het hemelse koninkrijk. Allen die daarna tot de dood toe hun getrouwheid bewezen, zouden medekoningen en -priesters met de Heer Jezus Christus worden en een positie krijgen die hoger was dan die van de engelen (1 Kor. 6:2, 3; 2 Tim. 2:11, 12; Openb. 20:6). Toch voelden de engelen zich niet gepasseerd dat zij, ondanks het feit dat hun bericht van getrouwe dienst al dateerde uit de tijd lang voordat de mens zelfs maar werd geschapen, niet door Jehovah God waren uitgekozen. Neen, zij verheugden zich en beseften dat wat deze mensen hadden meegemaakt en overwonnen, hen toerustte om als medegevoelende en barmhartige koningen en priesters dienst te doen. — Vergelijk Hebreeën 4:14-16.

De engelen hebben zo’n waardering voor de juistheid en rechtvaardigheid van Jehovah’s regeling dat zij nederig dienst verrichten ten behoeve van de toekomstige Koninkrijkserfgenamen op aarde. In Hebreeën 1:14 staat: „Zijn zij niet allen geesten voor openbare dienst, uitgezonden om te dienen ten behoeve van hen die redding zullen beërven?” Zij geven een voortreffelijk voorbeeld.

EEN BEPROEVING VOOR DEGENEN DIE NIET ALS OUDERLINGEN WORDEN AANGESTELD

Als onvolmaakte mensen zijn wij geneigd meer van onszelf te denken dan ons feitelijk past. Wij moeten er daarom moeite voor doen de nederigheid van Jehovah God en van zijn engelenzonen, met inbegrip van Jezus Christus, na te volgen. Soms wordt door ontwikkelingen binnen de gemeenten van Gods volk de nederigheid van velen op de proef gesteld. Dit is vooral zo wanneer er mannen worden aangesteld om in speciale hoedanigheden te dienen. Zo zijn er misschien sommigen die, hoewel zij niet als ouderlingen worden aangesteld, menen dat men naar hen dient op te zien als leraren in de gemeente.

Ook in de eerste eeuw G.T. redeneerden sommige christenen zo. Klaarblijkelijk richtte de discipel Jakobus zich tot zulke mannen toen hij zei: „Niet velen van u dienen leraren te worden, mijn broeders; gij dient te beseffen dat degenen onder ons die dit worden, zwaarder ter verantwoording geroepen zullen worden.” — Jak. 3:1, New American Bible.

Het is werkelijk een ernstig stemmende gedachte dat ouderlingen, in de uitoefening van hun werk, een grotere verantwoordelijkheid dragen dan christenen in het algemeen (Luk. 12:48). Dit punt, dat zij „zwaarder ter verantwoording geroepen zullen worden”, is niet gemakkelijk voor ouderlingen. Zij zijn, evenals hun christelijke broeders en zusters, onvolmaakte mensen. De discipel Jakobus erkende: „Wij allen struikelen vele malen.” — Jak. 3:2.

De onvolmaaktheden van ouderlingen treden dikwijls duidelijker aan het licht dan die van andere leden van de gemeente. Hoe komt dit? Doordat ouderlingen voortdurend voor de gemeente staan en onderwijzen, vermanen en terechtwijzen. Hun daden worden door de gemeenteleden aan een nauwkeurig, kritisch onderzoek onderworpen, want men ziet naar de ouderlingen op als voorbeelden op het gebied van een juist christelijk gedrag.

Iemand die geen aangestelde ouderling is maar meent dat hij dit wel dient te zijn, doet er goed aan ernstig na te denken over hetgeen Jakobus schreef. Hij zou zichzelf de vraag kunnen stellen: Waarom wil ik een ouderling zijn? Wil ik dit omdat ik mij ten behoeve van mijn broeders en zusters wil inspannen? Is mijn beweegreden helemaal onzelfzuchtig of gaat mijn verlangen uit naar de vooraanstaande positie die iemand geniet wanneer hij een onderwijzer van medegelovigen is? Ben ik werkelijk in staat een zwaardere verantwoording af te leggen dan andere leden van de gemeente? Bezit ik de wijsheid en het inzicht om over aangelegenheden te oordelen waar mensenlevens bij betrokken zijn? Kan ik deugdelijke schriftuurlijke raad geven waardoor anderen werkelijk geholpen zouden worden persoonlijke problemen en gezinsproblemen op te lossen?

Vele christelijke mannen, die zich ervan bewust zijn dat zij ten minste in sommige van deze opzichten te kort schieten, zien in dat zij niet voor ouderling in aanmerking komen. Zij verheugen zich over het feit dat verantwoordelijke broeders, die de noodzakelijke geestelijke hoedanigheden bezitten, loyaliteit aan Jehovah boven persoonlijke vriendschap hebben gesteld en hen daarom niet voor de positie van ouderling hebben aanbevolen. Zulke van waardering vervulde mannen beseffen dat hun hierdoor geen schade is berokkend. Er is niets dat hen ervan weerhoudt een volledig aandeel te hebben aan het predikingswerk en het onderwijzen van de bijbelse waarheid aan buitenstaanders. Ook worden zij er niet van weerhouden degenen die ouderlingen in de gemeente zijn loyaal te ondersteunen bij het ten uitvoer brengen van hun werk, de vrucht van Gods geest in vollediger mate aan te kweken en goed te doen jegens hun christelijke broeders en zusters. En zijn dit niet de dingen die het leven van een christen rijk en zinvol maken? Beslist.

Deze nederige broeders weten dat zij hun best kunnen blijven doen om ouderling te worden, niet voor zelfverheerlijking, maar tot zegen van medegelovigen. Zij kunnen zelfs naar ouderlingen in de gemeente toe gaan en vragen wat zij zouden kunnen doen om vorderingen te maken op terreinen waarin zij nog niet volledig aan de schriftuurlijke vereisten voor ouderlingen voldoen.

Als een broeder geneigd is „streberisch” en wedijverend te zijn en hij anderen met zijn bekwaamheden tracht te imponeren, dient hij er eerst naar te streven grotere nederigheid aan te kweken. De discipel Jakobus gaf de raad: „Hij [moet] zulk een aanspraak waar maken door een voortreffelijke levenswandel, door daden van wijsheid en zachtmoedigheid [bescheidenheid]. Indien gij echter in uw hart bittere naijver koestert en gevoelens van zelfzucht [zelfzuchtige ambitie], laat dan die grootspraak die in strijd is met de waarheid achterwege” (Jak. 3:13, 14, SW; New English Bible). Degene die ware wijsheid bezit, prijst zichzelf niet aan, maar wordt gekenmerkt door nederigheid en bescheidenheid. Zij die bittere naijver koesteren en twistziek zijn, hebben geen basis zich erop te beroemen dat zij bekwaam zijn om hun broeders en zusters te onderwijzen. Hun beweringen zouden in strijd zijn met de waarheid omtrent de zaak.

EEN BEPROEVING DIE AANGESTELDE OUDERLINGEN RAAKT

De beproeving op nederigheid omvat ook degenen die als ouderlingen worden aangesteld. Velen van deze mannen hebben jarenlang als gemeentedienaren dienst verricht. Er werd naar hen opgezien als de „belangrijkste” man in de gemeente. Dikwijls was hun stem doorslaggevend als er voorstellen geaccepteerd of verworpen moesten worden. Hoe staan zij ertegenover dat zij het voorzitterschap van het lichaam van ouderlingen aan iemand anders moeten afstaan? Zijn zij bang dat de dingen niet zo goed zullen gaan? Zijn zij bereid de suggesties van anderen op juiste wijze in overweging te nemen? Of zijn zij, wegens hun ervaring in het verleden, geneigd de suggesties van anderen opzij te zetten?

Voormalige gemeentedienaren die de juiste houding bezitten, beseffen dat Jehovah’s regeling altijd de beste is. Zij koesteren het vurige verlangen bij het behartigen van de aangelegenheden in overeenstemming te handelen met de raad van de apostel Paulus ’anderen van Gods dienstknechten superieur aan zichzelf te achten’ (Fil. 2:3). Met gepaste bescheidenheid erkennen zij dat anderen in bepaalde hoedanigheden superieur aan hen zijn. Sommige broeders munten uit in het ten toon spreiden van empathie, vriendelijkheid en edelmoedigheid. Anderen zijn heel goed thuis in de Schrift en weten deze doeltreffend toe te passen wanneer er problemen rijzen. Weer anderen bezitten een opmerkelijke ijver, enthousiasme en stuwkracht. Ja, niemand bezit al de gewenste hoedanigheden in volmaakt evenwicht. Daarom verheugen deze nederige voormalige gemeentedienaren zich over het verrijkende effect dat de roulering van het voorzitterschap ten behoeve van alle in de gemeente heeft. — Vergelijk 1 Korinthiërs 12:4-11.

Ook de nederigheid van de broeders die bij het rouleren worden aangesteld om als de nieuwe voorzitters of gemeentedienaren dienst te verrichten, wordt op de proef gesteld. Zullen zij nu trachten hun stempel op de gemeente te drukken en de aangelegenheden overeenkomstig hun persoonlijke smaak te veranderen? Niet als zij werkelijk nederig en bescheiden zijn. Zij erkennen dat hun aanstelling hen niet tot de belangrijkste man in de gemeente maakt. Zij weten niet alles. Zij zijn eenvoudig een lid van het „lichaam van ouderlingen” De suggesties van de andere broeders zijn nodig opdat er een evenwichtige leiding gegeven kan worden. Het is precies zoals in Spreuken 15:22 staat: „In de veelheid van raadgevers komt iets tot stand.” Ja, een lichaam van ouderlingen, dat als een geheel functioneert, kan de schoonheid van goddelijke hoedanigheden weerspiegelen zoals een man dit nooit zou kunnen. Dat betekent dat iedere ouderling zich vrij moet voelen om zich te uiten en met suggesties of aanbevelingen te komen die door de andere ouderlingen in overweging genomen kunnen worden.

