„Praatjes” kunnen dodelijk zijn
WAT verstaat u onder het woord „praatje”? Misschien een gemoedelijk gesprek over wederzijds bekende zaken? Of het overbrengen van een ’interessant nieuwtje’ over iemand anders ten koste van diens reputatie?
Dat onze gesprekken zo vaak andere personen tot onderwerp hebben, vindt gewoonlijk zijn oorsprong in onze belangstelling voor mensen en wat zij doen. Over derden praten kan betekenen dat wij iets onbelangrijks of iets waartegen niemand bezwaar zal maken, over anderen vertellen, zuiver uit menselijke belangstelling. Het zou zelfs prijzende opmerkingen over de persoon kunnen omvatten. Vaak neemt het de vorm aan van een luchtig en humoristisch gesprekje, waarbij geen slechte bedoelingen in het spel zijn. Aan de andere kant bestaat de mogelijkheid dat degene over wie wordt gepraat door de opmerkingen in een ongunstig licht wordt gesteld. Zulke opmerkingen kunnen in de vorm van een grap worden gemaakt, misschien gedachteloos.
Ook al wordt er zonder slechte bedoelingen over iemand anders gepraat, toch zijn er tijden dat sommige dingen beter niet gezegd kunnen worden. Ze kunnen waar zijn, maar ze kunnen zaken betreffen waarvan de derde partij niet graag zou willen dat ze onder zijn vrienden en buren worden besproken, en als hun welzijn niet bij zulke kwesties betrokken is, is het voor hen niet noodzakelijk ze te weten. Hier komt het op empathie aan. Hoe zou u het vinden wanneer uw persoonlijke aangelegenheden het onderwerp van zo’n gesprek zouden vormen?
„PRAATJES” DIE SCHADELIJK ZIJN
Het is zo gemakkelijk om van onschuldig gepraat over personen tot kwaadspreken te vervallen! Hier dreigt gevaar. Weet u waar u de grens moet trekken? Kunt u het één van het ander onderscheiden? Het is van het grootste belang dat u dit doet, als u uw lippen ervoor wilt behoeden ’moeite te spreken’. — Spr. 24:2.
De vraag die u zichzelf moet stellen luidt: Is dit praatje schadelijk voor iemand? Deze vraag is uiterst belangrijk, omdat de bijbel christenen duidelijk de raad geeft „over niemand nadelig te spreken” (Tit. 3:2). Ook al hebt u er geen slechte bedoelingen mee, als zulke praat iemand schade blijkt te berokkenen, kunt u van de zijde van verantwoordelijke personen in de christelijke gemeente een strenge berisping verwachten. Zij hebben de taak vrede en goede betrekkingen onder alle leden van de kudde van God te bewaren.
Dat „praatjes” in de dagen van de apostelen problemen veroorzaakten, kan worden opgemaakt uit de woorden die de apostel Paulus over jonge weduwen schreef: „Terzelfder tijd leren zij ook zonder bezigheid te zijn, doelloos bij de huizen rondlopend, ja, niet alleen zonder bezigheid, maar ook als roddelaarsters en zich inlatend met andermans zaken, pratend over dingen waarover zij niet behoren te praten” (1 Tim. 5:13). Nadelig over iemand spreken, ofte wel roddelen, houdt verband met ongerechtvaardigde belangstelling voor andermans persoonlijke zaken. En het neemt vaak de vorm van kritiek aan, van een voorbarig oordeel, aangezien men niet van alle feiten van het geval op de hoogte is.
Achter iemands rug kwaadspreken kan slecht voor de lasteraar aflopen. De roddelaar zou tot iemand kunnen spreken die een intieme vriend is van degene over wie wordt gepraat, en dan kunnen er twee dingen gebeuren: òf de vriendschap verkoelt òf degene tegen wie de roddelaar heeft gepraat gaat het aan de benadeelde persoon vertellen. Hierdoor kan een geest van vergelding en van vijandige gevoelens in de gemeente ontstaan. In Spreuken wordt terecht gezegd: „Hij die over een zaak blijft praten, scheidt hen die vertrouwelijk met elkaar omgaan” (Spr. 17:9). Een christen zal dit toch stellig niet op zijn geweten willen hebben!
LASTER IS DODELIJK
Hoewel praatjes over anderen onder bepaalde omstandigheden dodelijk kunnen worden, is alle laster dodelijk. Laster wordt gedefinieerd als „het uiten van valse beschuldigingen of het geven van een onjuiste voorstelling van zaken waardoor iemands goede naam wordt aangetast en geschaad”. In tegenstelling tot beuzelpraat is er bij laster boze opzet in het spel. De lasteraar tracht iemand opzettelijk in een slecht daglicht te stellen. Hoe volledig in strijd is dit met de geest van liefde en vrede! Zulke praat die ten doel heeft iemand anders te schaden, scheidt vrienden, veroorzaakt verdeeldheid, bevordert sekten en verstoort de nuttige werkzaamheid van een gemeente van christenen. Geen wonder dat de apostel Paulus al deze onruststokers over één kam scheert door te verklaren: „God [heeft] hen aan een verwerpelijke geestestoestand overgegeven om de dingen te doen die niet betamen, vervuld als zij waren van allerlei onrechtvaardigheid, goddeloosheid, hebzucht, slechtheid, vol zijnde van afgunst, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid, heimelijke fluisteraars zijnde, achterklappers, haters van God, onbeschaamd, hoogmoedig, aanmatigend, uitvinders van schadelijke dingen” (Rom. 1:28-30). De discipel Jakobus zei over de tong die nadelig over anderen spreekt, dat ze „vol dodelijk vergif” is. — Jak. 3:8.
In de wet die God aan Israël gaf, werd de dodelijke uitwerking van laster beseft, en er werd dan ook voor gewaarschuwd: „Gij moogt niet onder uw volk rondgaan om te lasteren. Gij moogt niet tegen het bloed van uw naaste optreden” (Lev. 19:16). De lasteraar koestert haat, en „een ieder die zijn broeder haat, is een doodslager”. — 1 Joh. 3:15.
Schadelijk en lasterlijk gepraat is als een tweesnijdend zwaard. Het snijdt aan twee kanten. Iedereen zal gemakkelijk genoeg kunnen inzien hoe laster schade aanricht in het leven van degene die er het doelwit van is — door toorn, wrok, bitterheid en zelfs wanhoop te zaaien. Hoe staat het echter met de lasteraar zelf? Laat hij zichzelf niet bedriegen, want de wijsheid vanuit de hemel waarschuwt: „De lippen van de verstandeloze verzwelgen hem. Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid, en het einde naderhand uit zijn mond is rampspoedige waanzin. En de dwaas spreekt veel woorden” (Pred. 10:12-14). Door zijn dwaze handelwijze worden slechte neigingen als jaloezie, trots en kwaadaardigheid gevoed, welke uiteindelijk rampspoed voor hem zullen betekenen.
Rijpe christenen gaan een lasteraar zo ver mogelijk uit de weg. De apostel Paulus gaf zijn medeaanbidders dan ook de raad: Houdt „hen in het oog . . . die . . . verdeeldheid veroorzaken en aanleiding tot struikelen geven, en mijdt hen” (Rom. 16:17). Willen Jehovah’s dienstknechten de zegeningen van hun God ontvangen, dan moeten zij in vrede en liefde met elkaar omgaan.
Het Griekse woord voor „lasteraar” is diábolos, wat ook „beschuldiger” betekent. Het is een van de titels geworden van Gods aartsvijand de Duivel. Degenen die anderen lasteren zoals hij de rechtvaardige God lastert, maken zich werkelijk tot duivels of tot kinderen van de Duivel.
GEEN RESPECT VOOR AUTORITEIT
Nadelig gepraat over personen die in de christelijke gemeente verantwoordelijkheid dragen, is eveneens bijzonder ernstig, aangezien het onmiddellijk van invloed is op de loyaliteit van alle betrokken personen. Het kan ontaarden in laster, terwijl men degenen die tot taak hebben de kudde van God te weiden, kwaad zou kunnen toewensen. Een dergelijk gepraat wordt soms „beschimpen” genoemd. Zulk een gebrek aan passend respect wordt door Jehovah zelf ernstig aangerekend. „Gij moogt God geen kwaad toewensen, noch een overste onder uw volk vervloeken”, gebood God de Israëlieten (Ex. 22:28). Een voorbeeld hiervan was dat van Korach en zijn metgezellen, wier gebrek aan respect voor Mozes en Aäron tot gevolg had dat Jehovah snel zijn oordeel ten aanzien van hen voltrok. — Num. 16:1-3, 12-14, 31-35.
De christelijke bijbelschrijver Judas vestigt de aandacht op die opstandelingen en wijst op hun einde als een waarschuwing voor alle lasteraars en beschimpers (Jud. 10, 11, 14-16). De apostelen Petrus en Paulus waren beiden in de gelegenheid deze slechte houding te veroordelen (2 Petr. 2:10; Rom. 3:8). En de apostel Johannes noemt speciaal Diótrefes als een van degenen die geen respect hadden voor degenen die door Jehovah waren aangesteld, de apostelen, want hij bleef ’met boosaardige woorden over ons snateren’ (3 Joh. 9, 10). Zou God het in deze tijd door de vingers zien wanneer mensen een overeenkomstig gebrek aan respect aan de dag leggen ten opzichte van degenen die hij speciale verantwoordelijkheden verkiest te schenken?
Gods dienstknecht Judas herinnert ons aan het voortreffelijke voorbeeld dat door de aartsengel Michaël werd gegeven. Toen hij „een geschil had met de Duivel en redetwistte over Mozes’ lichaam, durfde hij niet in beschimpende bewoordingen een oordeel tegen hem uit te brengen, maar hij zei: ’Jehovah bestraffe u’” (Jud. 9). Die glorierijke aartsengel liet zich niet tot schimpend gepraat verlagen, zelfs niet tegen de Duivel, maar in zijn respect voor autoriteit zei hij: „Jehovah bestraffe u.”
VERMIJD DE GEVAREN VAN GERODDEL
Wanneer iemand onder Gods gemeente van aanbidders bekend komt te staan als een roddelaar, een fluisteraar, een achterklapper, een lasteraar of een beschimper, kan dit slechte gevolgen voor hem hebben. Ware christenen zullen zo iemand mijden. De geestelijke gezondheid van de gemeente kan in gevaar gebracht worden. Het is nodig geweest personen uit de aangename broederschap in de duisternis daarbuiten te werpen, omdat hun tong te gemakkelijk ten nadele van anderen in beweging kwam. Dit zijn beslist situaties waarin men zich nooit zou willen bevinden! Hoe kan een dergelijk gevaar echter vermeden worden?
In de eerste plaats is het noodzakelijk onze geest en ons hart door Gods geest te laten leiden. Dit wordt mogelijk gemaakt door de schitterende bijbelse beginselen te bestuderen en door God in gebed te vragen of hij ons erbij wil helpen die beginselen in ons leven toe te passen. Verder is het ook noodzakelijk elke slechte gedachte uit te bannen die men misschien over een geestelijke broeder of zuster koestert, of deze nu haar oorsprong vindt in minachting, jaloezie, vijandschap, wedijver of enige soortgelijke geesteshouding. Wanneer wij in gedachten houden dat iedere dienstknecht van God alleen aan Hem verantwoording verschuldigd is, zullen wij ons er waarschijnlijk van weerhouden hun reputatie aan te tasten, want dan zouden wij ons aansluiten bij de Duivel en zijn demonen, die er behagen in scheppen al Gods slaven te lasteren en in een slecht daglicht te stellen. — Openb. 12:10.
Merk op welke voortreffelijke raad de apostel Paulus geeft over de wijze waarop wij ons denkvermogen kunnen beheersen en aldus de gevaren kunnen vermijden die uit nadelig gepraat en laster kunnen voortvloeien: „Al wat waar is, al wat van ernstig belang is, al wat rechtvaardig is, al wat eerbaar is, al wat liefelijk is, alles waarover gunstig wordt gesproken, welke deugd er ook is en al wat lof verdient, blijft deze dingen bedenken” (Fil. 4:8). Op die manier zal er geen plaats zijn voor schadelijke gedachten. Zulke gedachten zullen licht in gesprekken tot uiting komen, hetgeen verstrekkende en verwoestende gevolgen zal hebben. — Jak. 3:5-10.
Degenen die God liefhebben en overeenkomstig zijn liefdevolle voorziening wensen te leven, dienen de gezonde vrees te koesteren schuldig bevonden te worden aan de gewoonte nadelig over anderen te praten. Christus Jezus waarschuwde „dat de mensen van elk nutteloos woord dat zij spreken, rekenschap zullen geven op de Oordeelsdag, want naar uw woorden zult gij rechtvaardig worden verklaard en naar uw woorden zult gij worden veroordeeld” (Matth. 12:36, 37). De roddelaar bevindt zich op een doodlopende weg. Deze kan zijn dood betekenen.