Vragen van lezers
● Wat is de betekenis van Spreuken 20:19, en hoe is dit van toepassing op het feit dat een christen bepaalde zaken vertrouwelijk moet houden? — E. M., V.S.
Het desbetreffende vers luidt: „Hij die als een lasteraar rondgaat, legt vertrouwelijke gesprekken bloot; en met iemand die door zijn lippen wordt verleid, moogt gij geen omgang hebben.” Het eerste gedeelte is heel duidelijk. Een lasteraar is iemand die met opzet nadelig over iemand spreekt ten einde die persoon in een slecht daglicht te stellen. Met het oog hierop verdraait hij de zaak vaak en maakt dan opzettelijk dingen openbaar die vertrouwelijk gehouden hadden moeten worden.
Het tweede gedeelte van de tekst loopt hier in zekere zin parallel mee, maar dit handelt over „iemand die door zijn lippen wordt verleid”. Evenals in het geval van iemands ogen of handen kan iemand door zijn lippen verleid worden doordat deze hem ertoe kunnen brengen het slechte te gaan doen (Matth. 5:27-29). Iemand die door zijn lippen wordt verleid, geraakt in moeilijkheden, aangezien zijn mond onbelemmerd spreekt wat hij hoort. Hij heeft geen bescherming, want hij heeft zijn spraak niet in bedwang. Koning David merkte op: „Ik wil mijn wegen behoeden om niet te zondigen met mijn tong. Ik wil een muilband als wacht voor mijn eigen mond leggen” (Ps. 39:1). Iemand die „door zijn lippen wordt verleid”, handelt precies tegenovergesteld; hij houdt iets zelden vertrouwelijk. Spreuken 20:19 geeft de raad: ’Gij moogt geen omgang met hem hebben’, aangezien hij u evenveel moeilijkheden kan bezorgen als een lasteraar.
Dit onderwerp van vertrouwelijke zaken heeft in werkelijkheid twee aspecten. In de tweede helft van Spreuken 20:19 wordt de aandacht op één hiervan gevestigd. De raad komt er voornamelijk op neer dat men voorzichtig moet zijn met betrekking tot degene aan wie men vertrouwelijke zaken toevertrouwt. Soms heeft iemand bepaalde persoonlijke inlichtingen of plannen die hij voorlopig nog niet aan de openbaarheid wil prijsgeven. Misschien vertelt hij deze aan een kennis, in de veronderstelling dat deze de zaak vertrouwelijk zal houden, terwijl hij dit ten overvloede misschien ook nog vraagt. Later komt hem ter ore dat de tweede persoon de persoonlijke inlichtingen heeft doorverteld aan anderen, terwijl het hun niet werkelijk aanging. Iemand die verstandig is, zal uit zo’n ervaring met een kennis lering trekken en naar aanleiding daarvan vaststellen hoeveel hij in de toekomst zal loslaten.
Zonder degene die er een gewoonte van maakt vertrouwelijke zaken aan anderen door te vertellen ook maar in enig opzicht te verontschuldigen, moet er evenwel worden toegegeven dat alle mensen onvolmaakt zijn. De discipel Jakobus schreef: „De tong . . . kan geen mens temmen” (Jak. 3:8). Zelfs mensen met de beste bedoelingen maken soms fouten en noemen of suggereren onopzettelijk dingen waarvan zij weten dat deze vertrouwelijk gehouden dienen te worden. Er rust dus ook een mate van verantwoordelijkheid op de persoon zelf die een bepaalde kwestie niet openbaar wil maken. Hoe groter het aantal personen is aan wie men een vertrouwelijke zaak meedeelt, des te groter is de mogelijkheid dat de kwestie algemeen bekend wordt. En wanneer men zoiets aan een persoon vertelt die er blijk van heeft gegeven iemand te zijn „die door zijn lippen wordt verleid”, wordt de mogelijkheid een waarschijnlijkheid.
Het andere belangrijke aspect van dit onderwerp is dat men persoonlijk betrouwbaar moet zijn. Dit wordt in Spreuken 25:9, 10 aanbevolen, waar staat: „Bepleit uw eigen zaak met uw naaste, en openbaar het vertrouwelijke gesprek van een ander niet; opdat wie luistert u niet beschaamd doet staan en het door u gegeven slechte bericht niet herroepen kan worden.” Er rust dus een blaam op degene die onnodig en zonder daartoe gemachtigd te zijn inlichtingen onthult die hij vertrouwelijk had moeten houden. En wanneer een persoonlijke zaak eenmaal bekend is geworden, valt er niets meer te herroepen, ondanks alle complicaties waartoe dit kan leiden.
Laten wij eens enkele situaties en verhoudingen in het leven beschouwen waarbij het verstrekken van persoonlijke inlichtingen is betrokken.
Een man en vrouw die als echtpaar „één vlees” zijn, weten alles van elkaar en zijn op de hoogte van veel gezinsaangelegenheden, plannen of zwakheden waarvan stilzwijgend wordt aangenomen dat ze vertrouwelijk zijn (Matth. 19:5). Als een van de partners in de gewoonte zou vervallen zulke dingen aan andere mensen te vertellen, zou dit tot veel problemen kunnen leiden. Zo zou een man bijvoorbeeld bij wijze van grap in gezelschap een opmerking kunnen maken over een ongewone karaktertrek van zijn vrouw. Als dit de vrouw ter ore komt, zou dit haar pijnlijk kunnen treffen. Hoewel dit slechts een voorbeeld is, wordt erdoor aangetoond hoe hierdoor een wig gedreven kan worden tussen de partner die verwachtte dat de zaak vertrouwelijk gehouden zou worden en degene die deze openbaar maakte. Hoe wordt de liefdeband tussen echtgenoten daarentegen versterkt wanneer elk merkt dat de ander in verband met persoonlijke of gezinsaangelegenheden volledig te vertrouwen is (Ef. 5:25, 28). Ook aan kinderen kan worden geleerd discretie te gebruiken in verband met het herhalen van dingen die zij in de gezinskring horen bespreken.
Iemand zal vanwege zijn verhouding als intieme vriend of goede zakenrelatie soms van dingen op de hoogte zijn die vertrouwelijk van aard zijn. Er kunnen onmogelijk regels gegeven worden met betrekking tot datgene wat in deze verhoudingen vertrouwelijk gehouden dient te worden. Maar men kan in gedachten houden dat wederzijds vertrouwen een bijzonder krachtige band tussen intieme vrienden is (Spr. 18:24). Indien er in uw geest ook maar de geringste twijfel bestaat of iets wat uw vriend u heeft verteld aan anderen overgebracht kan worden, is het het beste dit niet te doen, of er op zijn minst mee te wachten totdat u zijn toestemming hebt. Dezelfde algemene zienswijze geldt in zakelijke aangelegenheden, waarbij men in gedachten moet houden dat men zijn werkgever economisch ernstig kan schaden door vertrouwelijke bedrijfsplannen te onthullen. De Schrift spoort werknemers ertoe aan in de verhouding tot hun werkgever „ten volle goede trouw [te] tonen”. — Tit. 2:9, 10.
Andere situaties die beschouwd dienen te worden hebben betrekking op de christelijke gemeente. In elke gemeente van Jehovah’s getuigen bevinden zich rijpe dienaren die zijn aangesteld om verscheidene toewijzingen te behartigen (1 Tim. 3:2, 12). Wanneer zij zich van hun taken kwijten, worden hun vaak vertrouwelijke inlichtingen verstrekt, en het is van het grootste belang dat zij zich dit vertrouwen waardig tonen. Jakobus 5:13-16 toont aan dat een lid van de gemeente dat een geestelijk probleem heeft en misschien zelfs wel een zonde heeft bedreven, zich voor hulp tot de geestelijk oudere mannen moet wenden. Deze mannen worden in Jesaja 32:2 profetisch afgebeeld als plaatsen van troost en bescherming. Wat is het voor iemand niet heerlijk zijn probleem te kunnen uitleggen en evenwichtige geestelijke hulp te ontvangen en terzelfder tijd de volledige zekerheid te hebben dat de kwestie geen publiek geheim in de gemeente of omgeving zal worden.
Deze rijpe dienaren zullen datgene wat hun in vertrouwen verteld wordt, ook niet met hun vrouw en intieme vrienden bespreken. Zij weten dat als zij dit zouden doen, hierdoor het respect voor hun positie ondermijnd zou worden; men zou aarzelen om naar hen toe te gaan; ja, op dan duur zou dit het voor hen zelfs onmogelijk maken hun taak als geestelijke herders te vervullen. Nog een reden waarom zij geen vertrouwelijke zaken blootleggen, is dat zij anderen niet willen belasten. Indien een man zijn vrouw bijvoorbeeld over een vertrouwelijke kwestie inlicht die met zijn dienaarsambt verband houdt, komt zij onder de druk te staan dat zij dat vertrouwen moet eerbiedigen. Is dat fair tegenover haar als het ’zwakkere vat’? (1 Petr. 3:7) Zelfs wanneer zij in een zwak ogenblik uit nieuwsgierigheid aan haar man zou vragen wat er is voorgevallen of waarom hij met een bepaald persoon sprak, is het van zijn zijde alleen maar liefdevol en juist wanneer hij vriendelijk zegt dat het een vertrouwelijke gemeenteaangelegenheid betreft. Op deze wijze hoeft zij geen onnodige mentale lasten te dragen. En als iemand haar wat over deze zaak vraagt, kan zij eerlijk zeggen dat zij niet van de details op de hoogte is.
Allen in de gemeente dienen met de aangestelde dienaren samen te werken door niet te trachten de details over zulke vertrouwelijke zaken te weten te komen. Mensen zijn nu eenmaal wat nieuwsgierig van aard en wij vinden het gewoonlijk fijn nieuwe dingen te leren of te weten te komen. Dit is niet verkeerd. Het aantal nieuwe punten in verband met de bijbel en de christelijke bediening waarover wij meer kunnen leren, is onbegrensd (Fil. 4:8). Toch dienen wij onze nieuwsgierigheid te bedwingen wanneer het vertrouwelijke zaken betreft. Denk maar eens aan Simson en Delila. Toen hij haar niet een geheim wilde vertellen dat met zijn theocratische toewijzing verband hield, zei ze in feite tegen hem: ’Je houdt niet van me.’ En „omdat zij hem de hele tijd met haar woorden preste en bij hem bleef aandringen, [werd] zijn ziel tot stervens toe ongeduldig” (Recht. 16:15-17). Dit bracht persoonlijk lijden over Simson, terwijl hij tijdelijk ook de zaak van de ware aanbidding schaadde, doordat Israël het zonder zijn leiderschap moest stellen (Recht. 16:20, 21). Stellig zal geen enkele christelijke vriend of bloedverwant thans Delila’s voorbeeld willen volgen.
Het kan voorkomen dat de presiderende dienaar aan de gemeente bekendmaakt dat haar vertegenwoordigers een onberouwvolle zondaar hebben moeten uitsluiten of iemand wegens zijn onchristelijke gedrag streng onderricht hebben moeten toedienen. De leden van de gemeente worden hierover ingelicht opdat zij die persoon kunnen mijden òf in zijn tegenwoordigheid voorzichtig kunnen zijn, hetgeen afhangt van wat in het onderhavige geval noodzakelijk blijkt te zijn (1 Kor. 5:11-13; 2 Thess. 3:14, 15). Zij dienen er echter geen moeite voor te doen alle details uit te vissen. Die zijn vertrouwelijk en dienen dat te blijven.
Hoe dankbaar kunnen wij zijn dat Jehovah in zijn Woord volmaakte raad over dit belangrijke onderwerp gegeven heeft. Hij liet bijvoorbeeld de spreuk optekenen: „Wie als een lasteraar rondgaat, legt vertrouwelijke gesprekken bloot, maar wie getrouw van geest is, bedekt een zaak” (Spr. 11:13). Hij wist klaarblijkelijk dat het een algemene zwakheid van de onvolmaakte menselijke aard is over vertrouwelijke zaken te willen spreken die geheim gehouden dienen te worden. Maar door ons op dit gevaar te wijzen, helpt hij allen die Hem willen behagen, hun stappen dusdanig te richten dat hierdoor vrede, vriendschap en eenheid wordt bevorderd.