Waarom voorkomt God de frontale botsing niet?
VOOR iemand die nadenkt is het duidelijk dat de aarde in de ogen van de Schepper van het universum heel erg klein is. De natiën der aarde hebben in vergelijking met Hem daarom niets te betekenen. Zou hij ze er daarom niet van kunnen afbrengen met hem in botsing te komen of zou hij niet opzij kunnen stappen om de botsing te vermijden?
Neen. Met het oog op zijn eigen waardigheid en gerechtigheid kan God de frontale botsing niet verhinderen. Hij heeft de natiën tijd geschonken om allerlei regeringen van mensen uit te proberen. Hij heeft ze hun gang laten gaan en in de loop van duizenden jaren van geschiedenis aangetoond dat de natiën de aarde niet in vrede kunnen regeren. Toch willen ze de weg volgen die ze gaan, en God weerhoudt zich ervan zich met hun vrijheid van handelen in te laten totdat zijn precieze tijd is aangebroken.
De natiën hadden zich echter vrijwillig van een slechte en rampspoedige weg kunnen afkeren. Ze hebben de gelegenheid daartoe gehad. God heeft de natiën de weg gewezen die ze moesten gaan. Zelfs heidense heersers beschikken in zekere zin over een door God geschonken geweten, zoals een van Christus’ apostelen uitlegt:
„Want telkens wanneer mensen der natiën, die geen wet hebben, van nature de dingen der wet doen, zijn deze mensen, al hebben zij geen wet, zichzelf tot wet. Zij zijn juist degenen die tonen dat de inhoud van de wet in hun hart staat geschreven, terwijl hun geweten met hen getuigenis aflegt en hun eigen gedachten onderling hen beschuldigen of zelfs verontschuldigen.” — Rom. 2:14, 15.
De natiën die christelijk worden genoemd zijn nog minder te verontschuldigen, want de beginselen van een juiste regeringsvorm en van gerechtigheid staan duidelijk voor ze opgetekend in Gods Woord de bijbel en ze belijden door de wetten ervan gebonden te zijn. Ze hebben de bijbelse beginselen evenwel grotendeels verworpen.
In het licht van deze feiten handelt God niet willekeurig of haastig wanneer hij zich met de natiën inlaat. Niemand kan hem ervan beschuldigen handelend tegen een rechtvaardige natie op te treden. Hij heeft juist altijd het beginsel gevolgd dat hij in Jeremia 18:7, 8 vermeldt:
„Op welk moment maar ook ik een uitspraak doe over een natie en over een koninkrijk om ze uit te rukken en af te breken en te verdelgen, en die natie keert zich werkelijk af van haar slechtheid waarover ik afkeurend gesproken heb, dan zal ik stellig spijt gevoelen over de rampspoed die ik gedacht had haar aan te doen.”
God heeft de natiën aangetoond dat hij de rechtmatige Eigenaar van de aarde is. Hij zegt: „De gehele aarde behoort mij toe” (Ex. 19:5). De mens zou niet op aarde kunnen zijn als God hem hier niet had geplaatst. De natiën erkennen zelf hun eigendomsrecht, terwijl ze jaloers gebied bewaken dat ze door koop, ontdekking of verovering hebben gekregen. Maar ze weigeren Gods eigendomsrechten te erkennen. Ze loochenen zijn autoriteit om de maatstaven vast te stellen op grond waarvan de natiën zich dienen te gedragen.
God heeft de natiën echter laten weten dat er aan de uitoefening van hun autoriteit een tijdslimiet is gesteld en dat de heerschappij over de aarde door zijn Messiaanse Koning uitgeoefend zal worden (Ps. 2:6-8). In tegenstelling hiermee geven de natiën er de voorkeur aan dat de aarde in honderden elkaar bestrijdende regeringen verdeeld blijft, met onrust, nationale jaloezie, strijd en oorlog. In plaats van gewillig te erkennen dat hun regeringen hun onderdanen geen geluk hebben gebracht en in plaats van aan God te vragen de heerschappij over de aarde over te nemen, blijven ze dezelfde oude politieke methoden gebruiken om aan hun heerschappij vast te houden. Ze zouden een frontale botsing met God kunnen vermijden als ze zich aan hem zouden willen onderwerpen, zoals hij vriendelijk waarschuwt:
„Nu dan, o koningen, handelt volgens inzicht; laat u corrigeren, o rechters der aarde. Dient Jehovah met vreze en weest blij met beving. Kust de zoon, opdat Hij niet vertoornd wordt en gij niet van de weg vergaat.” — Ps. 2:10-12.
GOD TREEDT IN HET BELANG VAN DE AARDE EN DE MENS HANDELEND OP
Intussen geven de regeringen der aarde werkelijk blijk van een afkeurenswaardig gebrek aan bezorgdheid over het feit dat de aarde wordt geruïneerd en elke dag ongeschikter wordt voor menselijke bewoning. Ze geven toe dat ze machteloos staan tegenover de misdaad, de verontreiniging, de dreiging van een wereldomvattende hongersnood en veel andere slechte omstandigheden. Velen geloven dat er elk moment een derde wereldoorlog kan uitbreken waardoor de aarde vrijwel ontvolkt zou worden. Ondanks dit alles blijven hun beginselen of werkmethoden in de grond der zaak gelijk. Ze houden zich nog steeds bezig met politieke intriges, diplomatieke leugens en internationaal gespioneer.
Zoals elke eigenaar zou doen die voor zijn bezittingen zorg draagt, zal God niet toekijken hoe de aarde wordt verdorven en onbewoonbaar wordt gemaakt. Hij zou werkelijk nalatig zijn wanneer hij zo iets zou toelaten. Hij zou niet getrouw handelen jegens degenen die de corruptie en de walgelijke dingen die op aarde gebeuren haten en die een betere, rechtvaardige levenswijze wensen. Aangezien hij wist welke weg de natiën zouden bewandelen, voorzei hij dat er een tijd zou komen dat hun een halt zou worden toegeroepen, met de woorden:
„De natiën ontstaken in gramschap, en uw gramschap kwam, en de bestemde tijd om de doden te oordelen en om aan uw slaven, de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, hun beloning te geven, en om te verderven die de aarde verderven.” — Openb. 11:18.
Doordat God zo krachtig voor juiste beginselen opkomt, volgt hij in werkelijkheid een positieve handelwijze die lijnrecht indruist tegen die van de aanstormende natiën, zodat er een frontale botsing ontstaat als de enige manier om te verhinderen dat de natiën de gehele mensheid in de vernietiging storten. Hij doet het voornamelijk om de strijdvraag met betrekking tot de soevereiniteit ten gunste van zichzelf op te lossen. Maar hij gedenkt ook degenen die rechtvaardigheid en gerechtigheid verlangen en die zijn soevereiniteit willen aanvaarden.
Wij kunnen er dus blij om zijn dat God almachtig is en dat hij, ook al is de aarde in vergelijking met het universum heel erg klein, belangstelling heeft voor mensen op deze aarde. Wij kunnen er blij om zijn dat God bereid is zijn grote macht ten opzichte van deze kleine planeet aan te wenden voor het eeuwige welzijn van de bewoners ervan.
Maar vormt de corrupte politieke heerschappij van de natiën de enige reden voor Gods ongenoegen? Neen. Er zijn nog krachtiger redenen, zoals in het volgende artikel zal worden onthuld.