U vindt wat u zoekt!
EEN van de redenen waarom de bijbel in de gehele wereld zo’n geliefd boek is en ieder jaar opnieuw de best-seller blijkt te zijn, is ongetwijfeld de fundamentele wijsheid van de erin opgetekende raadgevingen. Tot de vele voorbeelden die hiervan gegeven zouden kunnen worden, behoren de woorden van Jezus Christus in Matthéüs 7:7: „Blijft zoeken, en gij zult vinden.”
Hoewel deze woorden er de nadruk op leggen dat het belangrijk is in het zoeken van goede dingen te volharden, ligt hierin ook de gedachte opgesloten dat wij gewoonlijk datgene zullen vinden waarnaar wij volhardend zoeken. Indien wij dus van nature bewonderenswaardige hoedanigheden in anderen zoeken of verwachten aan te treffen, zullen wij deze naar alle waarschijnlijkheid ook vinden. Indien wij anderzijds buitengewoon achterdochtig zijn en slechte eigenschappen in anderen zoeken of verwachten aan te treffen, zullen wij deze naar alle waarschijnlijkheid ook vinden. Let wel dat dit alles in harmonie is met de geïnspireerde woorden van de apostel Paulus: „Alle dingen zijn rein voor de reinen. Doch voor hen die verontreinigd en ongelovig zijn, is niets rein, maar zowel hun geest als hun geweten is verontreinigd.” — Tit. 1:15.
Jehovah God verschaft ons in dit opzicht een voortreffelijk voorbeeld, want hij let niet kritisch op ons om ons maar op zoveel mogelijk fouten te betrappen. Hij is niet buitengewoon achterdochtig. De geïnspireerde psalmist schreef dan ook: „Indien gij op dwalingen zoudt letten, o Jah, o Jehovah, wie zou stand kunnen houden? Want bij u is de ware vergiffenis, opdat gij wordt gevreesd.” — Ps. 130:3, 4, NW.
Een bijbels voorbeeld waaruit blijkt dat Jehovah aldus te werk gaat, treffen wij aan in het bericht over zijn betrekkingen met koning Josafat, een oprechte, godvrezende koning van Juda. Bij een zekere gelegenheid was deze koning zo dwaas om een militaire verbintenis met de goddeloze koning Achab van Israël aan te gaan. God berispte hem en liet hem door bemiddeling van zijn profeet Jehu weten: „Moogt gij den goddeloze helpen en bevriend zijn met hen die den HERE haten? Hierom rust er toorn op u van de zijde des HEREN.” Wegens het goede bericht dat koning Josafat voordien had opgebouwd, vervolgde God echter met te zeggen: „Toch is er wel iets goeds bij u gevonden, want gij hebt de gewijde [fallische] palen uit het land weggedaan en uw hart er op gezet God te zoeken.” Koning Josafat had inderdaad een fout begaan, maar Jehovah God had toch iets goeds bij hem aangetroffen, als gevolg waarvan hij hem barmhartigheid bewees. — 2 Kron. 19:2, 3.
Het is alleen maar liefdevol om het goede in anderen te zoeken. Dit wil niet zeggen dat wij lichtgelovig dienen te zijn. Zelfzuchtige mensen, vooral in de handelswereld, azen erop voordeel te trekken van anderen; in de bijbelse spreuk wordt dan ook wijselijk opgemerkt: „De onverstandige gelooft elk woord, maar de schrandere geeft acht op zijn gang” (Spr. 14:15). Zo zouden wij ons ook aan een grove dwaling schuldig maken als wij er moeite voor zouden doen iets goeds te vinden in gebruiken en organisaties die door God worden veroordeeld (Gen. 3:1-5; 1 Tim. 2:14; Rom. 1:24-32; 2 Kor. 6:14-18). Wanneer wij evenwel in onze alledaagse betrekkingen met kennissen, vrienden en familieleden het slechte in anderen zouden zoeken of zouden verwachten dit bij hen aan te treffen, zou dit stellig op een negatieve geesteshouding duiden. Is dit een verstandige handelwijze? Absoluut niet, want zoals een dichter eens zeer terecht opmerkte toen hij het over dingen had die ervoor waren om ons door hun schoonheid te behagen: „De beste regel voor geluk in het leven en ook voor het vormen van een gezond oordeel is . . . te weten zien te komen waarom iets goed is in plaats van waarom het slecht is.” Niemand is per slot van rekening volmaakt.
Het tegenwicht van de geestesgesteldheid om als maar naar slechte dingen in anderen te zoeken, is onzelfzuchtigheid of liefde. Liefde vertrouwt; daarom bouwt liefde op. Ze is snel geneigd goede dingen van anderen te geloven en hun het voordeel van de twijfel te gunnen, tenzij dezen zich ons vertrouwen onwaardig betonen. Vooral in hun omgang met medechristenen dienen christenen de beginselen ter harte te nemen en in de praktijk toe te passen die door de apostel Paulus werden geuit toen hij beschreef hoe liefde werkzaam is: „De liefde . . . gelooft alle dingen, hoopt alle dingen” (1 Kor. 13:4, 7). Dit vormt er de oorzaak van dat Jehovah’s getuigen van huis tot huis blijven gaan. Ondanks al het scepticisme en materialisme in deze wereld hopen zij enkele mensen te vinden die graag meer over God en de bijbel willen weten. En deze Getuigen vinden ook werkelijk wat zij zoeken! — Ezech. 9:4.
Dit beginsel is niet alleen van toepassing op iemands houding in zijn omgang met andere mensen, maar ook op zijn houding ten opzichte van het Boek der boeken, de bijbel. Ook met betrekking tot dit boek bestaat er over het algemeen heel veel kans dat men datgene zal vinden wat men zoekt: prachtige literatuur, interessante geschiedenissen, edele beginselen of, en dit is het belangrijkste, het geïnspireerde Woord van God. Sommige mensen nemen de bijbel echter met een buitengewoon kritische houding ter hand; zij zijn er alleen maar op uit fouten te vinden. Deze mensen zullen gewoonlijk ook vinden — of op zijn minst denken te vinden — wat zij zoeken: ogenschijnlijke fouten, tegenstrijdigheden of inconsequenties. Ten gevolge van fouten door afschrijvers of vertalers, of door veranderingen in de taal, zijn er inderdaad problemen gerezen. Zulke problemen blijken echter in de meeste gevallen te ontstaan doordat de bijbel oppervlakkig wordt gelezen.
Zo ontmoette een eenvoudige christelijke oudere vrouw van Afrikaanse afkomst, toen zij in een wijk van Boston van huis tot huis van haar geloof getuigde, een student van de Harvard-universiteit die haar vertelde dat hij niet in de bijbel geloofde omdat de bijbel zichzelf tegensprak. Als bewijs verklaarde hij dat de bijbel op één plaats aantoont dat Jezus en Johannes twee verschillende personen zijn, maar op een andere plaats zegt dat Jezus de uit de doden opgewekte Johannes de Doper was. Deze oudere christelijke vrouw kon de student echter aantonen dat niet de bijbelschrijver Matthéüs zei dat Jezus de uit de doden opgewekte Johannes de Doper was, maar dat Matthéüs alleen maar het feit optekende dat koning Herodes deze onjuiste mening was toegedaan. — Matth. 14:1, 2.
Wat blijven degenen die naar verkeerde dingen blijven zoeken, die naar fouten in de bijbel of zwakheden en tekortkomingen in hun buren, familieleden of medechristenen zoeken of deze verwachten of hopen te vinden, van veel zegeningen en vreugden verstoken! Hoeveel wijzer, om nog niet eens te spreken over de veel liefdevollere houding die daardoor aan de dag wordt gelegd, is het om naar waarheid en wijsheid in Gods Woord te blijven zoeken en de verwachting te koesteren dat men in anderen bewonderenswaardige hoedanigheden zal aantreffen!
Dat is ook de rechtvaardige en de juiste handelwijze, want is dat niet de houding waarmee wij graag door anderen bejegend willen worden? Stellig is dit zo! Ook in dit opzicht is de regel van Jezus Christus van toepassing: „Zoals gij wilt dat de mensen u doen, doet hun desgelijks.” — Luk. 6:31.