Het werk voltooien dat bestaat in het maken van discipelen
„Wij zijn Gods medewerkers. Gijlieden zijt Gods akker, die wordt bebouwd, Gods gebouw.” — 1 Kor. 3:9.
1. (a) Welk gevoel dient iemand te hebben die een karwei tot een goed besluit ziet gebracht, en welke factoren dienen hierbij geen verschil te maken? (b) Geef enige schriftuurlijke voorbeelden van taken die goed werden behartigd, waarover men voldoening moet hebben gesmaakt.
MEN heeft vreugde wanneer men ziet dat een werk goed wordt verricht. Dit is werkelijk het geval, of het werk nu groot of klein is, er velen bij betrokken zijn of u alleen, en of het nu snel wordt volbracht of zich over een lange tijdsperiode uitstrekt. Noach en zijn gezin moeten een diep gevoelde voldoening hebben gesmaakt toen zij de ark op tijd voltooiden, toen zij vervolgens de dieren erin brachten en de ark dicht hadden voordat de regens kwamen. Mozes en de Israëlieten moeten, toen zij in de wildernis de tabernakel in al zijn ingewikkelde details voltooiden, dat zelfde vreugdevolle gevoel van verrukking hebben gehad. Salomo en degenen die met hem samenwerkten, moeten zich hebben verheugd toen de schitterende tempel op de berg Moría in Jeruzalem in het jaar 1027 v.G.T. werd voltooid, en de wolk, ten teken van Gods goedkeuring, deze tempel vervulde zodat de priesters daar niet konden binnengaan.
2. Een aandeel hebben aan welk in de paragraaf beschreven werk dient iemand de vreugdevolle verrukking te geven werkelijk iets tot stand te brengen?
2 Bent u iemand die een vreugdevol gevoel van verrukking ondergaat wanneer er werkelijk iets tot stand is gebracht? Welnu, wat zou u ervan denken als u het voorrecht werd gegeven aan het grootste werk dat ooit op aarde door mensen werd verricht, deel te nemen? In dit werk zou u met duizenden toegewijde mannen en vrouwen uit alle naties verenigd zijn. U zou zich bezighouden met een werk dat zoveel mogelijk ten goede komt aan rechtvaardig gezinde personen. Het is een werk dat meer dan 1900 jaar geleden is begonnen en nu zijn grootse climax bereikt. Het zal in deze generatie worden voltooid. Iemand die energiek is en God liefheeft, zal stellig in een dergelijk werk belang stellen.
3. Hoe zouden sommigen bezwaar kunnen maken tegen een religieus werk of het werk van een bedienaar van het evangelie?
3 „Maar”, zult u misschien tegenwerpen, „dat klinkt als een bedieningswerk, en mijns inziens is dat een beroep dat in populariteit afneemt.” „Ja,” zou u kunnen zeggen, „ik weet zelfs dat dit de reden is dat er een tekort aan bedienaren van het evangelie en priesters over de gehele wereld bestaat en dat het tekort steeds dringender wordt. Het zou waarschijnlijk een zeer teleurstellende loopbaan zijn.”
4. Wat dient iemand die bezwaar maakt tegen een werk als waarmee de geestelijkheid van de christenheid zich bezighoudt, in gedachten te houden?
4 Laten wij van het begin af de juiste kijk op dit werk trachten te krijgen en wel op een openhartige wijze. De gelegenheid zich met dit grootse werk bezig te houden, betekent niet dat men een geestelijke van een van de naamreligies van onze tijd wordt. Hoewel het een uitnodiging tot het predikingswerk betreft, gelijkt het niet in het minst op de prediking die in de kerken van de hedendaagse christenheid plaatsvindt, noch staat het hier ook maar enigszins mee in verband. Er bestaat een grandioos verschil.
5. (a) Wat dient iemand in de eerste plaats belang in te boezemen? (b) Wie staat achter dit werk en wat zei hij?
5 In de allereerste plaats dient men er belangstelling voor te hebben wie er nu eigenlijk achter dit werk staat en dus degene is die de uitnodiging om eraan deel te nemen, doet toekomen. De gelegenheid om zich met dit meest grootse van alle soorten van werk bezig te houden, wordt via een gebod van Christus Jezus dat aan zijn volgelingen werd gegeven en in Matthéüs 28:19, 20 staat opgetekend, opengesteld. Daar staat namelijk: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hen onderhouden alles wat ik u geboden heb.”
6. (a) Wat is, volgens één autoriteit, een discipel? (b) Wat voor soort van discipel zou men volgens deze definitie kunnen worden?
6 Alvorens de aangename onderdelen van dit werk te bespreken en wel in het bijzonder de vreugdevolle verrukking waarmee men vervuld wordt als men aan de voltooiing ervan in deze laatste dagen deelneemt, zouden wij willen vragen: Wat is een discipel? Het is „iemand die van iemand anders onderricht ontvangt. Iemand die de leerstellingen van een ander aanvaardt en ze helpt verbreiden en nakomen.” Volgens Webster’s Third New International Dictionary van 1963 is de betekenis ook: „Een overtuigd aanhanger van een school (zoals een filosofie, een kunstvorm, of politieke richting).” Hoewel deze definitie vanuit deze gezaghebbende wereldse bron een goede hulp voor ons is om enig begrip te krijgen van de betekenis van het woord, is dit toch niet voldoende. Wij hebben belangstelling voor een bijbelse betekenis. Het laatste deel van die definitie volgens het moderne woordgebruik toont aan dat men een discipel zou kunnen zijn van iemand of een organisatie die valse religieuze leerstellingen onderwijst en zelfs een discipel zou kunnen zijn van dat wat niets met de bijbel te maken heeft.
7. Welke soort van discipelen had Jezus in gedachten, toen hij tot het maken van discipelen aanmoedigde?
7 Wij hebben evenwel de ware strekking van het woord in gedachten zoals Christus Jezus dit woord gebruikte toen hij de verklaring deed waarop het thema van onze bespreking is gebaseerd. Hij gaf zijn volgelingen niet de aanmoediging discipelen te maken van „filosofie, kunst of politiek” of zelfs van „de kerk van uw keuze”. Hij gaf hun de aanmoediging discipelen van hém te maken en ’alles te onderhouden wat ik u geboden heb’. Wij zullen hierbij ook in gedachten moeten hebben dat Jezus niet zijn eigen ideeën onderwees, maar, zoals hij zei: „Ik kan geen enkel ding uit mijzelf doen; gelijk ik hoor, oordeel ik; en het oordeel dat ik vel, is rechtvaardig, want ik zoek niet mijn eigen wil, maar de wil van hem die mij heeft gezonden” (Matth. 28:20; Joh. 5:30). Wij spreken dus van discipelen in de ware christelijke betekenis van het woord en niet in de een of andere wereldse betekenis die zich heeft ontwikkeld sinds Jezus de uitdrukking in de juiste betekenis bezigde. Het zouden personen zijn die de leerstellingen van Christus Jezus begrepen en aanvaardden en hem bij het verbreiden ervan nauwgezet volgden.
8. (a) Wat is de beste manier om te ontdekken hoe precies discipelen kunnen worden gemaakt? (b) Wiens voorbeeld volgde hij niet en hoe weten wij dat?
8 Nu wij begrijpen wat een christelijke discipel is, stellen wij er belang in hoe zij kunnen worden gemaakt. Hoe zouden wij dit beter te weten kunnen komen dan door terug te gaan naar de tijd toen Christus Jezus het gebod gaf en dan precies te ontdekken wat hij heeft gedaan om discipelen te maken? Heeft hij het voorbeeld van de geestelijkheid van zijn dagen gevolgd? Dat zou men bezwaarlijk kunnen beweren! Tot deze mensen zei hij: „Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! want gij doorkruist de zee en het droge land om één proseliet te maken, en wanneer hij er een wordt, maakt gij hem tot een voorwerp voor Gehenna, tweemaal zo erg als gijzelf” (Matth. 23:15). Bovendien zei hij over hen: „De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn op de stoel van Mozes gaan zitten. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar doet niet naar hun daden, want zij zeggen het wel, maar volbrengen het niet. Zij binden zware vrachten samen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren. Alle werken die zij doen, doen zij om door de mensen gezien te worden, want zij verbreden de doosjes met schriftuurplaatsen die zij als bescherming dragen, en vergroten de franjes van hun klederen. Zij zijn gesteld op de voornaamste plaats aan de avondmaaltijden en de voorste zitplaatsen in de synagogen en de begroetingen op de marktplaatsen, en worden door de mensen graag Rabbi genoemd. Maar gij moet u geen Rabbi laten noemen, want één is uw leraar, terwijl gij allen broeders zijt” (Matth. 23:2-8). Neen, dit was niet de methode van Jezus om met schapen te vergelijken personen te vinden en de weg voor hen te openen zijn volgelingen te worden.
9. (a) Naar welke soort van personen zocht hij wel en naar welke soort niet? (b) Op welke wijze zocht hij wel en hoe niet naar hen?
9 Zijn methode was revolutionair, bestemd om aan een bijzondere behoefte te voldoen. Hij zocht niet naar aanhangers of louter luisteraars. Hij zocht naar discipelen, mensen die het „goede nieuws”, zoals hij het noemde, wensten te leren kennen, die bereid zouden zijn hun standpunt voor de waarheid wanneer zij die inzagen, in te nemen, en die op hun beurt hun leven zouden opdragen aan het werk dat erin bestond nog andere discipelen te maken wanneer hun zou worden getoond hoe zij dit moesten doen. En dat hij naar hen zocht, betekende niet dat hij een kerk opende en wachtte tot er iemand zo maar naar binnen zou stappen. Het betekende dat hij het initiatief nam en naar de mensen toeging, opdat hij persoonlijk tot hen zou kunnen spreken. Van het begin af wist hij dat er geen betere manier bestond om de mensen met zijn hoogst belangrijke boodschap te bereiken dan de manier waar hij nu een begin mee maakte.
10. Hoe toonde hij in zijn werk, dat erin bestond discipelen te maken, vindingrijkheid?
10 En wat een vindingrijkheid heeft hij hierbij gebruikt! Hij predikte tot menigten op een berghelling, in de synagoge van de plaats waar hij was opgegroeid en in andere synagogen, in de tempel te Jeruzalem, vanaf een boot aan de kust, op afgelegen plaatsen, in particuliere woningen en „van stad tot stad en van dorp tot dorp”. — Matth. 5:1; 12:9; 13:54; 14:13, 14; Luk. 5:3; 8:1; 10:38, 39; 19:2, 5, 6.
11. Tot welke soort van personen predikte hij, maar welke soort reageerde hier het gunstigst op?
11 En tot wat voor soort van mensen predikte hij? Tot jong en oud, mannen zowel als vrouwen, rijk en arm, tot de zieken en de gezonden. Hoewel hij tot allen sprak, waren het de gewone mensen die het gunstigst reageerden. Zijn apostelen bij voorbeeld waren hoofdzakelijk mannen die tot de werkende klasse behoorden.
12. Waarom dienen wij te verwachten dat zij die tot de werkende klasse behoorden, goede bedienaren van het evangelie zouden zijn?
12 Zouden mensen uit deze verschillende rangen en standen wel goede bedienaren van het evangelie blijken te zijn? Waarom niet? Zij konden even goed als een ander leerstellingen en beginselen leren. Bovendien zou Jezus hen niet slechts in de waarheid van Gods voornemens onderwijzen, maar hij zou hen onderrichten en opleiden met betrekking tot de wijze waarop zij precies moesten prediken en onderwijzen. Zij zouden krachtige, enthousiaste personen zijn, bereid en in staat om te werken.
13. Hoe werd ermee begonnen bedienaren van het evangelie op te leiden voor het werk dat erin bestaat discipelen te maken, en is er een bewijs voorhanden dat er grondig onderricht werd gegeven?
13 De twaalf apostelen waren de eersten die „Jezus [uitzond], terwijl hij hun de volgende opdracht gaf . . .” (Matth. 10:5). Vervolgens ging Jezus ertoe over hun gedetailleerde richtlijnen te geven voor het werk van huis tot huis en van stad tot stad, waarmee zij zich bezig zouden houden. Dit wordt ons verteld in het tiende hoofdstuk van Matthéüs, en dan zegt Matthéüs 11:1: „Toen Jezus nu gereed was met het geven van instructies aan zijn twaalf discipelen, vertrok hij vandaar om in hun steden te onderwijzen en te prediken.”
14. Hoe breidde het werk zich later uit, en hoe weten wij dat het succesvol was?
14 Later breidde zich deze activiteit uit, toen „de Heer zeventig anderen [aanwees] en . . . hen twee aan twee voor zich [uitzond] naar elke stad en plaats waarheen hijzelf van plan was te gaan. Toen zei hij tot hen: ’De oogst is wel groot, maar de werkers zijn weinigen. Smeekt daarom de Meester van de oogst werkers in zijn oogst uit te zenden’” (Luk. 10:1, 2). Was deze vroege tournee in Gods dienst succesvol? Lukas 10:17 antwoordt: „Toen keerden de zeventig vreugdevol terug.” En 10 vers eenentwintig voegt eraan toe: „In datzelfde uur werd hij [Jezus] verrukt in de heilige geest en zei: ’Ik loof u in het openbaar, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat gij deze dingen voor wijzen en intellectuelen zorgvuldig hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard. Ja, o Vader, want dit te doen, werd de door u goedgekeurde weg.’” De wijze waarop Jezus bij het maken van discipelen te werk ging, was degelijk uitgedacht en bleek op verrukkelijke, voldoening gevende wijze aan haar doel te beantwoorden en met succes ten uitvoer te worden gebracht!
15. (a) Hoe weten wij dat Jezus’ methode die hij bij het maken van discipelen volgde, zelfs na zijn dood succesvol was? (b) Toonden Jezus’ volgelingen overtuiging en moed bij het uitvoeren van hun taak?
15 Dit zou kort na de dood van Jezus op een zelfs nog grotere schaal waar blijken te zijn. Dat de apostelen en anderen van zijn volgelingen duidelijk begrepen wat er van hen werd verwacht, wordt door hun activiteit en de resultaten ervan getoond. Petrus’ redevoering, die opgetekend staat in het tweede hoofdstuk van Handelingen der Apostelen, had tot resultaat dat er drieduizend werden gedoopt, en korte tijd hierna groeide het aantal tot vijfduizend (Hand. 2:41; 4:4). Hun succes werd door de hogepriester bevestigd, toen enigen van de apostelen de zaal van het Sanhedrin werden binnengebracht. „En de hogepriester ondervroeg hen en zei: ’Wij hebben u uitdrukkelijk bevolen niet door te gaan met onderwijzen op basis van deze naam en ziet! nochtans hebt gij Jeruzalem met uw leer vervuld’” (Hand. 5:27, 28). Dat deze dienstknechten van God niet door vrees werden bevangen maar dat het werk in verband met het maken van discipelen zou voortduren, bleek uit hun antwoord: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen” (Hand. 5:29). Het predikingswerk nam een hoge vlucht en snel vermeerderde het aantal discipelen!
EEN PAUZE IN HET MAKEN VAN DISCIPELEN
16. Vond dat werk uit vroeger dagen, dat erin bestond discipelen te maken, voortgang in en breidde het zich uit tot het religieuze werk dat wij heden ten dage in de christenheid zien? En wat zijn enige redenen waarom wij aldus antwoorden?
16 Hoe heeft dit werk sindsdien vorderingen gemaakt? Heeft het zich tegenwoordig tot de honderden zogenaamde „christelijke” religies met hun miljoenen aanhangers in verscheidene delen van de wereld uitgebreid? Wat zou het prachtig zijn als wij in antwoord op deze vragen „Ja” konden zeggen. Maar ongelukkigerwijs is het niet mogelijk dit antwoord te geven. Neen, wat wij tegenwoordig in de christenheid zien, is geen uitbreiding van het voortreffelijke christendom van Jezus’ dagen. De feiten, zowel schriftuurlijke als wereldse feiten, tonen aan dat het anders is. Er was een pauze in het werk dat door Jezus en de apostelen was begonnen en deze pauze werd duidelijk door Jezus en enigen van zijn apostelen voorzegd. Dat deze pauze intrad, diende in die dagen niet als een verrassing te komen en evenmin behoeft het thans moeilijk te zijn dit te begrijpen.
17. Waarvan gaf Jezus in de gelijkenis van de zaaier een illustratie?
17 In de gelijkenis van de zaaier, opgetekend in Matthéüs 13:24-30, 36-43, illustreerde Jezus hoe het oorspronkelijke christendom zou worden verdorven, en dit op zowel organisatorisch als leerstellig gebied. Namaak-christenen werden als „onkruid” door Satan tussen de ware christenen die als „tarwe” werden afgebeeld, gezaaid. Naarmate de aangelegenheden zich verder ontwikkelden, zou er een tijdsperiode komen waarin het moeilijk of onmogelijk zou zijn hen van elkaar te onderscheiden en daarom zou het voor de meester noodzakelijk zijn hen te zamen te laten „opgroeien” tot de tijd van de „oogst”. Dan zou het „onkruid” duidelijk worden onderscheiden en het scheidingswerk zou dan kunnen plaatsvinden.
18. Wanneer begon de afval van het ware christendom, en wat zeiden de apostelen Paulus en Petrus hierover?
18 De afval van die vroege organisatie van het ware christendom vond na de dood van de twaalf apostelen plaats maar begon al voordat zij door de dood van het aardse toneel verdwenen. Let op Paulus’ waarschuwing in Handelingen 20:29, 30: „Ik weet dat er na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet teder zullen behandelen, en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.” Ook zei hij: „Want er zal een tijdsperiode komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar zich overeenkomstig hun eigen begeerten tal van leraren zullen bijeenbrengen om hun oren te laten kittelen, en zij zullen hun oren van de waarheid afwenden en daarentegen tot onware verhalen worden gekeerd” (2 Tim. 4:3, 4). Petrus waarschuwde: „Er stonden echter ook valse profeten onder het volk op, zoals ook onder u valse leraren zullen zijn. Dezen zullen heimelijk verderfelijke sekten invoeren en zullen zelfs de eigenaar, die hen heeft gekocht, verloochenen, een spoedige vernietiging over zichzelf brengend.” — 2 Petr. 2:1, 2; 2 Thess. 2:7.
19. Wat zijn enige bewijzen dat de christenheid door de eeuwen heen, niet christelijk was en ook nu niet is?
19 Van toen af aan is de christenheid de eeuwen door, de Donkere Middeleeuwen daarbij inbegrepen, met haar kruistochten, oorlogen en inquisities allesbehalve christelijk geweest. Zou de christenheid, met haar geloof in heidense leerstellingen als hellevuur, vagevuur, onsterfelijkheid van de menselijke ziel, drieëenheid, enzovoort, terecht christelijk kunnen worden genoemd? En hoe staat het in dit verband met het feit dat ze meedoet aan politiek, handelspraktijken, oorlogen en gokken? Ziet u bovendien haar geestelijkheid of de leden van de kerk druk bezig met het werk van Christus Jezus en de apostelen dat erin bestond discipelen te maken op de manier zoals de bijbel dat beschrijft en waarnaar wij hierboven hebben verwezen? Neen, de christenheid van tegenwoordig is niet christelijk en komt Jezus’ gebod, ware discipelen te maken, niet na. Vele verklaringen van vooraanstaande geestelijken tonen aan dat dit zo is. Openlijk geeft men dit toe.
20. (a) Door wie wordt het werk dat erin bestaat discipelen te maken thans gedaan, en hoe hebben zij zich voor deze taak voorbereid? (b) Welk aanvullend gebod is thans met Matthéüs 28:19 verbonden en speciaal voor onze tijd van toepassing?
20 Wie doet dan tegenwoordig het werk dat erin bestaat discipelen te maken? Hierover kan geen twijfel bestaan. Het zijn de christelijke getuigen van Jehovah. In deze laatste dagen is in die organisatie de herleving van het werk dat erin bestaat discipelen te maken, te vinden. Zij hebben zich bevrijd van de beklemmende geloofsbelijdenissen en bezoedelende valse leerstellingen van de nominale kerken. Zij hebben zich bevrijd van de hiërarchieke, congregationalistische en alle andere vormen van kerkbestuur die onschriftuurlijk zijn, en zij worden door een theocratisch bestuur geregeerd. Ten slotte: Zij hebben de methode van werken die door Jezus was ingesteld en door de apostelen en vroege discipelen werd gevolgd, weer opgenomen. Deze methode werd niet gevolgd eenvoudig om maar aan een schriftuurlijk patroon dat thans ouderwets is, te voldoen. Neen, er wordt nauwgezet aan vastgehouden omdat het nog steeds de grondigste en doelmatigste methode ter volbrenging van het werk is, die kon worden gevonden. Ja, Jehovah’s getuigen zijn thans degenen die gehoorzaam zijn aan het gebod van de Meester (dat men kan vinden in Matthéüs 28:19): „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën.” Behalve dat, doen zij echter nog meer; zij gehoorzamen het gebod dat voor onze tijd bedoeld is en dat opgetekend staat in Matthéüs 24:14: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen.” Het werk dat erin bestaat discipelen te maken, is weer in volle gang!
HET WERK VOLTOOIEN
21. (a) Is er in het werk dat bestaat in het maken van discipelen een factor van dringendheid aanwezig, en waarom? (b) Wat leren wij met betrekking tot dringendheid uit de ervaringen van Noach?
21 Zelfs wanneer men de activiteit van Jehovah’s getuigen slechts vluchtig gadeslaat, zal men zich realiseren dat er een factor van dringendheid in deze kwestie aanwezig is. Maar waarom? Stellig kan het werk dat erin bestaat discipelen te maken, oneindig lang voortduren! Dat is het nu juist: Dit kan niet. Dit werk had een begin en het zal een eind hebben. De schriftplaats die hierboven het laatst is aangehaald, zegt ons dat wanneer het predikingswerk volbracht is, ’dan het einde zal komen’. De „laatste dagen”, waarvoor in de bijbel zo dikwijls is gewaarschuwd, zijn aangebroken (2 Tim. 3:1; Jak. 5:3; 2 Petr. 3:3). Zij die graag een tevoren verschaft beeld van deze dagen zouden willen hebben, kunnen Matthéüs 24:37-39 en Genesis de hoofdstukken 6 en 7 lezen. Deze dagen zouden, zoals Jezus zei, „zoals de dagen van Noach” zijn. Noach werd een „prediker van rechtvaardigheid” genoemd en toen zijn waarschuwingswerk voltooid was en de deur van de ark was gesloten, werden er uit die generatie geen discipelen meer gemaakt. De gelegenheid voor redding was voorbij.
22. Kunnen discipelen in de haast gemaakt worden, of wat is er precies bij betrokken?
22 Indien wij in dringende tijden leven en het einde van dit samenstel van dingen nabij is, dan, zo zou iemand kunnen redeneren, is er waarschijnlijk een noodzaak voor haastige „beslissingen voor Christus” die op de manier van een Billy Graham worden genomen. Neen, zo gemakkelijk is dat niet. Jezus’ gebod was, discipelen te „maken”. Die uitdrukking op zich zelf wijst erop dat er heel wat werk mee gemoeid zou zijn. Ze wijst erop dat de discipel volgens een nieuw stel beginselen en ideeën klaargemaakt, gevormd of gekneed zou moeten worden. Dit is het nu juist wat volgens de woorden van de apostel in Romeinen 12:2 nodig is: „Wordt niet langer naar dit samenstel van dingen gevormd, maar wordt veranderd door uw geest te hervormen, opdat gij u ervan kunt vergewissen wat de goede en welgevallige en volmaakte wil van God is.” Een dergelijk werk zou tijd in beslag nemen; het zou niet door middel van een snelle bekering worden volbracht.
23. (a) Welk werk moet er in het begin en welk werk later worden gedaan, hetgeen tijd in beslag neemt? (b) Welke waarheid betreffende de geest van de mensen in onze tijd verlangzaamt het werk dat erin bestaat discipelen te maken?
23 Eerst moet er een opsporingswerk plaatsvinden. Van deur tot deur en op vele andere manieren wordt er met belangstellende personen contact gelegd en wordt hun de gelegenheid geboden een korte uiteenzetting van de bijbelse waarheid te beluisteren. Zij die een met schapen te vergelijken gezindheid aan de dag leggen en tonen dat zij er belangstelling voor hebben de waarheid van Gods voornemens te leren kennen, worden genoteerd en dan worden deze mensen opnieuw bezocht om de belangstelling nog te verlevendigen. Indien er een oprechte belangstelling blijkt te bestaan, kan een bijbelstudie worden opgericht, waarin een uitgestrekt terrein van bijbelse onderwerpen wordt bestreken, verkeerde inzichten uit de weg worden geruimd en vele vragen worden beantwoord. Zoals wij reeds zeiden, neemt dit alles tijd in beslag. Het goede nieuws is gedurende lange tijd als het ware met een sluier bedekt geweest en van sommigen is de geest verblind. Merk op met hoeveel ernst Paulus dit punt in 2 Korinthiërs 4:3, 4 uiteenzet: „Als er nu in werkelijkheid een sluier ligt over het goede nieuws dat wij bekendmaken, dan is het gesluierd onder hen die vergaan, onder wie de god van dit samenstel van dingen de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat het verlichtende licht van het glorierijke goede nieuws over de Christus, die het beeld van God is, niet zou doorschijnen.” Met volharding gegeven onderwijs maakt evenwel dat het licht van het goede nieuws doorschijnt. In 1965 hebben Jehovah’s getuigen elke week van het jaar 770.595 huisbijbelstudies geleid.
24. Hoe worden discipelen nog meer bijgestaan, behalve dat zij in het persoonlijke vlak worden onderwezen?
24 Het onderwijzingswerk wordt niet alleen in het persoonlijke vlak verricht, maar er zijn leerzame en interessante gemeentevergaderingen die men kan bijwonen en waar men zijn licht kan opsteken. De Wachttoren-studie, openbare lezing, dienstvergadering, bedieningsschool en gemeenteboekstudie worden elke week door hen die zich bewust zijn van hun geestelijke nood en die hun dorst naar het water der waarheid wensen te lessen, bezocht. Zoals dit in het Yearbook of Jehovah’s Witnesses over het jaar 1966 wordt bericht, vindt dit op wereldomvattende schaal in 24.158 gemeenten in 197 landen plaats.
25. Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat deze reusachtige onderneming haar voltooiing zal vinden?
25 Zal dit reusachtige karwei ten slotte worden voltooid? God geeft ons de verzekering dat dit het geval zal zijn. Betreffende alles wat hij onderneemt, zegt hij: „Alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend” (Jes. 55:11). Het werk dat wij doen, is werkelijk Jehovah’s werk, zoals wij uit de woorden van Paulus in 1 Korinthiërs 3:9 kunnen opmaken: „Want wij zijn Gods medewerkers. Gijlieden zijt Gods akker, die wordt bebouwd, Gods gebouw.” Het werk staat onder leiding van Christus Jezus en de engelen (Openb. 14:6). Onder zulk een toezicht kunnen wij er zeker van zijn dat het voltooid zal worden. Tegenwoordig heeft iedereen die werkelijk liefde voor de waarheid heeft, ook de gelegenheid op welke manier dan ook die waarheid te horen.
26. Hoe zou deze tijd, waarin discipelen worden gemaakt, terecht kunnen worden beschreven?
26 Dit dient een vreugdevolle tijd te zijn en dat is het ook. Terwijl Jezus in algemene zin over onze tijd sprak, zei hij: „Als nu deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan rechtop en heft uw hoofd omhoog, omdat uw bevrijding nabijkomt” (Luk. 21:28). In Matthéüs 18:13 wordt de vreugde die er is wanneer één verdwaald schaap gevonden wordt, als volgt beschreven: „En zo hij het vindt, voorwaar, ik zeg u dat hij zich meer over dat ene verheugt dan over de negenennegentig die niet zijn verdwaald.” Vooral thans is het een vreugdevolle tijd, nu duizenden worden gevonden.
27. Waarom dient het voltooien van het werk dat erin bestaat discipelen te maken, nog meer vreugde te geven?
27 De verwachting aan het begin van een onderneming kan opwindend zijn. Over welk gedeelte van een krachtsinspanning verheugt men zich echter in werkelijkheid het meest, over het begin of over het einde? Natuurlijk over het einde. Hier ziet men namelijk de vruchten van zijn arbeid. Hier ziet men niet slechts het schema of de plannen, maar de werkelijkheid. Zo is het ook met het werk dat bestaat in het maken van discipelen. Het prediken van dit goede nieuws van het Koninkrijk en het bijeenvergaderen van discipelen uit alle naties en rassen dat daardoor plaatsvindt, is de meest grootse taak die op deze aarde ooit is ondernomen. Welk een vreugde, in een tijd te leven waarin de voltooiing ervan zich letterlijk voor onze ogen afspeelt! Er zijn met recht vele redenen om ons te verheugen.
28. Welke gedachten dient iemand te koesteren die het hoogtepunt van dit grootse werk beziet?
28 Eén oorzaak van ware vreugde wordt echter gevonden in het hebben van een aandeel aan het werk. Men moet niet slechts een discipel zijn, maar men moet discipelen máken, en thans is het de tijd om aan dit werk deel te nemen. Wanneer deze gelegenheid om eraan deel te nemen eenmaal voorbij is, zal ze zich nooit meer voordoen. Het is waar dat God ons niet nodig heeft om het werk te doen, maar wat een zegen dat hij ons toestaat er een aandeel aan te hebben! Wanneer wij dit beseffen, dienen wij te werken met inzet van heel onze kracht en al onze bekwaamheden.