Christenen — toeschouwers of deelnemers?
ZOU een leger de overwinning kunnen behalen wanneer alleen maar de generaal vocht, terwijl de troepen dit weigerden? Zou een team hardlopers kunnen winnen wanneer alleen de leider aan de wedstrijd deelneemt, maar de anderen niet?
Troepen die zouden weigeren te strijden, zouden zich wegens muiterij voor het gerecht moeten verantwoorden. In oorlogstijd staat hierop de doodstraf. Wanneer een team zou weigeren aan een wedstrijd deel te nemen, zou het worden weggezonden en door een ander worden vervangen waarvan de atleten zouden popelen van verlangen om hun prestaties met die van anderen te meten.
Christenen worden met soldaten en hardlopers vergeleken. „Neem als een juist soort van soldaat van Christus Jezus uw aandeel op u in het lijden van kwaad. Niemand die als soldaat dient, verwikkelt zich in de commerciële bezigheden des levens, opdat hij de goedkeuring zal kunnen verkrijgen van degene die hem als soldaat in dienst heeft genomen. Bovendien wordt iemand niet gekroond, ook al kampt hij in de spelen, indien hij niet overeenkomstig de regels heeft gestreden” (2 Tim. 2:3-5, NW). Laten wij „met volharding den wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, den leidsman en voleinder des geloofs”. — Hebr. 12:1, 2.
ALLEEN DE GEESTELIJKEN?
Geven deze woorden stilzwijgend te kennen dat alleen bedienaren van het evangelie of priesters tot de deelnemers behoren? Nemen alleen zij maar aan een levenswedstrijd deel? Neen, alle mensen die de beloning van het eeuwige leven wensen te ontvangen, moeten eraan deelnemen. Deelname is dus van het grootste belang, maar dit geldt ook voor het gehoorzamen van de regels. Ook al strijdt een leger, het zal toch de overwinning niet behalen als de strijders niet goed zijn toegerust en geen goede opleiding hebben genoten. Ook al doet een hardloper mee aan een wedstrijd, als hij zich niet heeft geoefend en niet overeenkomstig de regels loopt, zal hij de prijs niet ontvangen. In 1 Korinthiërs 9:24 verklaart de apostel Paulus: „Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één den prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij dien behaalt!” De christen moet derhalve zijn uiterste best doen de overwinning te behalen zonder de regels te overtreden.
Christenen worden dus wel vergeleken met soldaten, hardlopers en deelnemers, maar nooit met toeschouwers. Nergens in de christelijke Griekse Geschriften worden christenen ertoe aangemoedigd alleen maar toe te kijken terwijl anderen aan de levenswedstrijd deelnemen. Nergens worden christenen ertoe aangemoedigd te luisteren terwijl iemand anders als maar praat. In een woordenboek wordt „christen” als volgt gedefinieerd: „Iemand die in Christus gelooft; volgeling van Zijn voorbeeld en leringen; lid van de door Hem gestichte religie.” Eenvoudig gesteld moet een christen als Christus zijn. Wat deed Christus? Wat deden de apostelen, de discipelen en de vroege christenen? Waren zij toeschouwers of deelnemers? De apostel Paulus verklaarde: „Wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen.” De vroege christenen speelden mee in het toneelstuk en hadden hier een actief aandeel aan. De niet-christenen behoorden tot de toeschouwers en waren inactief. — 1 Kor. 4:9.
Christenen hebben Christus lief. Wat omvat deze liefde? Jezus zei: „Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren . . . Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van den Vader, die Mij gezonden heeft” (Joh. 14:23, 24). Liefde is kenbaar aan datgene wat men doet. Jezus drong er bij zijn volgelingen op aan de woorden van zijn Vader na te komen. Gehoorzaamheid aan Gods vereisten was dus onontbeerlijk voor redding. Liefde voor God en liefde voor Christus dient eveneens getoond te worden doordat men hun geboden gehoorzaamt.
Welke geboden? Kerkgangers geloven over het algemeen dat dit geboden zijn betreffende moraliteit, vriendelijkheid, een reine taal, oprechtheid, enzovoorts. Dit is belangrijk, maar er is meer bij betrokken. Als door God aangestelde bedienaren van het evangelie moeten wij Jezus’ voorbeeld navolgen.
Toen Jezus op aarde was, onderwees hij anderen over Gods wegen. Bovendien leidde hij zijn toehoorders op om hetzelfde onderwijzingswerk te verrichten dat hij deed. Merk op welke opdracht, hij anderen gaf: „Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: . . . Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Na zijn dood en opstanding zou een nog groter onderwijzingswerk worden gedaan. Toen hij uit het graf terugkeerde, zei Jezus: „Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen . . . en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Matth. 10:5, 7; 28:19, 20). Een discipel doet wat zijn onderwijzer doet. Degenen tot wie werd gepredikt, zouden ook predikers moeten worden. Discipelen waren deelnemers, geen toeschouwers!
Van welke methode zou men zich bedienen ten einde deze instructies om te prediken ten uitvoer te brengen? Zou het betekenen dat men gebouwen zou moeten gebruiken om daarin mensen bijeen te brengen die naar een prediker of bedienaar van het evangelie willen luisteren? Dit zou nuttig zijn, maar het zou niet de belangrijkste methode zijn waardoor men de bediening ten uitvoer zou kunnen brengen. Jezus toonde aan wat er moest gebeuren: „Welke stad of welk dorp gij ook binnenkomt, onderzoekt wie het daarin waard is . . . Als gij het huis binnentreedt, geeft het den vredegroet; en indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover . . . En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af” (Matth. 10:11-14). De onderwijzer zou niet verlangen dat de luisteraar bij hem zou komen, maar hij zou naar zijn toehoorders toe gaan! In Handelingen 20:20 (NW) zei de apostel Paulus: „Ik [heb] mij er niet van . . . weerhouden u al wat nuttig was, te vertellen en u in het openbaar en van huis tot huis te onderwijzen.”
Van huis tot huis! Dit is de belangrijkste methode die Jezus zijn volgelingen opdroeg in hun predikingsactiviteit toe te passen.
Het is waar dat deze instructies meer dan 1900 jaar geleden werden gegeven. Op grond hiervan kan men echter niet zeggen dat ze thans niet meer van toepassing zijn. In deze tijd hebben ze zelfs een bijzondere betekenis, want het tijdperk waarin wij thans leven, werd door Jezus de ’laatste dagen’ genoemd, een periode waarin er een einde aan deze goddeloze wereld gemaakt zou worden waarna deze door Gods nieuwe wereld vervangen zou worden. Toen Jezus op een onderdeel van het samengestelde teken van het einde de nadruk legde, zei hij: „Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.” — Matth. 24:14.
Jezus heeft veel gepredikt. Zijn apostelen en discipelen verrichtten als groep een zelfs nog groter predikingswerk. De grootste predikings- en onderwijzingsveldtocht in de gehele geschiedenis zou echter thans plaatsvinden! Ja, Jezus zei dat de prediking zich tot de gehele bewoonde aarde zou uitstrekken. In alle natiën dienen de mensen voor de naderende ondergang van dit stelsel te worden gewaarschuwd en over het opbeurende goede nieuws van Gods opgerichte koninkrijk te worden ingelicht.
NIET VOOR ALLEMAAL?
Wie zouden dit werk verrichten? Christenen — alle christenen! Sommigen zijn misschien van mening dat men dit te ruim neemt, dat het nooit in Jezus’ bedoeling heeft gelegen dat allen predikers en onderwijzers zouden zijn. Omdat degenen die hun religie aanhangen, niet aan de prediking van huis tot huis deelnemen, denken zij dat dit niet nodig is. Het zou voor zulke personen daarom goed zijn van de volgende verklaringen door leiders van belangrijke kerkgroeperingen nota te nemen.
De katholieke geestelijke J.A. O’Brien verklaarde in een artikel in de publikatie Extension van januari 1959: „’Ik heb ook nog andere schapen’, zei Jezus, ’die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook hen moet Ik leiden, en ze zullen luisteren naar mijn stem; dan zal het worden: één kudde, één herder’. Hoe moeten dezen in de ware schaapsstal worden gebracht? Niet door thuis te blijven zitten, maar door naar hen toe te gaan. Hiervoor is het nodig het schoenzool-apostolaat te beoefenen, bij de deuren aan te bellen en de mensen beleefd thuis op te zoeken.”
Doen katholieken dit? O’Brien antwoordt: „Deze taak zou volbracht kunnen worden indien onze 37.000.000 leken hun jas zouden uitdoen, hun mouwen zouden opstropen en zijde aan zijde naast hun geestelijke herders aan het werk zouden gaan.” Dat zij ertoe worden aangemoedigd hiermee een begin te maken, geeft duidelijk te kennen dat zij dit niet doen. Na te hebben gezegd dat er 250 katholieken voor nodig zijn om één bekeerling te maken, voegde hij hieraan toe: „245 verroerden nog geen vinger, terwijl de gedachte hieraan nog niet eens bij hen was opgekomen. In tegenstelling hiermee besteedt elke Getuige van Jehovah er verscheidene uren per week aan om aanhangers te winnen.” Wie gebruikt hij als een voorbeeld van wat moet worden gedaan? Jehovah’s getuigen!
Een andere geestelijke zei in een toespraak tot een groepering van een Nationale Raad van Kerken: „U moet inzien dat het geven van getuigenis fundamenteel is. Het is de basis van ons geloof.” In de uitgave van 14 mei 1960 van de Birmingham Post schrijft kanunnik B. Green: „Wij gebruiken geld voor dure, massale evangelisatieveldtochten, voor centrale organisaties en voor de overdadige versieringen van gebouwen. Zouden dit geld en deze energie niet beter besteed kunnen worden om . . . leken op te leiden, waarbij men teruggaat tot de apostolische taak om door middel van een veldtocht van huis tot huis tot de mensen te prediken? Waarom apostolisch? In de Handelingen der Apostelen vertelt Paulus ons hoe hij ’er niet voor terugschrok zowel in het openbaar als van huis tot huis te onderwijzen’.”
Verwacht kanunnik Green dat zijn mensen hierop zullen ingaan? Hij klaagt: „Het is misschien een goed idee, maar beschikken wij in de Christelijke Kerk over de toewijding en volharding welke nodig zijn om zulk een taak op de vereiste nationale schaal met succes te kunnen volvoeren? . . . Wij zouden ons best eens kunnen afvragen waar de jonge mannen van onze Christelijke Kerken zijn — de geestelijken niet meegerekend — die bereid zijn zich voor de zaak van Christus en zijn Evangelie zulke offers te getroosten.” Het is duidelijk dat deze religieuze leider niet veel hoop heeft dat hij de leken ertoe zal kunnen brengen aan de bediening van huis tot huis deel te nemen. Maakt hij bij wijze van voorbeeld speciaal melding van een groep die hierop een uitzondering vormt? Hij verklaart: „De voornaamste punten waarin Jehovah’s getuigen de Christelijke Kerk nog iets kunnen leren, betreffen hun geloof, de kracht van lectuur en de verspreiding hiervan van huis tot huis. Op deze manier werken zij. Het is voor hen een ernstige zaak . . . omdat zij geloven dat zij een goddelijke opdracht ten uitvoer moeten brengen.”
In de Paterson, New Jersey, Evening News van 5 mei 1960 werd de aandacht gevestigd op de overeenstemming welke er tussen de belangrijkste religieuze kerkgroeperingen bestaat met betrekking tot wat er met dit soort van bediening wordt bedoeld. Hierin stond: „Wat is deze veelbesproken ’bediening van de leken’? Protestantse en katholieke schrijvers, die hier de laatste tijd tientallen boeken over hebben geschreven, zijn het er over eens . . . dat er op iedere leek een beroep wordt gedaan om mee te helpen het goede nieuws van Christus aan degenen die dit niet hebben gehoord of begrepen, door te geven. Het gebod om het evangelie aan ’alle levende creaturen’ te prediken, werd niet enkel en alleen aan geordineerde bedienaren van het evangelie gegeven: het werd de gehele kerk opgelegd. En leken vormen meer dan 99 percent van de arbeidskrachten der kerk.”
Ook in het tijdschrift Lutheran Witness van 20 oktober 1959 werd over de plicht gesproken die allen hebben om getuigenis te geven: „Luther verhief de leken uit hun inferieure positie en maakte elke christen tot een ’priester’. Het geven van getuigenis voor Christus door ons leven, onze liefde en onze lippen neemt onder deze ’priesterlijke’ activiteiten de eerste en belangrijkste plaats in. Van Hem te zijn, wil zeggen, Zijn getuigen te zijn! . . . Onder Gods leiding dient iedere christen zich bij de groep getuigen aan te sluiten. Reeds in de vierde eeuw verklaarde de bekende kerkvader Hieronymus: ’De doop is de ordinatie der leken.’”
In deze zelfde publikatie toont een professor in de theologie aan een seminarie aan hoe bijzonder onwaarschijnlijk het is dat de leken in deze kerk activiteit zullen ontwikkelen. Dr. H. Sasse verwees „naar lutheranen over de gehele wereld, die — omdat zij onverschillig zijn geworden ten aanzien van gezonde lutherse leerstukken — geen definitieve en bevredigende antwoorden zouden kunnen geven . . . Onze kerken bevinden zich in precies dezelfde positie waarin het Anglicanisme zich bevindt. De Anglicaanse Kerk is net zomin als de vele hervormde kerken in staat precies onder woorden te brengen wat ze gelooft.”
De baptistische bedienaar van het evangelie L. Tarr van Canada toonde aan hoe ernstig het is geen deelnemer te zijn: „Iedere christen zou zich eigenlijk actief met het werk van het Evangelie moeten bezighouden. Hier zijn discipelen voor nodig. Wanneer hieraan niet wordt voldaan, komt dit neer op huichelarij.” Hij gaf vervolgens toe dat kerkgangers „zich tot toeschouwers in plaats van deelnemers rekenen”.
WIE VERANTWOORDELIJK GESTELD MOETEN WORDEN
Hoe zou een leger met succes kunnen optrekken wanneer de strijders niet hadden geleerd de wapens te hanteren? Hoe zou een hardloper aan een wedstrijd kunnen deelnemen wanneer hij nooit had geleerd hard te lopen? Hoe zou een christen getuigenis kunnen geven wanneer hij niet weet waarover hij in zijn getuigenis moet spreken? Door de schrikbarende onwetendheid welke er in de christenheid betreffende bijbelse waarheden bestaat, wordt het gewoon een onmogelijkheid dat zij getuigenis geven. In de Lansing, Michigan, State Journal van 11 mei 1960 werd de volgende zienswijze onder woorden gebracht: „Dit zal geen gemakkelijke taak zijn. Religieus analfabetisme viert hoogtij in de banken van Amerikaanse kerken, en geen leek, hoe gewillig ook, kan een duidelijk sprekende apostel zijn van een geloofsbelijdenis die hij niet ten volle begrijpt.”
De verantwoordelijkheid voor dit gebrek aan nauwkeurige kennis rust voornamelijk op de schouders van de geestelijke leiders. Zij hebben de bijbelse waarheden niet getrouw onderwezen. Zij hebben niet het juiste voorbeeld gegeven door de schriftuurlijke van-huis-tot-huismethode toe te passen. Zo’n handelwijze komt op hetzelfde neer als wanneer een generaal zou weigeren aan de oorlog deel te nemen, of een leider van een team zou weigeren zijn team te helpen. Als gevolg hiervan zijn zowel de geestelijken als de leken, ja, zowel de generaals als de troepen, zowel de leiders van een team als de hardlopers, door de grote rechter, Jehovah God, gediskwalificeerd. Hetgeen van de natie Israël gezegd kon worden, geldt ook voor de christenheid: „Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.” — Matth. 21:43.
God zal degenen gebruiken die genegen zijn deelnemers te zijn en als zijn getuigen op te treden. In deze tijd hebben honderdduizenden getuigen van Jehovah gehoor gegeven aan Jezus’ gebod het goede nieuws van het Koninkrijk van huis tot huis te prediken. Alleen zij hebben dit gebod getrouw opgevolgd. Hoe vreemd is het dan dat andere religiën erkennen dat het geven van getuigenis een noodzakelijk vereiste is, maar degenen die doen wat door hen wordt aanbevolen, vervolgen!
Het eeuwige leven is een wonderbaarlijke prijs. De toeschouwers zullen dit niet verkrijgen, de deelnemers wel. Wees niet een inactieve toeschouwer, maar neem aan de ware aanbidding deel om Gods goedkeuring en leven in zijn nieuwe wereld te verwerven!