Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 1/10 blz. 598-601
  • God is goed en barmhartig voor mij geweest

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • God is goed en barmhartig voor mij geweest
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VAN PERSOONLIJKHEID VERANDEREN
  • HUNKERING NAAR OMGANG
  • OP BETHEL DIENST VERRICHTEN
  • Jehovah heeft mij goddelijke vreugde geschonken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Vreugde vinden in de Koninkrijkshoop
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Is dit misschien de beste carrière voor jou?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Veel wat tot dankbaarheid stemt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 1/10 blz. 598-601

God is goed en barmhartig voor mij geweest

Zoals verteld door G. D. Gangas

IK WERD op 17 februari 1896 in een onbetekenend plaatsje in Klein-Azië, Nieuw-Éfeze (Turks: Koeshadasi) genaamd, geboren. Het lag op een afstand van ongeveer twaalf kilometer van het Éfeze uit de oudheid, waar de apostel Paulus ongeveer negentienhonderd jaar geleden predikte en zijn eerste brief aan de Korinthiërs schreef.

Toen ik ongeveer vijf of zes jaar oud was, stierf mijn vader. Mijn moeder was een vrome, godvruchtige vrouw. Zij had echter geen toegang tot de bijbel en wist derhalve niet hoe zij haar kinderen „in het strenge onderricht en de gezaghebbende raad van Jehovah” moest grootbrengen (Ef. 6:4). Het was zelfs zo dat bijna 95 percent van de orthodoxe mensen geen bijbel had of er ooit een had gezien. Aangezien ik dus in het geheel geen gids had om mij op de juiste weg voor te gaan, leidde ik een zorgeloos leven waardoor ik God smaad aandeed.

Toch ging ik als kind naar de kerk en zong ik als koorknaap geestelijke liederen. Uit deze liederen en het geestelijke onderricht dat ik op school ontving, vernam ik de leerstelling van de kerk over de tweevoudige bestemming van de mensheid: goede mensen gaan bij de dood regelrecht naar de hemel, slechte mensen naar het hellevuur. Ik kan mij nog een lied herinneren dat Maria werd toegezongen en waarin haar werd gesmeekt ons van de eeuwige pijniging te bevrijden. Die leerstelling werd in mijn hart gegrift en ik geloofde zeker dat er zo’n plaats voor de goddelozen bestond. De leer werd per slot van rekening door de orthodoxe Kerk geleerd, en ik geloofde dat mijn kerk juiste leerstellingen onderwees, gezien de betekenis van het woord „orthodox”, namelijk juiste mening (orthos, juist of waar; doxa, mening)”.

Aangezien ik als jongeman een slecht leven leidde, wist ik zeker dat ik op de een of andere dag in de hel zou belanden om daar eeuwig te branden. Maar nu komt er iets vreemds: hoewel ik wist dat ik daar op zekere dag naar toe zou gaan, veranderde ik niet van gedrag. Wat ik niet kon begrijpen, was: Wat voor genoegen schenkt het God miljarden mensen voor eeuwig te pijnigen? Ik had geleerd dat God goed is, maar ik vroeg mij af: Waar bleef zijn goedheid als hij mensen eeuwig pijnigde?

Toen ik elf jaar was, verliet ik Nieuw-Éfeze en ging ik naar het eiland Chios, waar ik drie jaar een handelsschool bezocht. Toen brak de Eerste Wereldoorlog uit. Ik verliet Chios en ging naar Athene, waar ik de ergste hongersnood in mijn leven meemaakte, want Griekenland was geblokkeerd en er kon niets binnenkomen. Van daaruit ging ik naar Parijs, en toen de oorlog voorbij was, ging ik naar Marseille om op een schip te wachten dat naar de Verenigde Staten ging.

Toen ik op zekere avond in Marseille was, zag ik mensen van het Leger des Heils op straat zingen. Aangezien ik niet wist wat zij voor mensen waren, volgde ik hen naar hun vergaderplaats en bemerkte dat zij een religieuze organisatie vormden. Weer schoot de gedachte aan de hel mij te binnen, en ik vroeg de prediker naar zijn mening. Zijn antwoord kwam precies op hetzelfde neer als wat ik in de Orthodoxe Kerk had geleerd.

VAN PERSOONLIJKHEID VERANDEREN

Ten slotte kwam ik in 1920 in de Verenigde Staten aan. Toen ik op zekere dag achter een lunchbuffet in Marietta, Ohio, werkzaam was, kwam er een man binnen die over de bijbel begon te spreken. Anderen luisterden en ik ook. Ik merkte onmiddellijk dat hij heel anders praatte dan andere religieuze mensen. Hij sprak tenminste verstandige taal.

Hij vertelde ons dat men bij de dood niet naar de hemel of de hel gaat, maar naar het graf. Ik begon met hem te argumenteren; nu gaf hij mij zijn bijbel en zei: „Lees dit eens.” Hij wees op Johannes 3:13. Ik las het en las het daarna nog eens. Iedere keer las ik daar: „Niemand is naar de hemel opgestegen.” Ik was zo verbaasd dat ik niet wist wat ik moest zeggen.

Daar ik inzag dat hij mijn vragen kon beantwoorden door de bijbel te gebruiken, zei ik bij mijzelf: ’Laat ik eens over de hel vragen stellen.’ Ik zei derhalve tegen hem: „Wat geloven jullie eigenlijk over het hellevuur? Bestaat het of niet?” „Luister goed”, zei hij, „stelt u zich eens voor dat u getrouwd was en een kind had dat verschrikkelijk ondeugend was. Zou u, als vader, de moed hebben dat kind in het vuur te gooien en hem te horen schreeuwen?” Ik antwoordde: „Het zou niet eens bij mij opkomen.” Hij antwoordde: „Als u, als onvolmaakt mens, zoiets niet met uw kind zou kunnen doen, waarom schrijft u dan zo’n duivelse daad aan God toe, die liefde is?” Dat gaf de doorslag!

Deze man, die een van de Bijbelonderzoekers was, zoals Jehovah’s getuigen destijds werden genoemd, legde vervolgens aan de hand van de bijbel uit wat het woord „hel” betekent. Mijn verrukking en nieuwsgierigheid stegen ten top en ik vroeg hem hoe en waar hij deze dingen had geleerd. Ik vroeg hem mij een boek te brengen waarin verhalen stonden over Abraham, Jozef en andere bijbelse figuren, niet wetende dat deze werkelijk gebeurde verhalen in de bijbel zelf stonden. Een paar dagen later bracht hij mij een bijbel en het hulpmiddel voor bijbelstudie Het goddelijke plan der eeuwen. Die nacht las ik tot na middernacht!

Toen ik de volgende dag op mijn werk koffie zette, kwam alles wat ik de vorige avond en nacht had gelezen, mij weer voor de geest. Ik moet de een of andere vergissing hebben begaan, want ik hoorde klanten zeggen: „Die jongeman doet zo vreemd vandaag. Er moet hem iets zijn overkomen.” Zij hadden gelijk! Er gebeurde iets in mijn geest. Ik onderging een verandering in mijn leven. Ik kwam uit een grote duisternis te voorschijn en ging een wonderbaarlijk licht binnen. Ik keerde een oud stelsel de rug toe en keek in de richting van een nieuw stelsel, dat ik nog niet geheel en al kon uitleggen.

HUNKERING NAAR OMGANG

De studie van het boek, samen met de bijbel, schonk mij zo’n vreugde en maakte zulke verlangens in mij wakker, dat ik degene die mij deze waarheden had gebracht, vroeg of er nog meer van zulke mensen als hij in Marietta waren. Hij zei van niet en zei dat ik naar Wheeling, in West-Virginia, moest gaan. Daar zou ik bovendien personen aantreffen die mijn taal, Grieks, spraken en mij zouden helpen door mijn vragen te beantwoorden. Enkele dagen later ging ik dus naar Wheeling en vond daar werk als bordenwasser in een restaurant.

Het duurde niet lang of mijn oudste broer hoorde het nieuws dat ik gek was geworden. Hij zocht mij in het restaurant op en trof mij aan toen ik bezig was aardappelen te schillen. Hij zei: „Ga met mij mee, dan zal ik je meer betalen. Je zult eigen baas zijn. Je kunt mijn compagnon worden en wij zullen veel geld verdienen.” Ik sloeg dit aanbod echter af, want de goedheid van God en het begrip van wat zijn koninkrijk inhield en wat het tot stand zal brengen, had zo’n indruk op mij gemaakt en in mijn hart zoveel vreugde en liefde voor Jehovah ontwikkeld dat, hoewel ik naar Amerika was gegaan om veel geld te verdienen, het verlangen om rijk te worden, geheel was verdwenen.

