Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 15/11 blz. 689-692
  • De volletijddienst schenkt ware rijkdom

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De volletijddienst schenkt ware rijkdom
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE VOLLETIJDPREDIKING BEGINT
  • PREDIKINGSWERK OP DE BRITSE EILANDEN
  • DIENST OP HET BETHELHUIS IN LONDEN
  • MEER RIJKDOMMEN
  • In de pas met de getrouwe organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • „De vreugde van Jehovah is uw sterkte”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Is deze schat voor u weggelegd?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 15/11 blz. 689-692

De volletijddienst schenkt ware rijkdom

Zoals verteld door E.J. Guiver

IK KAN mij herinneren hoe ik, meer dan vijfenvijftig jaar geleden, in een straat in noordwest Londen voor een winkelraam stond. Er lagen veel boeken en brochures over de bijbel in de etalage, maar wat mij het meeste trok, was een brochure getiteld: „Wat zegt de Schrift over de hel?”

Het was niet zonder reden dat ik die brochure wilde hebben. De vorige dag had men mijn broer, toen hij op weg was naar zijn werk, een traktaat overhandigd dat getiteld was: „Het loon van de zonde is de dood, geen eeuwige pijniging.” Later op de dag gaf hij het traktaat aan mij. Wij hadden hier bijzonder veel belangstelling voor, omdat wij beiden de afgelopen twee jaar lid waren geweest van de North West London Gospel Mission en onze weekeinden hadden besteed aan de prediking in de openlucht en in zendingszalen. Het thema van onze boodschap? Dit was: „Wordt nu gered, de ongelovige zal tot in alle eeuwigheden gepijnigd worden!”

Daarom wilde ik die brochure in de winkeletalage zo graag lezen! Toen ik omhoogkeek, las ik boven de winkel de woorden: „Watch Tower Bible and Tract Society”. Voor het eerst realiseerde ik mij dat dit het Londense centrum was van het Genootschap dat het pamflet had gepubliceerd dat men aan mijn broer had overhandigd. Ik had de eerste schreden gezet op de weg die naar het verkrijgen van rijkdommen van onovertroffen kennis, gebaseerd op het boek der waarheid, de Heilige Schrift, leidt.

Weldra was ik overtuigd van de noodzaak mijn leven aan God op te dragen. Derhalve werd ik in 1910, te zamen met veertig anderen, in water gedoopt, ten einde mijn opdracht om de wil van God te doen, te symboliseren.

Vanaf het moment dat ik mij had opgedragen, had ik het verlangen de broeders in het geloof te dienen. Wat was ik blij toen de eerste president van de Watch Tower Society, C. T. Russell, bij een van zijn bezoeken een lijst namen voorlas, waaronder mijn naam, van personen die werden aanbevolen om als „oudere mannen” en „diakenen” in de London Tabernacle, waar wij onze vergaderingen hadden, te dienen. Nu verheugde ik mij in rijkdommen van dienst onder mijn geestelijke broeders, door hen naar hun zitplaatsen te leiden en eveneens door groepstudies te leiden uit het bijbelstudiehulpmiddel: „Het goddelijk plan der eeuwen.”

DE VOLLETIJDPREDIKING BEGINT

In juni 1914 zag ik mij gesteld voor de belangrijke vraag: Moet ik het volletijdpredikingswerk tot mijn carrière maken? J. F. Rutherford, die twee en een half jaar later de tweede president van de Watch Tower Society zou worden, begon in Engeland een veldtocht van bijbellezingen. Door het gehele land werden grote zalen afgehuurd voor zijn lezing: „Waar zijn de doden?” Er waren volletijdwerkers nodig om de mensen die hun namen op deze bijeenkomsten hadden achtergelaten, te bezoeken.

Tegen die tijd ontving ik een brief van het Genootschap waarin mij werd gevraagd of ik mij bij deze bedienaren in deze volletijddienst wilde aansluiten. Het is vreemd hoe de geest soms redeneert. Ik dacht bij mijzelf: „Ik ben een aangestelde dienaar van de London-Tabernaclegemeente. Ik leid elke week vier groepstudies. Ik sta op de lijst van sprekers voor openbare vergaderingen. Wat kan ik nog meer doen?” Toch had ik geen verplichtingen die mij beletten deze volletijddienst op mij te nemen.

Daarom nam ik de juiste beslissing. Ik ging de volletijdpredikingsdienst in. En wat een jaar om dit te doen, want 1914 is in de bijbelse profetieën een gekenmerkt jaar! Wij als bijbelonderzoekers wisten dat er in de herfst van dat jaar iets zou gebeuren, maar wij wisten niet precies wat het zou zijn. Binnen een paar maanden zouden wij ons in de grootste oorlog bevinden die de geschiedenis tot op dat moment had gekend, ofschoon de mensen in Engeland zich niet bewust waren van de ellende die de natiën wachtte.

PREDIKINGSWERK OP DE BRITSE EILANDEN

Kort na die gebeurtenissen trouwde ik met een zuster die nog steeds met mij in de volletijddienst staat. Vervolgens ontvingen wij enige tijd later een brief van het Londense bijkantoor van de Watch Tower Society. Of wij naar Lancashire wilden gaan, om daar de mensen te helpen die belangstelling voor de boodschap van bijbelse waarheid hadden gekregen. Natuurlijk wilden wij dat! Weldra werkten wij in onze nieuwe toewijzing, een gebied waar in die tijd geen gemeenten waren. Terloops zij opgemerkt dat de plaatselijke rechtbank mij, aangezien ik een bedienaar was, vrijstelde van militaire dienst, zodat ik gedurende de vier jaar van de Eerste Wereldoorlog in mijn toewijzing mocht blijven werken.

Wij genoten van het werk in Lancashire, hoewel wij bemerkten dat het een moeilijke toewijzing was, vanwege de zeer beperkte vervoermogelijkheden en de dringende oorlogsomstandigheden. Wij werden echter rijkelijk gezegend doordat wij drie gemeenten zagen opgroeien en in staat waren meer dan zestig personen als symbool van hun opdracht aan Jehovah, te dopen.

Later kwam er nog een brief van het bijkantoor in Londen, waarin mij werd gevraagd de dienst die toen het „Pelgrim”-werk werd genoemd, op mij te nemen. Dit betekende dat ik alle gemeenten in Engeland zou bezoeken. Elke dag werden er voor verschillende gemeenten twee bijbellezingen gehouden, terwijl aan een grotere gemeente een weekendbezoek werd gebracht. Het werk van een „Pelgrim” was degenen die in die kritieke jaren in de waarheid waren, te bezoeken en te versterken, aangezien het nodig was dat de broeders een juiste kijk op de toekomst behielden en werden voorbereid op de dienst die voor hen lag.

Nadat wij acht jaar in die tak van dienst werkzaam waren geweest, werden wij toegewezen aan een gebied dat het prachtige Lake-District van Engeland, zuidoost-Schotland en Noord-Ierland besloeg. Wij huurden vier zalen in verschillende steden en hielden in elk ervan vier lezingen per week. Wij hingen aanplakbiljetten voor lectuur op en deelden van deur tot deur strooibiljetten uit. Toen wij in County Sligo, in Noord-Ierland, een serie lezingen hielden, deden wij in verband met dit werk een prachtige ervaring op. Een man kwam in het bezit van een van de strooibiljetten die wij uitdeelden, maar bezocht niet de lezing. In plaats daarvan schreef hij naar Londen voor lectuur. Later aanvaardde hij, samen met verscheidene leden van zijn gezin, de waarheden uit Gods Woord. Ik zou deze man echter niet eerder ontmoeten dan vierendertig jaar later, in 1963! Dat was op het ’Eeuwige goede nieuws’-congres van Jehovah’s getuigen in Twickenham, Londen. Wat een vreugde was dat!

Nu kregen mijn vrouw en ik de instructie om onze bediening in Ierland voort te zetten. Gebruik makend van onze fiets, het beste vervoermiddel voor deze gebieden, begonnen wij in de noordelijke provincies van Ierland en werkten zo naar het zuiden. Ons verblijf in Ierland is een vijfjarige periode van intensieve prediking geworden.

In Ierland leerden wij in vollediger mate waardering te hebben voor de beschermende macht van onzichtbare dienaren, de engelen, degenen die „geesten voor openbare dienst” zijn (Hebr. 1:7, 14). Dit was het geval omdat wij hevige tegenstand van de Katholieke Actie ontmoetten. Wij werden mishandeld, met stenen bekogeld, bedreigd, uit dorp na dorp verdreven; onze lectuur werd uit spoorwegstations gestolen en op zekere keer op een marktplein in een stad in Tipperary verbrand; zelfs werden wij ertoe gedwongen in de loop van een revolver te kijken. Een beminnelijk volk was op jammerlijke wijze door Babylonische religie bevooroordeeld. Toch waren er onder hen enkele prijzenswaardige personen die in tijden van nood hun huis voor ons openden.

In de loop der tijd was men geluidswagens bij het predikingswerk gaan gebruiken en ons werd gevraagd er één over te nemen. Op de buitenkant van de wagen stonden de woorden: „Dit evangelie van het Koninkrijk moet gepredikt worden.” Hiermee zouden wij twee jaar lang in vele delen van Schotland werken waar geen gemeente was. In dit interessante land verkondigden onze luidsprekers luid de boodschap van Gods waarheid, zowel in de laaglanden als in de hooglanden, over de meren, de bergen en de vlakten.

Hierna ontvingen wij verdere toewijzingen in Engeland. Aldaar begonnen wij de lang verwachte groei van Jehovah’s bijeengebrachte volk te zien, aangezien de vooruitgang van het predikingswerk velen tot een kennis van de bijbelse waarheid bracht, als gevolg waarvan zij zich aan Jehovah opdroegen.

DIENST OP HET BETHELHUIS IN LONDEN

In 1942 werd mij gevraagd naar het bijkantoor van het Genootschap in Londen te komen. Er was hulp nodig aangezien een aantal leidinggevende broeders van het Bethelhuis in Londen gevangen waren gezet vanwege het op de bijbel gebaseerde neutrale standpunt dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog innamen.

Ik ging naar Bethel om er tot het einde van de oorlog te blijven en daarmee brak een periode van vier en een half jaar van onvergetelijke dienst aan. Het leven in een Bethelhuis brengt de hoogste soort van dienst met zich mee, ongeacht van welke aard die dienst is. Ik had het voorrecht op de dienstafdeling te werken en aldus nauw contact te onderhouden met alle gemeenten in Engeland. Dit was een zeer gelukkige en rijke ervaring.

Het waren eveneens zeer gevaarlijke jaren. Londen werd tot het centrum van vijandelijke luchtaanvallen gemaakt. De „Battle of Britain” woedde. Londen werd bijna elke nacht met explosieve bommen en brandbommen gebombardeerd. Het verbazingwekkende feit deed zich echter voor dat de Getuigen in Londen nooit met hun predikingswerk ophielden. Zij gingen er juist des te ijveriger mee door! Zij bezochten mensen met het „goede nieuws van het koninkrijk” en brachten aan velen troost. Onder deze moeilijke omstandigheden kregen wij waardering voor de ware rijkdommen van Jehovah’s zorg, zoals bleek uit de bescherming waarin hij voor zijn volk voorzag. — Matth. 24:14.

MEER RIJKDOMMEN

In 1946 nodigde het Genootschap mij uit om samen met mijn vrouw in de kringdienst te gaan. Na het leven als lid van de Bethelfamilie is het werk als kringdienaar een van de rijkste, geestelijk lonende voorrechten waarin men zich kan verheugen. Deze aantrekkingskracht oefende deze dienst althans op mij uit. Er was veel liefde en vriendelijkheid voor jong en oud voor nodig. Het schenkt echter een bijzondere vreugde de broeders te kunnen dienen en nieuwelingen mee te nemen in het predikingswerk. Zo zijn er zestien jaar voorbijgegaan, tot 1962.

Mijn vrouw en ik werden toen opgenomen in de kring van speciale pioniers; de zuidkust van Engeland werd aan ons toegewezen, aangezien het klimaat daar geschikter is voor onze gezondheid. Dit betekent echter niet dat wij het nu gemakkelijker aan kunnen doen! De dagen worden gevuld met ijverige dienst in de plaatselijke gemeente en predikingswerk in de volletijddienst.

Als ik, na meer dan vijftig jaar van verschillende soorten van theocratische activiteit, terugblik naar de tijd toen ik de volle-tijddienst tot mijn carrière maakte, schieten mij de woorden te binnen die velen tot mij spraken toen ik het besluit nam deze levenswijze te volgen: „Wat ga je doen als je oud bent geworden?” Ik kan eerlijk zeggen dat het mij nog nooit heeft ontbroken aan wat ik werkelijk nodig heb gehad. Ik heb mij altijd in de noodzakelijke dingen mogen verheugen, zoals Jezus heeft beloofd toen hij zei: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd” (Matth. 6:33). De dingen die wij in geestelijk opzicht hebben verworven sinds wij de volletijddienst tot onze carrière hebben gemaakt, zijn werkelijk blijvende rijkdommen waarin wij nooit teleurgesteld kunnen worden. — Matth. 6:20.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen