Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 15/8 blz. 503-509
  • Met zachtaardigheid onderrichten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Met zachtaardigheid onderrichten
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • PAULUS ONDERRICHTTE MET ZACHTAARDIGHEID
  • BEROEP OP DE VRIJE WIL
  • ALS MEN TOT ANDEREN PREDIKT
  • ONDER CHRISTELIJKE BROEDERS
  • Zachtaardigheid getuigt van wijsheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Zachtaardigheid, een christelijk vereiste
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Wees bekleed met zachtaardigheid!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Zachtaardigheid bezit kracht
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 15/8 blz. 503-509

Met zachtaardigheid onderrichten

1, 2. Waarom hebben christenen in onze tijd zachtaardigheid nodig?

ER IS nog een reden waarom een christen zachtaardigheid moet aankweken. Zeker, het maakt hem gelukkiger, hij is gemakkelijker om mee om te gaan, het maakt hem ontvankelijker voor Gods waarheid en plaatst hem dus op de weg tot eeuwig leven; maar er is nog iets anders. Zachtaardigheid is ook noodzakelijk bij het verrichten van het grote predikingswerk dat in deze kritieke laatste dagen aan christenen is opgedragen.

2 Gods waarheden moeten onder de mensheid verbreid worden. Er moet voor het einde van dit huidige goddeloze samenstel van dingen over de gehele wereld getuigenis worden afgelegd. Bovendien moeten zij die zich reeds aan God hebben opgedragen voortdurend met waarheden uit Gods Woord worden gevoed. Voor dit alles is veel onderricht nodig en zachtaardigheid speelt daarbij een belangrijke rol. Er mogen dan al verschillende onderwijsmethoden in deze wereld worden gebruikt, doch als het Gods Woord betreft, moet de kennis die het bevat in zachtaardigheid aan anderen verstrekt worden.

3-5. (a) Hoe weten wij dat de juiste gedragslijn is: met zachtaardigheid te onderrichten? (b) Waarom moeten met schapen te vergelijken personen zich wel tot Jezus aangetrokken hebben gevoeld?

3 De juiste gedragslijn, de schriftuurlijke gedragslijn, de gedragslijn die bij waarheidzoekers de meeste weerklank vindt, is: met zachtaardigheid te onderrichten. Wij weten dat dit zo is omdat de grootste leraar die ooit heeft geleefd, Jezus Christus, zachtaardigheid gebruikte als hij anderen de waarheid onderwees. Deze voortreffelijke hoedanigheid, zachtaardigheid, vormde een deel van zijn persoonlijkheid en hij maakte er met goed resultaat gebruik van bij het onderwijzen van hen die hongerden en dorstten naar rechtvaardigheid.

4 Dat Jezus een zachtaardige gezindheid bezat, maakt hij zelf duidelijk: „Komt allen tot mij die zwoegt en zwaar beladen zijt, en ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op u en wordt mijn discipelen, want ik ben zachtaardig en ootmoedig van hart, en gij zult verkwikking vinden voor uw ziel” (Matth. 11:28, 29). Wat moet Jezus’ onderwijs door zijn zachtaardige manier van doen doeltreffend zijn geweest! Met schapen te vergelijken personen moeten wel ijverig hebben uitgezocht waar hij was om hem Gods waarheden te horen uiteenzetten. Zij zullen niet bang voor hem zijn geweest zoals voor hun hardvochtige politieke en religieuze leiders die over hen hadden geheerst zonder zich om hun welzijn te bekommeren.

5 Jezus had tedere gevoelens voor deze gewone mensen die geestelijk en lichamelijk in zulk een beklagenswaardige staat verkeerden. „Bij het zien van de scharen had hij medelijden met hen, omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder” (Matth. 9:36). Met zijn zachtaardige optreden moet Jezus, die medelijden voelde met deze vertrapte en misbruikte mensen, een bron van verkwikking voor hun ziel zijn geweest. Hoe anders was hij dan wat zij gewend waren! Wat een verheffende ervaring was het in zijn gezelschap te zijn! Jezus was niet zoals hun harde leermeesters, doch hij was zachtaardig, vriendelijk, mild, begrijpend en liefdevol.

6. Zou Jezus’ zachtaardige optreden iedereen aangetrokken hebben?

6 Jezus’ zachtaardige optreden zal niet iedereen aangetrokken hebben. Degenen die niet als schapen waren en geen echte liefde voor de waarheid hadden, zullen zijn manier van doen waarschijnlijk dwaas en onpraktisch in een harde wereld hebben gevonden. De goddelozen zullen evenmin gunstig hebben gereageerd. Jezus wilde echter niet maar iedereen tot Gods nieuwe samenstel van dingen trekken. Hij riep niet degenen die het verkeerde zouden liefhebben en het goede zouden haten. Zijn zachtaardige optreden zou het juiste soort van personen aantrekken, hen die rechtvaardigheid liefhadden. Naar zulke mensen was Jezus op zoek. Hij was op zoek naar „schapen”, niet naar „bokken”.

7. Waar moet men op toezien als men anderen berispt zoals Jezus deed?

7 Wij zien dat Jezus, als hij met goddeloze, „bokachtige” personen te doen had, krassere taal gebruikte en krachtiger optrad. Jezus was zachtaardig, maar hij was niet zwak. Zo nodig veroordeelde hij anderen openlijk, vooral de huichelachtige religieuze leiders, de schriftgeleerden en Farizeeën. Herhaaldelijk zei hij tot hen: „Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars!” (Matth. 23:13-36) Soms kan het wel eens noodzakelijk zijn dat enkelen van Gods dienstknechten anderen berispen, maar zij moeten er zorgvuldig op toezien hóe zij dat doen, want zij hebben niet het inzicht dat Jezus had. Daarom moeten de keren dat men niet zachtaardig is, uitzonderingen zijn en zeer zorgvuldig overwogen worden. Jezus stelde hierin het voorbeeld, doch hij had de autoriteit en het onderscheidingsvermogen dat onvolmaakte mensen tegenwoordig niet bezitten.

PAULUS ONDERRICHTTE MET ZACHTAARDIGHEID

8. Hoe liet Paulus zien dat onderricht in zachtaardigheid moest worden gegeven?

8 De apostel Paulus wist dat Jezus’ methode om met zachtaardigheid te onderwijzen de beste was en het voorbeeld vormde dat moest worden nagevolgd, want hij zei: „Ikzelf nu, Paulus, . . . doe u bij de zachtaardigheid en goedheid van de Christus een dringend verzoek” (2 Kor. 10:1). Let ook op hetgeen hij in Eén Thessalonicenzen 2:5-8 in verband met de manier waarop hij met anderen omging verklaarde: „Nooit zijn wij met vleiende woorden gekomen (zoals gij weet), noch met een vals voorkomen waarachter zich hebzucht verschool, God is getuige! Ook hebben wij geen heerlijkheid van mensen gezocht, noch van u noch van anderen, ofschoon wij als apostelen van Christus een dure last konden zijn. Integendeel, wij zijn in uw midden vriendelijk geworden, zoals wanneer een zogende moeder haar eigen kinderen koestert. Daar wij dus tedere genegenheid voor u hadden, hebben wij u gaarne niet alleen het goede nieuws van God meegedeeld, maar ook onze eigen ziel, want gij zijt ons lief geworden.” Om vriendelijk te zijn, om tedere genegenheid te hebben, moest Paulus zachtaardig zijn en dat was hij ook.

9, 10. Hoe reageerden anderen op Paulus’ zachtaardigheid?

9 Hoe reageerden de broeders in de christelijke gemeente echter op deze zachtaardige apostel? Welnu, let op de reactie van de oudere mannen van de gemeente in Efeze, toen Paulus hun bij een zekere gelegenheid vertelde dat zij hem niet meer zouden zien: „Ja, er barstte heel wat geween onder hen allen uit en zij vielen Paulus om de hals en kusten hem teder, want zij waren vooral bedroefd over het woord dat hij had gesproken, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien” (Hand. 20:37, 38). Deze christenen hielden van de zachtaardige apostel en wilden in zijn omgeving zijn, want zij vonden verkwikking in deze dienstknecht van God. Het maakte hun zeer bedroefd te bedenken dat zij hem misschien niet meer zouden zien. Er bestond geen koele vormelijkheid bij zijn vertrek, maar tederheid, tranen en veel waardering voor de dienst die hij hun had bewezen.

10 Indien Paulus harde wereldse methoden bij zijn onderricht had gebruikt, is het zeer onwaarschijnlijk dat hem zulk een oprechte tederheid ten deel zou zijn gevallen. Iemand die hard is, ontvangt niet licht uitingen van liefde en dankbaarheid, omdat hardheid afstoot en niet aantrekt. Er wordt niet geweend bij het vertrek van een harde, wrede leermeester, maar er is wel grote opluchting.

BEROEP OP DE VRIJE WIL

11, 12. Waarom is hardheid niet Gods weg?

11 Harde methoden bij het geven van leiding en onderwijs jagen vrees aan. Ze moedigen niet aan tot vertrouwen en liefde. Er wordt misschien een poosje gehoorzaamheid door verkregen, doch het is geen gewillige gehoorzaamheid. Wat anderen wordt opgedrongen, houdt doorgaans geen stand maar wordt bij de eerste de beste gelegenheid afgeworpen. Gedwongen gehoorzaamheid is dus noch verkieslijk, noch blijvend, want Jehovah heeft de mens met een vrije wil geschapen en verlangt gewillige gehoorzaamheid van hem.

12 De meeste mensen hebben een hekel aan hardheid, druk of dwang en zij verzetten zich ertegen. Welke invloed had het op de onderdrukte Israëlieten toen ’de Egyptenaren hen onder mishandeling lieten werken’? (Ex. 1:13) Exodus 1:14 vertelt ons: „Zij maakten hun het leven bitter door harden slavenarbeid.” Toen koning Rehabeam zei: „Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal uw juk nog verzwaren”, kwam het volk in opstand, zoals Jehovah had voorzegd (1 Kon. 12:14). Een treffende tegenstelling hiermee vormde hetgeen Jezus tot zijn toehoorders zei, namelijk: „Mijn juk is weldadig en mijn vracht is licht” (Matth. 11:30). Geen wonder dat toenmalige waarheidzoekers hèm volgden in plaats van de heerszuchtige religieuze leiders die ’zware vrachten samenbinden en die op de schouders der mensen leggen maar ze zelf met hun vinger niet willen verroeren’. — Matth. 23:4.

13. Hoe deed Paulus een beroep op de vrije wil van Filémon?

13 Merk op hoe Paulus in het geval van de weggelopen slaaf Onésimus een beroep deed op de vrije wil van Filémon. Toen Paulus in de gevangenis zat, was Onésimus zeer bruikbaar voor hem. Paulus schreef de eigenaar van de slaaf, Filémon, echter het volgende: „Ik zou hem graag hier bij mij houden, opdat hij in plaats van u mij zou blijven dienen in de gevangenisboeien die ik ter wille van het goede nieuws draag.” Maar hield Paulus deze slaaf voor zichzelf achter? Neen! Immers, hij zei tot Filémon: „Maar zonder uw toestemming wil ik niets doen, zodat uw goede daad niet onder dwang, maar uit uw eigen vrije wil moge geschieden.” Wat een verschil maakt zulk een houding! Wij kunnen ons indenken hoe Filémon zich gevoeld zou hebben als Paulus in plaats daarvan tot hem had gezegd: ’Kijk eens hier, Filémon, ik heb die slaaf van u nodig, dus ik houd hem wat u ook zegt.’ Neen, Paulus wist wel beter, want hij onderrichtte met zachtaardigheid. Hij zou liever ontriefd zijn geweest dan Filémon hard aan te pakken of te trachten hem te dwingen tegen zijn eigen vrije wil in te handelen. — Filém. 13, 14.

14. Welke andere voorbeelden tonen aan dat er gewilligheid wordt verlangd?

14 Als hij over edelmoedigheid sprak, volgde Paulus dit zelfde beginsel, door in zachtaardigheid een beroep te doen op de vrije wil van anderen. Hij verklaarde: „Een ieder doe zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7). Toen Petrus de oudere mannen in de organisatie raad gaf over hun houding ten opzichte van de positie van opziener die zij bekleedden, drukte hij hun op het hart: „Weidt de kudde Gods die aan uw zorg is toevertrouwd, niet onder dwang, maar gewillig.” Deze rijpe personen dienen niet het gevoel te hebben dat zij zijn gedwongen Gods kudde te weiden, doch dienen dit overeenkomstig hun vrije wil te doen. — 1 Petr. 5:2.

15. Welke rol speelt zelfdiscipline bij het doen van Gods wil?

15 In zachtaardigheid op de vrije wil van mensen een beroep te doen, wil niet noodzakelijkerwijs zeggen dat iedereen die zijn leven aan God opdraagt, alle verplichtingen die christenen hebben, ten volle beseft. Enkelen vinden het in het begin misschien moeilijk om aan bepaalde vereisten te voldoen. Maar alleen het feit dat het zulke personen misschien tijd kost om waardering voor deze dingen aan te kweken, wil nog niet zeggen dat zij ze niet zullen doen. Toen Paulus bijvoorbeeld sprak over de noodzakelijkheid het goede nieuws te prediken, gaf hij toe dat enkelen dit in het begin misschien niet zouden willen doen, dat het tegen de wil zou kunnen zijn die deze persoon zich tot op dat tijdstip in zijn leven had gevormd. Paulus zei: „Indien ik dit gewillig doe, heb ik een beloning, maar doe ik het tegen mijn wil, mij is toch een beheer toevertrouwd” (1 Kor. 9:17). Paulus zei niet dat iemand anders hem zou dwingen dit te doen. Wat hij zei was, dat sommigen hun eigen zelfzuchtige wil zouden moeten overwinnen ten einde zich in overeenstemming te brengen met Gods wil, want in het begin schept het gevallen vlees er misschien niet altijd behagen in te doen wat juist is. Toch worden zelfs deze personen die het tegen hun wil doen, gezegend, want zij worden er niet toe gedwongen het te doen, doch dwingen zichzelf omdat zij God liefhebben en Zijn wil willen doen. Daarom zei Paulus: „Ik ben hard voor mijn lichaam en leid het als een slaaf” (1 Kor. 9:27). Dit soort van gehoorzaamheid jegens God is in de grond dus nog altijd gewillig, spruit uit iemands eigen vrije wil voort, want hij wordt niet door iemand anders gedwongen, maar hij legt zichzelf discipline op ten einde Gods wil te doen.

ALS MEN TOT ANDEREN PREDIKT

16. Was Petrus het met de methoden van Jezus en Paulus eens?

16 Het soort van mensen waarvan Jehovah wil dat zij in zijn nieuwe ordening leven, zijn zij die uit eigen vrije wil aan het beroep dat door de waarheid op hen wordt gedaan, gehoor geven. Bij deze mensen zal ons onderricht hoogst doeltreffend zijn als het in zachtaardigheid wordt gegeven. Van huis tot huis, als zulke belangstellende personen nabezocht worden, of als hun de bijbel in hun eigen huis wordt onderwezen, zal de leraar zijn punten veel beter duidelijk maken door op een zachtaardige, vriendelijke manier een beroep te doen op de beginselen, de logica en het mooie van de waarheid. Petrus toonde aan dat dit de methode was die wij bij het werk dat bestaat in het onderwijzen van anderen, dienen te gebruiken, toen hij zei: „Maar heiligt de Christus als Heer in uw hart, altijd gereed u te verdedigen voor een ieder die van u een reden eist voor de hoop die in u is, maar doe dit met zachtaardigheid en diepe achting.” — 1 Petr. 3:15.

17, 18. In welk opzicht staat een gebrek aan zachtaardigheid het onderricht in de weg?

17 Als een christen met zachtaardigheid onderricht, zal zijn toehoorder zich beter op het materiaal dat wordt geboden, kunnen concentreren. Hij wordt niet afgeleid zoals het geval zou zijn als de leraar een onaangename manier van doen had. Een onderwijzer die onbezonnen, twistziek en onaangenaam is, zal iets van de aandacht van de leerling van de stof afleiden en op de leraar richten. Dit zou zijn vooruitgang in de weg staan. Een strenge en harde leraar kan anderen zelfs tot struikelen brengen en van de waarheid afkeren! Iemand die daarentegen met zachtaardigheid onderricht, vindt deze hoedanigheid een aanwinst en zal net als Paulus kunnen zeggen: „In geen enkel opzicht geven wij enige aanleiding tot struikelen, opdat er geen aanmerkingen op onze bediening gemaakt kunnen worden.” — 2 Kor. 6:3.

18 Er is veel geduld nodig als men tot anderen predikt. Ook hierin komt zachtaardigheid de christen te hulp. Iemand die zachtaardig is, zal niet gauw van zijn stuk gebracht worden als de vooruitgang van anderen langzaam is, of als hij bemerkt dat men onverschillig voor de boodschap is. Hem valt het veel gemakkelijker geduldig te zijn dan degene die geen zachtaardigheid bezit, want zo iemand is eerder geneigd overijld te zijn, is vlugger geïrriteerd en ongeduldig als resultaten uitblijven. Als wij echter onze zachtaardigheid verliezen omdat de vooruitgang langzaam is of wegens negatieve reacties, zullen wij ons doel voorbijstreven en hetgeen wij willen bereiken, tegenwerken.

19. Als er tegenstand komt, wat dient er dan niet de oorzaak van te zijn?

19 Besef dat een zachtaardige leraar niet altijd een horend oor zal krijgen. Ja, sommigen zullen zelfs de meest zachtaardige persoon tegenstaan en bestrijden, zoals zij Jezus deden. Als de leraar van het goede nieuws echter tegenstand ondervindt, dient dit te zijn wegens de boodschap die hij brengt, omdat hij de allerhoogste God, Jehovah, vertegenwoordigt, en niet wegens onbeleefde of harde woorden of daden van zijn kant.

20, 21. Waarom dienen wij zelfs onze zachtaardigheid te bewaren als wij worden tegengestaan?

20 Het bewaren van zachtaardigheid als men wordt getart, zal zelfs sommigen van deze tegenstanders helpen een verandering van hart te ondergaan. Spreuken 15:1 verklaart: „Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een krenkend woord wekt den toorn op.” Als men te doen heeft met hen die de boodschap tegenstaan, speciaal in onwetendheid, is zachtaardigheid zó doeltreffend, dat Spreuken 25:15 zegt: „Een zachte tong verbreekt beenderen.” Een zachtaardige gezindheid kan op den duur veel doen om vooroordeel en tegenstand weg te nemen. „Een slaaf van de Heer behoeft niet te strijden, maar moet vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, zich onder het kwade in bedwang houdend, met zachtaardigheid degenen onderrichtend die niet gunstig gezind zijn, daar God hun misschien berouw geeft, hetwelk tot een nauwkeurige kennis van de waarheid leidt.” — 2 Tim. 2:24, 25.

21 Er zijn er velen die zich aanvankelijk verzetten, doch die getroffen worden door de christelijke hoedanigheden van degene die tot hen predikt en zodoende de boodschap die zij brengen, beginnen te onderzoeken, waardoor zij ten slotte zelf opgedragen dienstknechten van God worden. Wat een krachtige reden voor christenen om geen ’kwaad met kwaad te vergelden’ als zij tegenover onredelijke mensen staan! Maar ook als de tegenstand aanhoudt, neemt een christen geen revanche. Hij denkt aan hetgeen plaatsvond toen de Samaritanen Jezus niet ontvingen. „Toen de discipelen Jakobus en Johannes dit zagen, zeiden zij: ’Heer, wilt gij dat wij zeggen dat er vuur van de hemel neerdaalt om hen te verdelgen?’ Maar hij [Jezus] keerde zich om en wees hen terecht.” Wraak behoort aan God. Hij is de Rechter en hij zal te zijner tijd met verstokte tegenstanders afrekenen. — Rom. 12:17; Luk. 9:54, 55.

ONDER CHRISTELIJKE BROEDERS

22. Waar is zachtaardigheid nog meer noodzakelijk?

22 Zachtaardigheid is niet iets dat alleen maar gebruikt moet worden ten aanzien van hen die buiten de christelijke gemeente of gezinskring zijn. Men kan zachtaardigheid niet laten varen omdat men alleen maar te doen heeft met degenen die in het christelijke geloof zijn. Integendeel, als wij reeds zachtaardigheid gebruiken ten aanzien van hen die niet in het geloof zijn, moeten wij deze hoedanigheid nog des te meer gebruiken als wij met onze christelijke broeders te maken hebben. Zachtaardigheid is geen kledingstuk dat een christen als een front voordoet om indruk te maken op hen die buiten zijn. Ze moet een deel van zijn persoonlijkheid worden. Ze moet te allen tijde gebruikt worden, speciaal als men te maken heeft met hen die binnen de christelijke gemeente zijn. „Laten wij daarom dus, zolang de tijd voor ons er nog gunstig voor is, het goede doen jegens allen, maar vooral jegens hen die aan ons verwant zijn in het geloof.” — Gal. 6:10.

23. Hoe komt zachtaardigheid te hulp als er misverstanden rijzen?

23 Als er tussen christelijke broeders een misverstand rijst, helpt zachtaardigheid hen de juiste stap te doen. „Bekleedt u dan, als Gods uitverkorenen, heilig en bemind, met de tedere genegenheid van mededogen, goedheid, ootmoedigheid van geest, zachtaardigheid en lankmoedigheid. Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah u vrijelijk vergeven heeft, doet ook gij evenzo” (Kol. 3:12, 13). Zij die een zachtaardige geest aankweken, zullen zich vlugger met hun broeder verzoenen en hem vergeven zoals God vergeeft. Zachtaardige personen zullen eerder ’één van zin zijn, medegevoel betonen, broederlijke liefde oefenen, teder genegen en nederig van geest zijn’. Hun zachtaardigheid helpt hen de diepte van liefde en genegenheid te benaderen welke Petrus aanbeval toen hij zei: „Hebt bovenal intense liefde voor elkaar” (1 Petr. 4:8). Niets is zo belangrijk in de relaties tussen christelijke broeders, dat zachtaardigheid, tederheid, empathie en liefde zouden moeten plaats maken voor een koude, harde manier van doen.

24. Hoe moet iemand raad worden gegeven die onopzettelijk een overtreding begaat?

24 Soms begaat een christen misschien onopzettelijk een overtreding. Dan heeft hij raad nodig. Hoe moet deze worden gegeven? „Broeders, zelfs al doet iemand een misstap voordat hij zich ervan bewust is, tracht gij, die geestelijke hoedanigheden hebt, zo iemand in een geest van zachtaardigheid te herstellen” (Gal. 6:1). Als iemand een misstap doet voordat hij zich ervan bewust is, wordt herstel bevorderd als hij in zachtaardigheid wordt terechtgewezen. Als de overtreding opzettelijk is en hij er zó in verhardt dat hij er een gewoonte van maakt, moet de christelijke gemeente natuurlijk verdere maatregelen nemen om een dergelijke overtreder te straffen en de gemeente te beschermen. — 1 Kor. 5:11-13; 2 Joh. 9-11.

25, 26. Waarop zullen zij die de leiding nemen, toezien en wat is hun juiste verhouding tot hun broeders?

25 Opzieners en assistent-dienaren dienen er zorgvuldig op toe te zien en er hard aan te werken dat zij in zachtaardigheid vooruit blijven gaan. De vele verantwoordelijkheden die zij hebben, de verschillende problemen en moeilijkheden die zij te behandelen hebben, kunnen, als zij hun toevlucht nemen tot hun eigen onvolmaakte menselijke redenering en geest, tot een verlies van zachtaardigheid leiden. Zij moeten zich op Jehovah verlaten en voortdurend naar hem opzien voor leiding door middel van zijn heilige geest. Op die manier zal hun zachtaardigheid standhouden en bevorderd worden. De gemeente zal door deze zachtaardige herders die de vrucht van Gods geest voortbrengen, worden opgebouwd, maar door hardheid zal ze ontmoedigd en afgebroken worden. En een ieder in de christelijke gemeente die ermee voortgaat op hardvochtige wijze met Gods kudde om te gaan, zal te zijner tijd zijn voorrecht om zijn broeders te dienen, worden ontnomen. Petrus waarschuwde hen die de leiding hadden, dat zij dit niet dienden te doen „als heersend over hen die Gods erfdeel zijn, maar voorbeelden voor de kudde wordend”. — 1 Petr. 5:3.

26 Jezus toonde aan dat zij die de leiding nemen, hun broeders moeten dienen of hulp verlenen. „Hij [deed] water in een kom en begon de voeten van zijn discipelen te wassen en ze met de handdoek . . . af te drogen.” Uitleggend waarom hij dit deed, zei Jezus: „Gij spreekt mij aan als ’Leraar’ en ’Heer’, en gij zegt dat terecht, want dat ben ik. Indien ik daarom, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij de voeten van elkaar te wassen. Want ik heb u een voorbeeld gesteld, opdat ook gij zoudt doen zoals ik u heb gedaan.” Bij een andere gelegenheid verklaarde hij tot zijn volgelingen: „Wie onder u groot wil worden, moet uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet uw slaaf zijn.” Dit soort van nederigheid willen Gods dienstknechten thans nabootsen. Zij die zachtaardig van geest zijn, zullen er geen moeite mee hebben, want zachtaardigheid gaat van nature gepaard met nederigheid. — Joh. 13:5, 13-15; Matth. 20:26, 27.

27. Waar is zachtaardigheid nog meer onontbeerlijk?

27 In de kleinste eenheid van de gemeente, dat wil zeggen in de gezinskring, is zachtaardigheid onontbeerlijk. Vaders en moeders gaan in zachtaardigheid met elkaar en met hun kinderen om en nemen niet hun toevlucht tot tentoonspreidingen van opvliegendheid of onredelijkheid. Het gezinshoofd, de echtgenoot, moet veel raad en streng onderricht geven, doch dit moet in zachtaardigheid worden gedaan. Deze zachtaardige manier van omgang met kinderen zal op de jonge geest een grote invloed ten goede hebben. Zij zullen van kleins af aan leren dat zachtaardigheid de wijze is waarop men met anderen moet omgaan. Als zij tot volwassenheid groeien, zal de zachtaardige geest met hen groeien en een deel van hun christelijke persoonlijkheid worden.

28. Wat zijn de resultaten van zachtaardigheid?

28 Met zachtaardigheid te onderrichten is dus Gods weg. Als men tot hen die buiten de christelijke gemeente zijn predikt, als men hen die binnen de gemeente zijn onderwijst en vermaant, en als men binnen de gezinskring onderricht en terechtwijst, worden door deze eigenschap de beste resultaten verkregen. Zachtaardigheid draagt tot grote vrede en groot geluk van afzonderlijke personen en van de gemeenschap bij. Wat is het aangenaam in een heel gezelschap van mensen te verkeren die de vrucht van Gods geest voortbrengen, die in hun werk, leven en onderricht zachtaardigheid aan de dag leggen! Dat God zulke personen zegent, maakte Jezus duidelijk toen hij zei: „Gelukkig zijn de zachtaardigen, want zij zullen de aarde beërven.” — Matth. 5:5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen