Vreugdevolle dienst met Jehovah’s organisatie
Zoals verteld door H. M. Krull
’OPGELEID in de weg die ik diende te gaan.’ Dit was mijn erfenis van godvrezende, waarheidlievende ouders. Zij waren weliswaar grootgebracht volgens de lutherse religie, maar zij waren er niet gelukkig in. Zij hongerden naar iets dat meer voldoening gaf.
Ik kan mij herinneren dat toen ik nog maar een kind was er een man met zijn vrouw bij ons aan de deur kwam met drie pocket-boeken, „Millennial Dawn” genoemd. Zoals later bleek, waren zij colporteurs (nu bekend als pionierbedienaren) van de Watch Tower Bible and Tract Society. Ik zie hun stralende gezichten nog voor mij toen zij enthousiast spraken over de bijbelse boodschap van hoop, de duizendjarige regering van Christus en nog vele andere prachtige dingen. Moeder nam de lectuur. Zij was ervan overtuigd dat dit was hetgeen zij zocht.
Mijn vader, die altijd al leergierig was, begon te lezen en ook hij herkende spoedig de zuivere klank van Gods waarheid. Het duurde niet lang of hij sprak bij elke gelegenheid over de nieuwe dingen die hij leerde — tot zijn kinderen, klanten in de winkel winkelbedienden, familieleden en kennissen. Hij deed dit zelfs in die mate dat wij dikwijls opmerkingen hoorden over „Krulls religie”. Iedereen zou graag meer willen weten over de schitterende toekomst die in de bijbel wordt uiteengezet — zo dacht vader tenminste.
Toen kwam er vreugdevol nieuws voor ons allen. Charles T. Russell, de schrijver van de zielroerende boeken die wij hadden ontvangen, zou in Indianapolis, zo’n tachtig kilometer van ons vandaan, een toespraak houden over een zeer ongewoon onderwerp — „Naar de hel en terug”. Mijn ouders deden speciale moeite om ernaartoe te gaan en kwamen overvloeiend van opwinding van de lezing terug. Nog nooit hadden zij zo’n lezing gehoord! Zij waren zo opgetogen dat zij weinig aandacht schonken aan de bespottingen en kleinerende opmerkingen van hen die beweerden dat er geen terugkeer uit de hel is. Vader was nu volledig overtuigd. De bijbel lag altijd binnen zijn bereik en hoewel hij bekendstond om zijn stiptheid, kwam hij nu dikwijls laat thuis wanneer hij iemand had gevonden die naar het „goede nieuws” wilde luisteren.
Omstreeks deze tijd verhuisde er een Bijbelonderzoeker (zoals Jehovah’s getuigen toen bekendstonden) met zijn gezin naar onze stad Muncie, in Indiana. Hij zocht ons op omdat hij had vernomen dat vaders naam op de lijst van abonnees op The Watch Tower stond. Hij nodigde ons uit voor een bijbellezing die de volgende dag, zondag, bij hem thuis gehouden zou worden. Alle negen van ons gezin waren aanwezig, en dat was het begin van iets dat wij door de jaren heen zijn blijven doen — vergaderingen bezoeken.
Ons eerste aandeel aan de van-huis-tot-huisbediening bestond in het verspreiden van traktaten. Ons gebied was alles binnen een straal van ongeveer vijftig kilometer. Op sommige dagen werkten wij van de vroege morgen tot de late avond. Wij trokken voordeel van plaatselijke jaarmarkten door traktaten in de voertuigen te verspreiden, waarbij wij dikwijls de hoeven van nerveuze paarden moesten ontwijken of de barse afwijzingen moesten incasseren van mensen die geen belangstelling hadden. Maar elke dag van dienst eindigde met een onbeschrijflijke voldoening dat wij hadden gedaan wat wij konden.
Van colporteurs die in de omliggende gebieden werkten en die dikwijls het weekend bij ons thuis doorbrachten, staken wij veel op. Door de ervaringen die zij vertelden gingen wij steeds meer beseffen hoe waardevol het is om methoden en manieren te bespreken waardoor de mensen op een doeltreffende wijze bereikt konden worden. Wij gingen inzien dat organisatie nodig is om resultaten te verkrijgen. Onze geest was gericht op dienstvoorrechten en het duurde niet lang of wij begonnen te overdenken hoe ook wij de vreugden konden smaken van de volle-tijdpredikingscarrière als pionierbedienaren.
DE PIONIERSDIENST BEGINT
De zomer van 1908 bracht een grote gebeurtenis voor ons gezin. Wij bezochten het congres in Put-in-Bay, Ohio, en zes leden van het gezin, met inbegrip van vader, moeder en mijzelf, symboliseerden hun opdracht aan Jehovah en werden door onze geliefde broeder in het geloof, W. E. Van Amburgh, gedoopt. Diezelfde zomer begon ik met de pioniersbediening, eerst in onze eigen stad en toen later in de omliggende provincies. De dagen waren gevuld met nieuwe en stimulerende ervaringen die mij in de vóór ons liggende jaren zeer te stade zouden komen.
Toen kwam het opwindende nieuws dat Pastor Russell naar onze stad zou komen om een openbare lezing te houden. Hoe verrukt waren wij! En wij werkten hard en lang, door borden en spandoeken te schilderen en door met uitnodigingen van deur tot deur te gaan en de zakenlieden in ons gebied persoonlijk op te zoeken. Stelt u zich onze vreugde eens voor toen de Operazaal een half uur voordat de lezing zou beginnen tot de nok toe gevuld was. De toehoorders luisterden twee uur lang met onverdeelde aandacht. Na afloop bleven er nog mannen en vrouwen na om hun waardering uit te spreken over hetgeen zij gehoord hadden. En wij verheugden ons over deze resultaten van georganiseerde dienst.
Nog een kenmerk van die dagen dat mij altijd zeer geholpen heeft de status van volle-tijdprediker van het „goede nieuws” te behouden, waren de bezoeken van vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap, die toen als „pelgrims” bekendstonden. Gelukkigerwijs scheen ons huis altijd op de hoofdroute van die toegewijde dienstknechten van Jehovah te liggen. Wat hebben wij genoten van de bezoeken van J. F. Rutherford, A. H. Macmillan, H. H. Riemer, C. A. Wise, R. H. Barber en talloze anderen! Hoe hebben zij tot onze immer vloeiende stroom van vreugde en tot de rijkdom van ons geloof bijgedragen! En hoe hebben zij ons geholpen Jehovah’s organisatie te waarderen!
BETHELVOORRECHTEN
Een periode van mijn leven die mij zeer kostbaar is, begon toen ik in 1913 als een lid van de Bethelfamilie op het hoofdbureau te Brooklyn, New York, werd aangenomen. Dat jaar was ook het Photo-Drama der Schepping in voorbereiding. Het was samengesteld uit films en prachtige gekleurde lichtbeelden van taferelen uit de bijbelse geschiedenis, vergezeld van lezingen en muziek op grammofoonplaten. Het bestond uit vier delen van elk twee uur lang.
Het Wachttorengenootschap had een gedeeltelijk voltooid theater gekocht aan de 63ste Straat Westzijde, vlak bij Manhattans Broadway. Vele toegewijde handen werkten dag en nacht aan het gebouw om het gereed te krijgen voor de inwijding. Het werd „De Tempel” genoemd. Nog groter was de vreugde die wij op de bewuste zondag vroeg in januari 1914 ervoeren toen het prachtige en onderwijzende Photo-Drama daar voor het eerst werd vertoond.
De volgende dag gaf Pastor Russell mij, samen met mijn broer en zuster, de toewijzing om het Drama tweemaal per dag in De Tempel te vertonen. Later werkte het Genootschap plannen uit om het Photo-Drama in elke plaats of stad van 5000 of meer inwoners te vertonen. Dat was werkelijk een druk en vreugdevol jaar.
Gedurende dat jaar werden de besprekingen aan de eettafel in Bethel steeds interessanter. Dikwijls hield Pastor Russell ons nog lang na het etensuur aan tafel om over het einde van „de tijden der heidenen” en onze hoop in verband daarmee te spreken. Ik herinner mij nog heel goed dat hij de deugdelijke raad en ernstige aanmaning gaf om „de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot het einde toe vast [te] behouden” (Hebr. 3:6, SV). Hij verklaarde dat het tijdelement opnieuw was beschouwd en nog steeds nauwkeurig scheen te zijn, maar dat als wij méér verwachtten dan door de Schrift te kennen werd gegeven, wij bereid moesten zijn onze geest en ons hart in geloof aan Jehovah’s weg aan te passen en op hem moesten wachten voor de uitwerking van verwante gebeurtenissen. Wat een voortreffelijke raad bleek dat te zijn!
Enkele jaren later werden allen die onze openbare vergaderingen bezochten ertoe aangemoedigd, indien zij belangstelling hadden, hun naam en adres op te geven zodat zij bezocht konden worden om verdere gesprekken over de bijbel te hebben. Sommige van die bezoeken duurden tot diep in de nacht, daar de mensen belangstelling toonden voor de organisatie die de lezingen verzorgde en graag meer over de schitterende bijbelse hoop wilden weten. Elke dag was als een groots avontuur waardoor wij waakzaam bleven en er in gebed om smeekten of wij ’altijd gereed mochten zijn ons te verdedigen’ met betrekking tot de door ons gekoesterde hoop. — 1 Petr. 3:15.
Kunt u zich voor de geest halen hoe wij op een van die drukke avonden aan de bediening deelnamen? Wij hadden ten minste vier stel van de zeven delen van de Schriftstudiën bij ons. Wij moesten misschien wel kilometers en kilometers lopen voordat de tocht ten einde was. Maar wat een vreugde bracht dit met zich mee!
VERDRUKKINGEN, DAARNA GROTERE VREUGDE
Toen wij tegenover de complicaties van de Eerste Wereldoorlog kwamen te staan en er pogingen werden gedaan om ons christelijke werk uit te roeien en de organisatie lam te leggen, beseften wij als nooit tevoren dat God een organisatie heeft. Ik herinner mij nog dat wij het speciale Bible Students Monthly-traktaat kregen getiteld „De val van Babylon”. Wij beseften dat er moed voor nodig zou zijn om deze krachtige boodschap, met de spotprent waarop men kon zien hoe Babylons muren stukje bij beetje afbrokkelden, te verspreiden. En ja hoor, toen wij op een morgen zo’n dertig kilometer van huis bezig waren met het verspreiden van deze traktaten, belandden moeder en ik en nog twee Getuigen in de gevangenis, waar wij een volle dag en bijna de hele nacht werden vastgehouden zonder dat wij bezoek mochten ontvangen. Een advocaat, in wiens kantoor wij eerst werden vastgehouden, riep uit: „Als deze mensen christenen zijn, dan is het iets verschrikkelijks wat hier vandaag gebeurt.”
Toen later onze christelijke broeders van Brooklyn-Bethel terechtstonden en tot lange gevangenisstraffen werden veroordeeld, waren de tijden beslist moeilijk. Wij vatten echter moed toen er stappen werden gedaan om een verzoekschrift te laten rondgaan waarin om hun vrijlating uit onrechtvaardige gevangenschap werd gevraagd. Ik werd nogmaals gearresteerd. Ditmaal werd ik naar het hoofdbureau van politie gebracht om achter gesloten deuren ondervraagd te worden. Men toonde mij het archief dat over de Bijbelonderzoekers werd bijgehouden en ik werd grondig ondervraagd over het doel en de aard van onze activiteit. Ten slotte accepteerden zij lectuur waarin ons standpunt werd verklaard en beloofden die door te lezen zodat zij zouden weten wat zij moesten zeggen wanneer er telefonische klachten over onze activiteiten binnenkwamen.
Wat een vreugdevolle dag was het toen wij vernamen dat de bestuursleden van het Wachttorengenootschap uit de gevangenis waren ontslagen en waren gerehabiliteerd! Hoe dankbaar jegens Jehovah waren wij allen! Spoedig daarna kwamen de bewijzen van een sterkere, meer toegewijde organisatie. Er zou een congres worden gehouden te Cedar Point, Ohio. Wij hadden er verlangend naar uitgezien onze geestelijke broeders en zusters te ontmoeten en met hen te spreken. En nu werd door het congres onze wens vervuld, terwijl het zelfs al onze verwachtingen te boven ging. En een grote verrassing! Er werd een nieuw en krachtig instrument voor onze bediening verkrijgbaar gesteld — The Golden Age, een tijdschrift van feiten, hoop en overtuiging, dat later bekend kwam te staan als Ontwaakt! Het was een voorrecht tot degenen te behoren die de toewijzing kregen abonnementen in ontvangst te nemen van de broeders die daar te Cedar Point bijeengekomen waren. Nu, bijna vijftig jaar later, bieden wij dit prachtige tijdschrift nog steeds met onverminderde vreugde aan de mensen aan.
In 1922 waren wij nogmaals op een congres in Cedar Point bijeen. Het was alsof wij met onze voeten weer op vaste grond stonden toen wij de woorden hoorden: „Terug naar het veld, o gij zonen van de allerhoogste God!” En wat een grote vreugde toen het spandoek boven het podium plotseling werd onthuld en wij daar onze marsorders konden lezen: „Verkondig de Koning en het Koninkrijk.”
KOSTBARE PIONIERSBEDIENING
In 1926 kregen mijn zuster Helen en ik een toewijzing voor de volle-tijdpredikingsactiviteit. Hoe blij was ik deze voorrechten weer ter hand te kunnen nemen! Er waren echter moeilijke tijden aangebroken en dikwijls moesten wij bijbelse lectuur ruilen voor alles wat de mensen te bieden hadden — kippen, maïs, eieren, siroop, enzovoort. Wij ruilden zelfs zeepwikkels bij duizenden, en ’s avonds, wanneer wij de ervaringen van de dag uitwisselden, knipten wij dan de bonnen uit.
In plaatsen waar wij mensen vonden die werkelijk belangstelling voor bijbelstudie hadden, troffen wij regelingen om op een geschikte avond terug te komen. Wij maakten plannen om met een op de grammofoon opgenomen bijbellezing terug te gaan en werden dikwijls aangenaam verrast wanneer wij bemerkten dat huisbewoners al hun buren hadden uitgenodigd om te komen luisteren.
In één kleine fabrieksstad maakten de autoriteiten bezwaar tegen ons christelijke werk, en Helen en ik werden gearresteerd en in de fabrieksgevangenis opgesloten, een plaats die gewoonlijk voor dronkaards werd gereserveerd. Dit was op een tijdstip dat velen van onze medechristenen in het gehele land vervolging ondergingen. Wij kregen een onbeduidend verhoor en werden veroordeeld. Toen de zaak later echter in hoger beroep voorkwam, werden wij vrijgesproken doordat er een overwinning in het Hooggerechtshof werd behaald. Wederom was Jehovah’s organisatie ons te hulp gekomen. Tijdens al deze ervaringen waren wij ons altijd bewust van het nauwe contact dat er, hoewel wij dikwijls geïsoleerd waren, tussen onszelf en onze broeders op het hoofdbureau van het Genootschap bestond.
Tegen 1943 hadden moeder en vader hun loopbaan geëindigd. Zij stierven in de vreugdevolle voldoening zoveel voorrechten te hebben gesmaakt. Wij kinderen moesten het nu weliswaar zonder hun hulp en aanmoediging stellen, maar met Jehovah’s hulp waren wij nu voldoende sterk om de nieuwe omstandigheden het hoofd te bieden. Onze andere zuster, Maud, stemde erin toe extra verplichtingen op zich te nemen om Helen en mij in staat te stellen onze pioniersloopbaan voort te zetten. Wij werkten nu dicht bij huis. Toen, eind 1966, ontsliep Maud, en opnieuw moesten wij de uitdaging het hoofd bieden om onze aangelegenheden zo te regelen dat wij zonder onderbreking onze gekozen roeping konden blijven vervullen. In onze droefheid werden wij ten zeerste vertroost door de woorden van Psalm 116:15: „Kostbaar in de ogen van Jehovah is de dood van zijn loyalen.” Er was nog steeds vreugde in het dienen met Jehovah’s organisatie.
Enkele jaren geleden was het een grote vreugde om Brooklyn-Bethel opnieuw voor een paar dagen te bezoeken. Het leek wel alsof de tussenliggende jaren waren weggevallen en ik weer een lid van die prachtige familie was. De familie was beslist gegroeid. Toch vond ik nog bekende gezichten, van wie enkelen loyaal aan hun werk zijn gebleven sinds de Eerste Wereldoorlog. Hoe bemoedigend is het echter te zien dat Jehovah’s organisatie, zonder afhankelijk te zijn van mensen, er door zijn onverdiende goedheid mee voortgaat leiding te geven aan een voorspoedige, wereldomvattende bediening tot zijn lof!
Naarmate de jaren verstrijken, hebben wij gemerkt dat onze krachten en ons fysieke uithoudingsvermogen danig achteruit zijn gegaan, maar de vreugde is veeleer blijven toenemen. Wij hebben geleerd dankbaar te zijn voor hetgeen wij nog kunnen doen en niet te piekeren over hetgeen wij nu niet kunnen doen. De schitterende stroom van bijbelse waarheid die door middel van de bladzijden van De Wachttoren tot ons komt, heeft ons voortdurend kracht geschonken, een geestelijke kracht die ons schraagt en ons ertoe beweegt ondanks onze menselijke zwakheden te zingen: „O Jehovah, gij zijt mijn God. Ik verhoog u, ik prijs uw naam, want gij hebt wonderbare dingen gedaan, raadslagen uit vroeger tijden, in getrouwheid, in betrouwbaarheid.” — Jes. 25:1.