Het christendom — Een levenswijze
MILJOENEN mensen zijn bekend met op zijn minst enkele van Jezus’ leringen. Het kennen van de grondbeginselen van de christelijke leer betekent echter nog niet dat iemand een christen is, aangezien het christendom een levenswijze is en niet slechts een hoeveelheid leerstellingen.
De apostel Petrus legde hier de nadruk op. Hij moedigde medechristenen ertoe aan een voortreffelijk gedrag, een voortreffelijke levenswijze, te bewaren, zodat anderen hun werken zouden zien en God mochten verheerlijken. — 1 Petr. 2:12.
Ook in deze tijd trachten ware christenen in hun dagelijks gedrag te demonstreren dat het christendom een levenswijze is. Onlangs beëindigde een reizende bedienaar van Jehovah’s getuigen in de Amerikaanse stad Kansas een driedaagse kringvergadering van Jehovah’s getuigen in die streek. Voordat hij de stad verliet, ging hij even een hotel binnen.
Toen de hoteleigenaar, tot wie de Getuige sprak, bemerkte dat de bedienaar met de vergadering verbonden was, verklaarde hij: „Ik zit al enige tijd in het hotelbedrijf. Ik heb vele verschillende vergaderingen bijgewoond en er zijn grote groepen mensen in mijn hotel geweest. Maar nog nooit eerder heb ik iets meegemaakt dat met de afgelopen drie dagen te vergelijken is. In praktisch elke kamer in dit hotel had ik mensen van u, en sommigen waren zelfs in kamers die ik gewoonlijk niet gebruik. Ik weet dat sommigen kamers hadden die beslist niet aan de maatstaf voldeden waaraan zij normaal gewend waren, maar ik heb geen enkele klacht gehoord, ook geen ruw woord of lawaai, hoewel er toch veel jongeren waren. Ik zou graag willen dat u de mensen van de huisvesting of de nieuwsdienst vertelde dat zij goed werk hebben gedaan.”
De bedienaar begreep hieruit dat de hoteleigenaar dacht dat de Getuigen die in zijn hotel logeerden, speciaal geselecteerd en geïnstrueerd waren voordat zijn hun intrek namen in het hotel. Hij legde dus uit dat dit niet het geval was — kenmerkend voor zijn gasten was het feit dat zij Getuigen waren die zich op de door hem beschreven wijze gedroegen omdat zij bijbelse beginselen naleefden.
Zichtbaar ontroerd zei de hoteleigenaar daarop: „Weet u, verscheidene van uw mensen zijn zowaar persoonlijk naar mij toe gekomen en hebben mij uitgenodigd uw vergadering op zondag bij te wonen. In al de jaren die ik in deze stad heb doorgebracht, is het de eerste keer dat iemand mij heeft uitgenodigd een dienst bij te wonen, en dat iemand er blijk van heeft gegeven dat hij belangstelling voor mij had. Ik heb dat zeer gewaardeerd, hoewel ik niet kon komen. En, weet u, zij hebben zelfs wat bijbelse lektuur voor de andere gasten in de hal achtergelaten, zonder een bijdrage te vragen.” Na nog iets over de netheid van de kamers te hebben opgemerkt, zei hij tot slot: „Jullie bezitten iets wat de meeste mensen hebben verloren.”