Kort daarna symboliseerde ik mijn opdracht door de waterdoop. Gedurende al deze tijd bezocht ik alle vergaderingen om de bijbel te bestuderen, ook al verstond ik geen Engels. Ik werd echter geholpen door degenen die zich hadden opgedragen om Gods wil te doen en die de Griekse taal spraken.

Van Wheeling verhuisden enkelen van ons naar Beech Bottom, een heel klein plaatsje. Daar vormden wij een kleine gemeente die geleidelijk aan groter werd. Wij maakten een grondige studie van de bijbel en genoten zo van datgene wat wij leerden dat wij na de geregelde studie vaak een andere informele studie hadden voor het bespreken van verschillende onderwerpen. Wij verspilden geen tijd. Het leek wel alsof wij niet vlug genoeg leerden. Wij raakten niet uitgepraat over de goedheid van onze God.

De barmhartigheid en goedheid die Jehovah mij bewees, maakten zo’n indruk op mij en kweekten zo’n liefde in mij aan voor de broeders dat ik God in gebed vroeg mij andere teleurstellingen toe te staan maar niet de teleurstelling dat ik vergaderingen met de broeders zou moeten missen. Jehovah heeft dit verzoek getrouw ingewilligd, want gedurende de afgelopen vijfenveertig jaar dat ik zijn barmhartigheid en goedheid heb gesmaakt, heb ik de vergaderingen geregeld kunnen bezoeken.

Het bijeenkomen met de broeders, vormt een van ’s levens grootste genoegens en een bron van aanmoediging. Ik vind het heerlijk om tot de eersten te behoren die in de Koninkrijkszaal aanwezig zijn en als het enigszins kan, tot de laatsten te behoren die weggaan. Ik ervaar een innerlijke vreugde wanneer ik met Gods volk spreek. Wanneer ik onder hen vertoef, voel ik mij thuis en ben ik met mijn familie in een geestelijk paradijs. Ook voel ik op de vergaderingen dat Jehovah’s geest in een grotere mate aanwezig is. En zodra de vergadering is geëindigd, vind ik het prettig om met de pas geïnteresseerden te spreken. Net zoals het kompas altijd naar het noorden wijst, is het mijn diepste verlangen om de vergaderingen bij te wonen. Ik ben volledig doordrongen van de waarheid van de geïnspireerde verklaring van de psalmist: „Dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven.” — Ps. 27:4.

OP BETHEL DIENST VERRICHTEN

Gods goede wil werd verder jegens mij geopenbaard toen ik op zekere dag in 1928 een brief van het Wachttorengenootschap ontving waarin mij werd gevraagd naar het hoofdbureau van het Genootschap in New York te komen om als vertaler dienst te verrichten. Ik kon het haast niet geloven. Ik, een vertaler? Ik was toen in het restaurantbedrijf werkzaam! Ik hield echter voor ogen dat Noach nog nooit een boot had gebouwd. En wist Mozes hoe hij een tabernakel moest oprichten? Zij hebben dit beiden geleerd. Ik zou hetzelfde doen.

Op Bethel smaakte ik Jehovah’s barmhartigheid en goedheid in een nog grotere mate. Wat een vreugde om met ongeveer tweehonderd (nu ruim achthonderd) broeders en zusters in het geloof samen te zijn! Wat voelde ik een blijdschap en verrukking, wat ik nog steeds ervaar, om drie keer per dag met hen aan de maaltijden te zitten en elke ochtend een bijbelgedeelte te bespreken!

Op Bethel werd ik geholpen tot rijpheid te groeien en de vruchten van Gods geest voort te brengen. Ik kan mij herinneren dat ik mijn eerste zes-minutentoespraakje hield. Ik had geen zelfvertrouwen en daarom schreef ik het op. Maar toen ik opstond om het toespraakje te houden, maakte plankenkoorts zich van mij meester en kon ik helemaal niet uit mijn woorden komen, terwijl ik niet meer normaal kon nadenken. Ten einde raad begon ik mijn lezing van papier voor te lezen. Mijn handen beefden echter zo erg dat de regels op en neer sprongen! De Duivel trachtte mij te ontmoedigen door de gedachte bij mij te laten post vatten dat ik er niet voor deugde en beter kon ophouden. Hij heeft hier dagen achtereen heel erg moeite voor gedaan. Ik worstelde en aangezien Jehovah barmhartig is, heeft hij mij geholpen Satans aanvallen af te weren. Van toen af leerde ik de les om nooit, maar dan ook nooit, bij de pakken neer te gaan zitten.

Wát ik ook over Bethel zeg, altijd schieten de woorden mij te kort om onder woorden te brengen wat ik er in mijn hart voor voel. Jaar na jaar neemt mijn waardering ervoor toe en elke dag opnieuw dank ik Jehovah dat hij mij al deze jaren heeft getolereerd. Bethel is voor mij het centrum van Jehovah’s zichtbare organisatie in werking. De gedachte dat ik op het hoofdbureau van deze zichtbare organisatie werkzaam ben, vervult mijn hart met dankbaarheid. Op Bethel ga ik met broeders en zusters om die wat hun toewijding en opdracht aan Jehovah betreft, altijd een voorbeeld voor mij zijn geweest en nog zijn. Gedurende deze vele jaren heb ik jonge broeders gezien die niet zoveel wisten toen zij pas kwamen, maar die na zeven of acht jaren van getrouwe dienst tot opzieners werden aangesteld en later als kring- en districtsdienaren werden gebruikt. Als ik het kon, zou ik met een luide stem alle jonge broeders willen toeroepen: Kom op Bethel en smaak Jehovah’s liefderijke goedheid! Met al de ervaring die ik gedurende de negenendertig jaren van dienst op Bethel heb opgedaan, kan ik naar waarheid zeggen dat het de beste plaats op aarde is om de bekwaamheden van bedienaren van het evangelie tot Jehovah’s lof te vergroten.

Hier op Bethel heb ik ook Spaans leren spreken. Toen ik merkte dat er in het gebied waaraan ik was toegewezen hoofdzakelijk Spaanse mensen woonden, nam ik een grammaticaboek ter hand en met behulp van onze lectuur en door naar de manier te luisteren waarop de Spanjaarden de woorden uitspraken, leerde ik Spaans! Ik heb veel studies in de huizen van deze nederige mensen mogen houden.

Van kinds af aan heb ik een minderwaardigheidscomplex gehad. Ik durfde de mensen niet aan te kijken en met hen te spreken. Wat is dit nu veranderd! Met Jehovah’s hulp kan ik nu voor een groot publiek staan en een uur lang spreken. Deze verandering werd door een studie van de Schrift en met de hulp van Gods geest tot stand gebracht.

Gods goedheid, waardoor ik ben geholpen mijn vroegere slechte persoonlijkheid te veranderen, dwingt mij er nu toe overal waar ik ga de kennis die Hij mij heeft gegeven, door te geven, opdat ook anderen mogen zien dat Jehovah goed is. Gods Woord bevat woorden van eeuwig leven (Joh. 6:68). Ik heb het leven lief en ik koester ook de wens dat mijn broeders leven zullen verwerven. Samen met de apostel Paulus beschouw ik alle andere dingen als „verlies wegens de uitnemende waarde van de kennis van Christus Jezus” (Fil. 3:8). Ja, alle andere dingen zullen spoedig tot vernietigens toe worden geschud, met uitzondering van Gods koninkrijk en de belangen van dit rijk. — Hebr. 12:27, 28.

Wanneer ik over de zesenveertig jaren dat ik Jehovah door zijn onverdiende goedheid heb mogen dienen, terugkijk, ben ik het volledig eens met Mozes’ woorden tot Israël: „De HERE, uw God, is een barmhartig God” (Deut. 4:31). En ook met de woorden van de geïnspireerde psalmist: „Gij, o HERE, zijt goed en gaarne vergevend” (Ps. 86:5). Ja, Jehovah is goed en barmhartig voor mij geweest.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen