Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w68 1/7 blz. 415
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Een evenwichtige kijk op populaire gebruiken
    Ontwaakt! 2000
  • Welke gewoonte moet u volgen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Feesten die God afkeurt
    Blijf in Gods liefde
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
w68 1/7 blz. 415

Vragen van lezers

● Is het juist dat christenen „een toost uitbrengen” als zij bij elkaar zijn? — M.D., V.S.

In sommige landen drinken kennissen, als zij op het punt staan te vertrekken, ten afscheid de een of andere alcoholische drank, waarbij zij hun glas opheffen en tegen dat van de anderen aanstoten, hetgeen vergezeld gaat van uitdrukkingen als ’op je gezondheid’ of iets dergelijks. Bij huwelijksrecepties wordt er vaak op de gezondheid en het geluk van het pasgehuwde paar getoost. Begrijpelijkerwijs hebben enkelen de vraag gesteld of het voor christenen schriftuurlijk juist is aan dergelijke heildronken deel te nemen.

Er steekt stellig niets verkeerds in als een christen een vriend geluk en een goede gezondheid wenst en het is evenmin verkeerd dit als groep te doen. De geestelijk oudere mannen in de eerste eeuw eindigden een brief aan de christelijke gemeenten met een uitdrukking die in wezen betekent: „Gezondheid!” — Hand. 15:29.

Is dit echter alles wat er over „toosten” te zeggen valt? Waarom heffen degenen die een toost uitbrengen hun glas of pul op en stoten zij deze tegen die van de anderen? Wordt hiermee het een of andere gebruik nagebootst? Merk op wat The Encyclopædia Britannica, 11de uitgave, Deel 13, blz. 121, zegt:

„Het gebruik de levenden ’gezondheid’ toe te drinken, is naar alle waarschijnlijkheid aan de oude religieuze rite ontleend de goden en de doden toe te drinken. De Grieken en Romeinen brachten aan de maaltijden hun goden plengoffers en dronken bij ceremoniële banketten op hen en de doden.” Na te hebben aangetoond hoe dergelijke heidense gebruiken onder Scandinavische en Teutoonse volken zijn blijven bestaan, zegt dit naslagwerk vervolgens: „Het gebruik op de gezondheid van levende mensen te drinken, moet nauw verwant zijn aan deze quasi-offerandelijke drinkgebruiken.”

Als mensen gezamenlijk een toost uitbrengen, hebben zij er waarschijnlijk geen notie van dat zij wel eens de gewoonte konden nabootsen een pleng- of drankoffer aan heidense goden te brengen, maar toch zou dit zo kunnen zijn. Een getrouwe christen zou natuurlijk niet aan een werkelijk heidens offer deelnemen, want hij beseft dat men „niet de beker van Jehovah en de beker van de demonen [kan] drinken” (1 Kor. 10:21). Een rijpe christen zou het ook vermijden vals-religieuze riten zelfs maar na te bootsen. Deze geestelijk rijpe handelwijze zou Jehovah behagen. Bedenk dat God de Israëlieten er specifiek voor waarschuwde geen religieuze praktijken van de heidense natiën die hen omringden over te nemen. — Lev. 19:27; 21:5.

Als een christen Gods zegen over een ander afsmeekt, is het passend dat door middel van een innig gebed tot God te doen, niet door tradities te volgen die gebaseerd zijn op heidense aanbidding die Jehovah verafschuwt. — Fil. 1:9; 2 Kor. 1:11.

Over de gehele aarde wemelt het van gebruiken en tradities. Als een rijpe christen wist dat een bepaalde gewoonte of traditie rechtstreeks op valse religie gebaseerd was, zou hij deze vanzelfsprekend vermijden. Niet alle gewoonten zijn echter laakbaar. Sommige zijn wellicht eenvoudig plaatselijke gebruiken of behoren tot de etiquette zonder een vals-religieuze oorsprong, zoals groeten door elkaar de hand te schudden of een buiging te maken (Gen. 23:7). Elkeen kan nagaan wat hij over een bepaald gebruik weet en hoe hij er zelf tegenover staat. Waarom doet hij het eigenlijk? Hij zou zich ook kunnen afvragen: ’Zal ik hierdoor anderen tot struikelen brengen, of zullen de mensen in mijn omgeving mijn handelwijzen met valse religie verbinden?’ (1 Kor. 10:32, 33) Niemand kan het geweten voor een bepaalde christen zijn, dus een ieder kan de aangelegenheid overdenken en een beslissing nemen ten einde een zuiver geweten te hebben. — Hand. 23:1; 2 Kor. 1:12.

● Wie was tijdens Davids regering hogepriester, Zadok of Abjathar? — S.B., V.S.

Toen koning Saul Abjathars vader, de hogepriester Achimelech, had laten vermoorden, vluchtte Abjathar naar David (1 Sam. 22:9-23). David verwierf ten slotte de troon en maakte hem hogepriester. Sommigen hebben evenwel geopperd dat koning Saul na Achimelechs dood Zadok tot hogepriester liet installeren, zonder Abjathar te erkennen, die onder Davids bescherming stond. Zij zijn van oordeel dat David, na zijn troonsbestijging, Abjathar medehogepriester maakte naast Zadok. Men is zulk een zienswijze toegedaan doordat Zadok en Abjathar geregeld samen worden genoemd als personen die een hoge positie in de priesterschap bekleedden. — 2 Sam. 15:29, 35; 17:15; 19:11; 20:25; 1 Kon. 1:7, 8, 25, 26; 4:4; 1 Kron. 15:11.

Het geïnspireerde bericht maakt echter nergens melding van een aanstelling van Zadok als hogepriester onder koning Saul. Het is mogelijk dat Zadok op de voorgrond treedt omdat hij een ziener of profeet is, net zoals er van de priesterlijke profeet Samuël meer gewag werd gemaakt dan van de hogepriester van zijn tijd (2 Sam. 15:27). De bewijzen duiden erop dat Abjathar de enige hogepriester tijdens Davids regering was en dat Zadok toen een positie bekleedde die ondergeschikt aan hem was. — 1 Kon. 2:27, 35; Mark. 2:26.

De tekst in 2 Samuël 8:17 heeft in dit verband enige twijfel veroorzaakt, aangezien daarin staat dat toentertijd ’Zadok, de zoon van Ahitub en Achimelech, de zoon van Abjathar, priesters waren’. Men heeft geopperd dat de namen van Achimelech en Abjathar door een schrijffout verwisseld zijn. Het verslag in 1 Kronieken 18:16; 24:3, 6, 31 bevestigt de volgorde van de namen evenwel. Het schijnt dus dat Abjathar een zoon had die eveneens Achimelech heette, en dat deze Achimelech, samen met Zadok, als priesters dienden die onder de hogepriester Abjathar stonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen