Waarom mensen slechte dingen doen
Een artikel dat speciaal is bestemd om door ouders met hun kinderen gelezen te worden
ZOU het niet heerlijk zijn als iedereen goed was? Dan zou niemand ooit een ander pijn doen.
Maar bestaat er iemand die werkelijk altijd goed is? Wat denk je? De bijbel vertelt ons dat Jehovah God altijd goed is; er is helemaal geen slechtheid in hem. En ook Jezus, de Grote Onderwijzer, doet altijd wat goed is. Maar niemand van ons kan naar waarheid zeggen dat hij altijd goed is.
Wij kunnen misschien proberen goed te zijn. Maar er zijn tijden dat wij slechte dingen denken, is het niet? En van tijd tot tijd doen wij dingen die verkeerd zijn. De eerste mens, Adam, was opzettelijk ongehoorzaam aan God. Wat hij deed, was heel slecht. Het gevolg daarvan was dat wij allemaal onvolmaakt geboren werden. Wij zijn allemaal kinderen van Adam. Dat is één reden waarom mensen slechte dingen doen, ook al willen zij niet slecht zijn.
Maar sommige mensen doen heel veel slechte dingen. Zij haten andere mensen en doen opzettelijk dingen om hen pijn te doen. Denk jij dat zo iemand ooit zou kunnen veranderen en zou kunnen leren goed te zijn?
De bijbel geeft voorbeelden van slechte mensen die veranderden. Ik zal je over een van hen vertellen. En laten wij samen eens kijken of wij te weten kunnen komen waarom hij slecht was.
De naam van de man was Saulus, en hij kwam uit de stad Tarsus. Hij leefde toen Jezus op aarde was. Maar wij weten niet of Saulus de Grote Onderwijzer ooit gezien heeft. De bijbel spreekt voor het eerst over Saulus kort nadat Jezus was gestorven en nadat hij door zijn Vader tot hemels leven was opgewekt.
Saulus was heel erg godsdienstig. Hij behoorde tot een religieuze groepering, de Farizeeën genaamd. Zij hadden de geschriften van Gods Woord, maar zij stelden de leerstellingen van enkelen van hun eigen belangrijke mannen boven datgene wat in dat Woord van God geschreven stond. Vind je dat dat verstandig was? Het kon tot ernstige moeilijkheden leiden.
Toen Saulus op zekere dag in Jeruzalem was, werd een volgeling van Jezus, Stéfanus genaamd, gearresteerd. Zij brachten hem naar het gerechtshof en sommigen van de rechters van de rechtbank waren Farizeeën. Ook al werden er slechte dingen over hem gezegd, toch was Stéfanus niet bang. Hij sprak vrijuit en gaf de rechters een goed getuigenis over God en over Jezus.
Maar wat de rechters hoorden, beviel hun niet. Dit was niet de eerste keer dat zij over Jezus gehoord hadden. Dit was namelijk de rechtbank die gezegd had dat Jezus ter dood gebracht moest worden. Gods Woord laat zien dat deze mensen slecht waren. In plaats van hun manier van optreden te veranderen, streden zij tegen Jezus en zijn discipelen omdat dezen Gods Woord predikten. Deze rechters hielden niet van de waarheid.
Zij werden heel erg kwaad. Zij grepen Stéfanus beet en sleurden hem de stad uit. Zij sloegen hem neer en wierpen hem met stenen totdat zij hem gedood hadden.
Saulus was daar aanwezig en hij keek toe hoe Stéfanus ter dood gebracht werd. Hij keurde de moord op hem goed. Maar hoe kon hij zo iets slechts doen?
Wel, Saulus was opgegroeid als een Farizeeër. Zijn leven lang had men hem geleerd dat de Farizeeën gelijk hadden. Hij keek naar deze mensen op als voorbeeld. Dus bootste hij hen na.
Nu Stéfanus dood was, wilde Saulus ook de rest van Jezus’ discipelen uitroeien. Hij begon hun huizen binnen te dringen en zowel mannen als vrouwen naar buiten te sleuren. Daarna liet hij hen in de gevangenis werpen. Veel discipelen trokken weg uit Jeruzalem om bij Saulus uit de buurt te komen. Maar zij hielden er niet mee op over Jezus te prediken. — Hand. 8:1-4.
Dit had tot gevolg dat Saulus’ haat jegens Jezus’ discipelen bleef toenemen. Hij ging naar de hogepriester en kreeg toestemming om christenen in de stad Damaskus te arresteren. Hij wilde hen als gevangenen naar Jeruzalem brengen om hen te laten straffen. Maar op de weg naar Damaskus gebeurde er iets verbazingwekkends.
Een licht flitste plotseling uit de hemel, zo fel dat het Saulus blind maakte. En een stem zei: ’Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’ Het was de Heer Jezus die vanuit de hemel sprak!
Drie dagen later verscheen Jezus in een visioen aan een van zijn discipelen, Ananías genaamd. Jezus zei Ananías dat hij Saulus moest bezoeken, zijn gezichtsvermogen moest herstellen en met hem moest spreken. Saulus had de afgelopen drie dagen eens ernstig nagedacht. Hij was bereid te luisteren. Nu aanvaardde hij de waarheid over Jezus. Zijn hele levenswijze veranderde. Hij werd de apostel Paulus, een getrouwe dienstknecht van God. — Hand. 9:1-22.
Zie je nu waarom Saulus zo slecht was? Men had hem verkeerde dingen geleerd. Hij volgde mensen na die God niet getrouw waren. En hij behoorde tot een groep mensen die de gedachten van mensen boven het Woord van God stelden.
Maar waarom veranderde Saulus zijn leven en begon hij goed te doen, ook al deden de andere Farizeeën dat niet? Het was omdat Saulus de waarheid niet werkelijk haatte.
Er zijn tegenwoordig veel mensen die net als Saulus zijn. Zij kunnen veranderen, maar het is niet gemakkelijk. Dat komt omdat er iemand is die hard werkt om iedereen ertoe te brengen slecht te doen. Weet je wie dat is? Jezus sprak over hem toen hij vanuit de hemel tot Saulus sprak. Hij zei tot Saulus: ’Ik zend je om de ogen van mensen te openen, om hen van de duisternis tot het licht en van de macht van Satan tot God te keren.’ — Hand. 26:17, 18.
Ja, het is Satan de Duivel die er de oorzaak van is dat mensen slechte dingen leren. Hij wil dat mensen slecht zijn. De bijbel waarschuwt ons voor hem door te zeggen: „Wee de aarde en de zee, want de Duivel is tot u neergedaald, en hij heeft grote toorn.” — Openb. 12:12.
De Duivel is hier dicht bij de aarde. Wij kunnen hem niet zien, want hij is een geest. Maar hij kan ons zien. Hij bestaat werkelijk en hij doet alles wat hij kan om mensen slecht te maken.
Als wij doen wat slecht is, is de Duivel blij. Maar wij willen Jehóvah blij maken, is het niet? Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat wij Jehovah blij maken?
Wij zullen God blij maken als wij altijd aandacht schenken aan de bijbel en aan wat erin staat. Als de bijbel aantoont dat wij iets slechts gedaan hebben, moeten wij ermee ophouden. Als wij uit de bijbel dingen leren waarvan God wil dat wij ze doen, moeten wij er verlangend naar zijn ze te doen. Als wij doen wat God behaagt, doen wij goede dingen, want God is goed.