EEN BEPROEVING OP NEDERIGHEID VOOR CHRISTELIJKE JONGEREN

De jonge mannen die nog geen twintig of even in de twintig zijn, moeten eveneens een beproeving op nederigheid doorstaan. Sommigen van hen hebben voortreffelijke bekwaamheden en kunnen zich goed uitdrukken. Maar zij missen de wijsheid en ervaring die men moet bezitten om te kunnen onderwijzen, vermanen en terechtwijzen en om over aangelegenheden van zeer ernstige aard in de gemeente van Gods volk te kunnen oordelen. Sommige broeders van tegen de twintig die niet eens als dienaren in de bediening worden gebruikt, denken misschien dat er niets voor hen te doen is. Hoe kunnen zulke jonge mannen de juiste kijk op Jehovah’s regeling behouden?

Zij zouden er goed aan doen de vele dingen te beschouwen die zij kunnen doen om Jehovah en hun broeders en zusters te dienen. Daar zij gewoonlijk geen gezinsverantwoordelijkheden hebben, kunnen zij meer tijd aan studie en het mediteren over Gods Woord besteden. Aldus kunnen zij een uitstekende schat aan kennis opbouwen, en dat zal hun zeer goed van pas komen wanneer zij te eniger tijd voor ouderling in aanmerking komen. Er is geen limiet gesteld aan wat jonge mannen kunnen doen om het goede nieuws aan anderen bekend te maken. Zij kunnen ook hun talenten en bekwaamheden aanbieden om ouderlingen en dienaren in de bediening te helpen bij het volbrengen van hun werk. Wanneer zij blijk geven van volledige toewijding aan Jehovah’s dienst, winnen zij het respect en vertrouwen van de hele gemeente (Hand. 16:1, 2). Ook wordt het het gehele lichaam van ouderlingen duidelijk dat zulke jonge mannen de hoedanigheden ten toon spreiden waarnaar wordt gezocht bij mannen die te zijner tijd als dienaren in de bediening gebruikt zouden kunnen worden.

Het is goed wanneer jonge mannen bedenken dat onder de schriftuurlijke regeling niet slechts enkele, maar alle broeders in een gemeente die aan de noodzakelijke vereisten voldoen, als dienaren in de bediening of als ouderlingen aangesteld kunnen worden. Het ligt echter voor de hand dat wanneer tieners geen werkelijke krachtsinspanningen in het werk stellen om voortreffelijke christelijke hoedanigheden te ontwikkelen, zij ze niet zullen hebben wanneer zij ouder zijn. De jeugd biedt een voortreffelijke gelegenheid om er moeite voor te doen de hoedanigheden te verwerven die een zegen en een bron van aanmoediging voor medegelovigen zullen zijn.

Jonge mannen kunnen heel veel profijt trekken van de omgang met degenen die ouderlingen zijn en met andere oudere personen die voortreffelijke christelijke hoedanigheden aan de dag leggen. In Spreuken 13:20 staat: „Hij die met wijzen wandelt, zal wijs worden.” Hoewel een jonge man misschien een poosje moet wachten voordat hij als dienaar in de bediening en ten slotte als ouderling wordt aangesteld, dient dit geen reden tot verontrusting te zijn. Het is veel beter om pas in deze hoedanigheid dienst te verrichten wanneer men een goede achtergrond in de Schrift en ervaring in het leven heeft. Verdienen onze broeders en zusters niet het beste op het gebied van schriftuurlijke raad en onderwijs? Wij zouden toch stellig niet willen dat zij op inferieure wijze geweid werden enkel opdat wij er persoonlijk bij zouden winnen.

EEN BEPROEVING OP NEDERIGHEID VOOR IEDEREEN

Wanneer wij erbij stilstaan, dan betekent de door God verordende regeling in de gemeenten van Jehovah’s christelijke getuigen eigenlijk een beproeving op de nederigheid van allen die met de gemeente verbonden zijn. De ouderlingen moeten nederig zijn en acht slaan op het geïnspireerde gebod: „Weidt de kudde Gods die aan uw zorg is toevertrouwd, niet onder dwang, maar gewillig; noch uit liefde voor oneerlijke winst, maar bereidwillig; noch als heersend over hen die Gods erfdeel zijn, maar voorbeelden voor de kudde wordend” (1 Petr. 5:2, 3). Het vereist ook nederigheid van alle andere leden van de gemeente om met de ouderlingen samen te werken, hun beslissingen te ondersteunen en hen bij te staan in het ten uitvoer brengen van hun belangrijke werk. De bijbel maant aan: „Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig, want zij waken over uw ziel als mensen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet met zuchten mogen doen, want dit zou u schadelijk zijn.” — Hebr. 13:17.

De ouderlingen zijn weliswaar onvolmaakte mensen. Zij maken fouten. Maar als volmaakte engelenzonen van God bereid zijn ten behoeve van hen en ons dienst te verrichten, dan zullen wij allen ons stellig nederig aan Jehovah’s regeling willen onderwerpen. Ons samenwerken met deze mannen kan zeer veel tot ons geluk en welzijn bijdragen. Mogen wij allen ons er daarom krachtig op toeleggen de beproeving op nederigheid met succes te doorstaan, tot heerlijkheid van onze nederige hemelse Vader, Jehovah God.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen