Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w70 1/9 blz. 542-544
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Vergelijkbare artikelen
  • Als een familielid wordt uitgesloten . . .
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • De gezinsverantwoordelijkheid en het rein houden van Jehovah’s aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Een evenwichtige zienswijze bewaren ten aanzien van uitgeslotenen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Wat het uit de gemeenschap sluiten betekent
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
w70 1/9 blz. 542-544

Vragen van lezers

● Hoe dient een getrouwe christen te handelen jegens een uitgesloten familielid buiten de onmiddellijke gezinskring? — N. W., Canada.

Deze situatie kan een beproeving vormen voor een christen die Jehovah trouw wil blijven en toch een natuurlijke genegenheid bezit voor het uitgesloten familielid. Wij kunnen er dankbaar voor zijn dat God deze kwestie duidelijk in zijn Woord heeft behandeld.

De bijbel toont aan dat Jehovah bereid is te vergeven. Alle mensen zijn zondig, maar Hij is bereid zulke zonden op grond van Christus’ slachtoffer te vergeven als personen berouwvol vergeving zoeken. — Rom. 3:23; Hand. 26:20.

Wat gebeurt er echter als iemand die in het verleden zulk een vergeving heeft gezocht en een opgedragen dienstknecht van God is geworden, een zonde begaat? Jehovah erkent de menselijke onvolmaaktheid en zal nog steeds vergeving schenken als de zondaar zijn dwaling erkent en door zijn handelwijze bewijst dat hij berouw heeft (1 Joh. 1:9). Wanneer iemand die een christen beweert te zijn, zonde echter tot een gewoonte maakt en weigert berouw te hebben en zijn handelwijze te herzien, dan zijn Gods aanwijzingen duidelijk. Dit gebeurde in de eerste eeuw want een man in de gemeente Korinthe beoefende immoraliteit. De geïnspireerde raad aan de gemeente luidde: „Verwijdert de goddeloze man uit uw midden.” Ja, sluit hem uit de gemeente. — 1 Kor. 5:13.

Die stap was belangrijk. Er diende niet toegelaten te worden dat er een verderfelijke invloed in Gods organisatie bleef bestaan. Zoals de apostel Paulus schreef, ’doet een weinig zuurdeeg het gehele deeg gisten’. Als die immorele persoon in de gemeente bleef, zou de goede geestelijke gezindheid van de gehele gemeente verloren kunnen gaan. — 1 Kor. 5:5-7; Joz. 7:1-25.

Hoe moesten de getrouwe christenen in Korinthe die man behandelen? Paulus schreef hun, „niet langer in gezelschap te verkeren van iemand, een broeder genoemd, die een hoereerder of een hebzuchtig persoon of een afgodendienaar of een beschimper of een dronkaard of een afperser is, en met zo iemand zelfs niet te eten” (1 Kor. 5:11). Deze verwijdering uit de gemeente kan derhalve passend uitsluiting genoemd worden, want de getrouwe christenen staken hun omgang met de beoefenaar van zonde. In hoeverre?

De apostel Johannes helpt ons op dit punt. De uitgesloten persoon zou afvallig geworden kunnen zijn en onschriftuurlijke leerstellingen kunnen leren. Of hij kan, door zijn immorele levenswijze, feitelijk onderwijzen dat men een christen kan zijn en terzelfder tijd een overspeler of hoereerder. Het is duidelijk dat men op deze wijze niet in de rechtvaardige leer van Jezus blijft. Johannes schrijft betreffende zulke personen die eens christelijke broeders of zusters zijn geweest: „Een ieder die vooruitdringt en niet blijft in de leer van de Christus, heeft God niet. Wie in die leer blijft, hij heeft zowel de Vader als de Zoon. Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem nimmer in uw huis en richt ook geen groet tot hem.” — 2 Joh. 9, 10.

Het volgende vers legt de nadruk op de ernst hiervan: „Want wie een groet tot hem richt, deelt in zijn goddeloze werken” (2 Joh. 11). Dit behoeft niet noodzakelijkerwijze te betekenen dat een christen die met iemand spreekt die bijvoorbeeld wegens diefstal uit de gemeenschap werd gesloten, zelf een dief wordt, hoewel dat gemakkelijk zou kunnen. Door evenwel Gods raad in de wind te slaan en tot die persoon te spreken, zegt hij als het ware dat hij het gedrag van de dief goedkeurt, alsof het iets onbeduidends betreft.

Zo hebben wij aan de hand van de bijbel zelf vastgesteld welk standpunt een getrouwe christen ten opzichte van een uitgesloten persoon dient in te nemen — hij dient in het geheel geen omgang met hem te hebben en zelfs niet met hem te spreken. Hoe staat het er nu evenwel mee wanneer die uitgesloten persoon een familielid is?

Wanneer de uitgesloten persoon en de getrouwe christen deel uitmaken van hetzelfde gezin en in gezinsverband wonen, zoals man en vrouw, zijn er andere bijbelse factoren bij betrokken. Indien de vrouw van een christelijke man wegens liegen zou zijn uitgesloten, zou hij nog steeds met haar gehuwd zijn; de bijbel zegt dat zij samen één vlees vormen (Ef. 5:31). In dat geval dient hij nog steeds voor haar te zorgen als zijn vrouw en een lid van zijn huisgezin. Dit houdt in dat hij met haar over de dagelijkse aangelegenheden van hun leven zal spreken. Toch zal hij, uit respect voor het uitsluitingsbevel, waardoor hun contact als geestelijke broeder en zuster is verbroken, beslist geen bijbelstudie met haar houden noch met haar over geestelijke zaken spreken. (Zie voor meer details De Wachttoren van 15 oktober 1963, de bladzijden 627-630.)

De onderhavige vraag heeft echter in de eerste plaats te maken met een familielid buiten de onmiddellijke gezinskring, iemand die niet in hetzelfde huis woont. Zou enig contact mogelijk zijn?

Ook in dit geval verbreekt de uitsluiting niet de banden van vlees en bloed, maar in deze situatie zou contact, indien dit nodig zou blijken, veel beperkter zijn dan tussen personen die in hetzelfde huis wonen. Toch zouden zich enkele absoluut noodzakelijke gezinsaangelegenheden kunnen voordoen welke contact nodig maken, zoals wettelijke regelingen in verband met een testament of bezittingen. Er dient echter aan het uitgesloten familielid duidelijk te worden gemaakt dat zijn status is veranderd en dat hij niet langer welkom is en ook geen verkieslijk gezelschap meer vormt.

Dit is vanzelfsprekend zowel schriftuurlijk als redelijk. Zoals wij hebben gezien, raadt God christenen aan „niet langer in gezelschap te verkeren” van zo iemand en „met zo iemand zelfs niet te eten”. Hij gebiedt christenen ook ’hem nimmer in hun huis te ontvangen en ook geen groet tot hem te richten’. Zou de christen, indien er normale gezellige omgang tussen hem en dit uitgesloten familielid zou blijven bestaan — iets wat niet noodzakelijk is, aangezien zij niet in hetzelfde huis wonen — God gehoorzamen? Wanneer zich in een kleine gemeente een aantal aan elkaar verwante families bevinden, zou die uitgesloten persoon, indien iedereen hem op dezelfde wijze zou bejegenen als vóór zijn uitsluiting — samen winkelen, samen picknicken, op elkaars kinderen passen — nauwelijks merken dat al zijn getrouwe christelijke familieleden het kwaad dat hij heeft beoefend letterlijk haten (Ps. 97:10). Ook zouden buitenstaanders geen enkele verandering opmerken, hoewel zij van het onchristelijke gedrag van de zondaar op de hoogte zijn.

Wij moeten goed in gedachten houden dat het feit dat de uitgesloten persoon zich niet in het gezelschap van zijn christelijke familieleden kan verheugen, niet hun fout is, alsof zij hem onheus behandelen. Zij gedragen zich overeenkomstig beginselen, hoge beginselen, Gods beginselen. De uitgesloten persoon is zelf voor zijn situatie verantwoordelijk; hij heeft deze over zichzelf gebracht. De verantwoordelijkheid rust derhalve op hem!

Als de uitgeslotene zich weer in de begeerlijke omgang met Jehovah en getrouwe christenen wil verheugen, is dat mogelijk. Jesaja schreef: „Laat de goddeloze zijn weg verlaten en de man van schadelijkheid zijn gedachten; en laat hij terugkeren tot Jehovah, die hem barmhartig zal zijn, en tot onze God, want hij zal rijkelijk vergeven” (Jes. 55:7). Een uitgeslotene die berouwvol is, kan vergeving ontvangen en weer in de gemeente hersteld worden. — 2 Kor. 2:6-8.

Maar totdat dit gebeurt zijn getrouwe christenen verplicht de uitsluiting te respecteren door omgang met de uitgeslotene te vermijden. Indien deze persoon een familielid is dat niet in hetzelfde huis woont, zullen zij proberen in het geheel geen omgang met hem te hebben. En indien zich een onvermijdelijke en absoluut noodzakelijke familieaangelegenheid voordoet, zullen zij het contact met die persoon tot het minimum beperken en absoluut geen uitwisseling van gedachten over geestelijke zaken met hem hebben. Op die wijze geven zij blijk van hun loyaliteit jegens God, zijn Woord en zijn gemeente.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen