Vragen van lezers
● In Matthéüs 11:11 (NW) wordt erover gesproken, dat „een mindere in het koninkrijk der hemelen” groter is dan Johannes de Doper. Hoe moet dit begrepen worden? Zullen niet alle leden van Christus’ lichaam een gelijke positie innemen, of zullen sommigen hogere plaatsen bezetten en anderen in vergelijking met hen minder zijn? — V.C., Verenigde Staten.
Laten wij in de eerste plaats opmerken, dat er in de „koninkrijk der hemelen”-klasse hier op aarde altijd sommigen zijn geweest die een positie gepaard gaande met grotere verantwoordelijkheid hebben bekleed, terwijl anderen een lagere positie hebben ingenomen. Op zijn minst in dit opzicht zijn er dus in de „koninkrijk der hemelen”-klasse groteren en minderen. Waar van een organisatie sprake is, is dit stellig altijd het geval. Zo waren er in Israël bijvoorbeeld „oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig en oversten van tien”, ten einde een soepele werking van de organisatie te waarborgen. — Ex. 18:21.
In het hemelse koninkrijk zal Jezus Christus over alle 144.000 het hoofd zijn, en vergeleken met hem zullen allen beslist ’minderen’ zijn. Voorts lezen wij dat de heilige stad, het hemelse Jeruzalem, een muur heeft met „twaalf fundamentstenen, en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams” (Openb. 21:14, NW). In vergelijking met deze twaalf fundamentstenen zullen de overigen van de 144.000 ongetwijfeld ’minderen’ zijn. De Schrift bewaart ten aanzien van andere verschillen het stilzwijgen, maar gezien het in Openbaring 7:1-4 verschafte beeld van de twaalf stammen van het geestelijke Israël, waardoor het idee van een organisatie wordt gewekt, kan er worden gezegd dat er stilzwijgend te kennen wordt gegeven dat er in het koninkrijk der hemelen verschillende rangen bestaan.
● Gelieve mij te vertellen hoe ik 1 Korinthiërs 14:2 moet uitleggen. — J.M., Verenigde Staten.
Het onderhavige vers luidt: „Want wie in een tong spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het; door den Geest spreekt hij geheimenissen.” Deze tekst moet in het licht van de verzen 13-19 van hetzelfde hoofdstuk worden gezien, waar wij lezen:
„Derhalve moet hij, die in een tong spreekt, bidden, dat hij het moge uitleggen. Want indien ik bid in een tong, bidt mijn geest wel, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar. Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand. Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet, wat gij zegt. Want gij dankt wel goed, doch de ander wordt er niet door gesticht. Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek; maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen, dan duizenden woorden in een tong.”
Met andere woorden, een ieder die in een tong spreekt, spreekt — zo hij niemand heeft om de betekenis van het door hem gesprokene aan de luisteraars uit te leggen — veeleer tot God dan tot mensen. Het gesprokene heeft geen betekenis voor de toehoorders, die de vreemde taal waarin de boodschap — zoals ze door de wonderbaarlijke macht van Gods heilige geest wordt gegeven — wordt uitgesproken, niet begrijpen. Daarom zegt de apostel Paulus, „Niemand verstaat het”, omdat niemand het begrijpt. Het kan ook zijn dat zelfs de spreker van de vreemde tong zijn eigen boodschap niet begrijpt, want waarom zou de apostel Paulus anders zeggen, dat hij die in een tong spreekt, dient te bidden dat hij het moge uitleggen? Zo zou hij dus zelfs wat hijzelf door geest zegt, niet begrijpen zonder dat iemand anders het voor hem vertaalt of uitlegt.
Zou hij dus niemand hebben om zijn boodschap te vertalen of uit te leggen, dan zou hij stellig alleen tot God in plaats van tot mensen spreken. Daarom zegt de apostel Paulus dat indien er geen uitleggers aanwezig zijn, degene die in een vreemde tong spreekt, dient te bidden dat hij het ook moge vertalen of uitleggen en aldus door zijn uitlegging ook op een opbouwende wijze en tot Gods eer tot mensen kan spreken.
Wat een verschil vertoont de apostel Paulus met de hedendaagse sekten die beweren in tongen te kunnen spreken! Hun belangstelling gaat er niet in het minst naar uit om hun toehoorders hun brabbeltaal te doen begrijpen, maar zij willen hen door hun onverstaanbare spraak slechts imponeren. Verder voorzei Paulus: „Tongen, zij zullen verstommen [ophouden, NW].” En dit is ook gebeurd. De wonderbaarlijke gave der tongen was, te zamen met andere wonderbaarlijke manifestaties van de heilige geest, nodig om de christelijke gemeente te bevestigen. Nu de christelijke gemeente tot rijpheid is gekomen, heeft ze „afgelegd wat kinderlijk was”. — 1 Kor. 13:8, 11.
● Waarom worden in de New World Translation wanneer er naar de heilige geest wordt verwezen, op sommige plaatsen, zoals in Johannes 16:7, 8, de voornaamwoorden „hij” en „hem” gebruikt maar wordt op andere plaatsen het voornaamwoord „het” gebezigd? — B.H., VS.
In de regel gebruikt de New World Translation de manlijke voornaamwoorden „hij” of „hem” wanneer het Griekse voornaamwoord dat betrekking heeft op het ambt van de geest in het manlijke geslacht staat en enkelvoudig is. Ze gebruikt het onzijdige voornaamwoord „het” wanneer het persoonlijke voornaamwoord in de Griekse tekst in de onzijdige vorm staat. Wanneer hiervan is afgeweken, wordt dit in de voetnoot vermeld.
Het Griekse woord voor geest is zelf onzijdig, zodat het volkomen juist is wanneer er in het Engels met het onzijdige voornaamwoord naar wordt verwezen omdat het geen persoonlijkheid bezit. In de voetnoten van de New World Translation wordt hier eveneens de aandacht op gevestigd. Wanneer de heilige geest echter wordt verpersoonlijkt, zoals in Johannes 16:7, 8, waar naar de geest wordt verwezen als „de helper”, staan de voornaamwoorden die in het Grieks zijn gebruikt, in de manlijke vorm omdat het woord „helper” in het Grieks een manlijk zelfstandig naamwoord is, doch een willekeurig geslacht kan aanduiden.
Wij zullen in dit opzicht zeer worden geholpen wanneer wij begrijpen dat in het Grieks en in vele andere talen — anders dan in het Engels — zelfstandige naamwoorden dikwijls van grammaticaal standpunt uit als manlijk of vrouwelijk worden beschouwd alhoewel ze onzijdig in geslacht zijn. Zo krijgt het Spaanse woord mesa, dat „tafel” betekent, een vrouwelijk lidwoord, la, en het woord libro, dat „boek” betekent, het manlijke lidwoord el, ofschoon duidelijk voor de hand ligt dat geen van beide woorden geslacht of persoonlijkheid heeft. In zekere zin heeft het Engels zich hieraan aangepast, want het is heel gewoon om naar een bepaald schip met het vrouwelijke voornaamwoord „she” („zij”) te verwijzen. Het Engels is een zeer gemakkelijke taal omdat de Engelse zelfstandige naamwoorden geen willekeurig geslacht hebben en alle lidwoorden in het Engels — „a”, „an” en „the” [„een” en „de”] — onzijdig zijn, doch wat betreft nauwkeurigheid, verscheidenheid en schoonheid valt er veel voor het willekeurige gebruik van het geslacht te zeggen.
● Staat er iets in de bijbel wat zich er tegen uitspreekt dat men zijn ogen afstaat, zodat deze (na de dood) bij de een of andere levende persoon getransplanteerd kunnen worden? — L.C., Verenigde Staten.
Bepaalde religieuze groeperingen maken er bezwaar tegen dat men zijn lichaam of delen hiervan in het belang van wetenschappelijke experimenten of om deze in het lichaam van anderen over te plaatsen, na zijn dood aan wetenschapsmensen of doctoren ter beschikking stelt. Naar het lijkt, is hierbij echter geen enkel schriftuurlijk beginsel of bijbelse wet betrokken. Daarom is het iets wat elk individu voor zichzelf moet beslissen. Indien hij hiertoe in zijn geest het besluit heeft genomen en zijn geweten er geen geweld mee aandoet, is het juist en kan hij in dit verband bepaalde regelingen treffen, terwijl niemand hem hiervoor dient te bekritiseren. Anderzijds dienen er ook geen aanmerkingen te worden gemaakt op iemand die niet een dergelijke overeenkomst wil aangaan.
● In De Wachttoren van 15 december 1960 staat dat de christelijke gemeente, toen deze op Pinksteren haar begin vond, „zes van de acht joodse gelovigen [had] die werden gebruikt om de resterende zevenentwintig boeken van de bijbel . . . te schrijven”. Een van hen die ze niet onder zich had, was natuurlijk de apostel Paulus. Wie was de andere? — M.W., Indonesië.
Uit Handelingen 1:13, 14 blijkt dat de schrijvers van de christelijke Griekse geschriften, de apostelen Matthéüs, Johannes en Petrus, aanwezig waren, want in deze teksten worden alle getrouwe apostelen genoemd. Daar er wordt gezegd dat ook Jezus’ broers, of halfbroers, aanwezig waren, zijn eveneens Jakobus en Judas erbij inbegrepen. Er bestaat een tweevoudige reden voor om te geloven dat Markus een van de eerste gelovigen was. Ten eerste lijkt het erop dat hij de jongeman was die op de nacht van Jezus’ verraad schaars gekleed de vlucht nam, want Markus is de enige die dit incident vermeldt, en was dit een ander dan hijzelf geweest, dan zou hij hem ongetwijfeld met name hebben genoemd. Ten tweede werd het huis van zijn moeder door de vroege gemeente als een plaats van aanbidding gebruikt, hetgeen erop schijnt te wijzen dat zowel zij als haar zoon Markus vóór Jezus’ dood diens volgelingen waren geworden. — Mark. 14:51, 52; Hand. 12:12.
Hierdoor blijft buiten Paulus, alleen nog Lukas over. Dat hij hoogstwaarschijnlijk op Pinksteren niet aanwezig was, blijkt uit de inleiding van zijn Evangelie, want hij spreekt over hen „die van den aanvang af ooggetuigen en bedienaren des woords zijn geweest [en het] ons overgeleverd hebben”, waardoor wordt getoond dat hij geen ooggetuige was. Bovendien wordt er pas na de bekering van Saulus, die later de apostel Paulus werd, voor het eerst over Lukas gesproken, hoewel dan nog slechts door middel van het persoonlijke voornaamwoord „wij”. — Luk. 1:2, LV; Hand. 16:10.