Bent u geestelijk levend?
IEMAND die dood is, kan niets meer doen; toch zei Jezus bij een bepaalde gelegenheid: „Laat de doden hun doden begraven” (Luk. 9:60). Waarom zei hij dit? Hij wist heel goed dat dode lichamen geen andere dode lichamen kunnen begraven. Hij wist dat dode mensen niet eens kunnen denken, laat staan werken. Hoe kunnen de doden dan de doden begraven?
De verklaring is hierin gelegen dat iemand lichamelijk levend maar geestelijk dood kan zijn. De apostel Paulus toonde dit in zijn brief aan de Efeziërs aan: „Bovendien heeft God u levend gemaakt, ofschoon gij dood waart in uw overtredingen en zonden.” En tegen de Romeinen zei hij dat zij zich „aan God . . . als hen die levend zijn uit de doden” moesten aanbieden (Ef. 2:1; Rom. 6:13). Toen deze mensen christenen werden, kwam er een grote verandering over hen. Vroeger hadden zij Gods wetten veronachtzaamd en onverschillig tegenover zijn dienst gestaan. Zij waren geestelijk dood. Uit die dode toestand van inactiviteit werden zij geestelijk levend gemaakt. Dit werd bewezen door de goede vruchten die zij in de vorm van een steeds groter wordend aantal christenen, tot eer van God, voortbrachten.
Er bevinden zich in de christenheid vele mensen die er vast van overtuigd zijn dat zij geestelijk levend zijn omdat zij regelmatig de bijbel lezen en naar de kerk gaan. Waar blijft echter de activiteit die zou moeten bewijzen dat zij levend zijn? Hoe gebruiken zij de kennis die zij door het lezen van de bijbel verkrijgen? Kan men het één maal per week naar de kerk gaan als christelijke activiteit beschouwen? Kan dit dezelfde goede vruchten voortbrengen als door de christenen in de eerste eeuw werden voortgebracht?
De bekende dominee dr. R.J. McCracken van de Riverside-kerk in de stad New York betreurde het gebrek aan christelijke activiteit onder vele kerkgangers der christenheid. Hij zei: „Er zijn maar al te veel mensen die religie uitsluitend met godsdienstoefeningen, bidden, in de bijbel lezen en naar de kerk gaan in verband brengen. Zij zien over het hoofd dat het in de allereerste plaats het verheerlijken van God bij de alledaagse bezigheden des levens inhoudt. De wereld is de plaats waar men religie actief bezig moet zien.”
Wat voor activiteit moet dat echter zijn? Het deelnemen aan het een of andere politieke en burgerlijke streven? Het meewerken aan door de kerk georganiseerde gezellige avondjes? Het bouwen van ziekenhuizen of het organiseren van geheelonthouders- en hervormingsbewegingen? Het exploiteren van een speeltent op een kerkelijke liefdadigheidsbazaar? Zijn dat de bezigheden die iemand in Gods ogen geestelijk levend doen zij en die te zijner ere goede vruchten voortbrengen? Hierop is slechts één antwoord mogelijk en dat is een nadrukkelijk Neen!
De eerste christenen brachten vele christelijke vruchten voort omdat zij het geleerde verkondigden. Om geestelijk levend te kunnen zijn, is het noodzakelijk dat men de schriftuurlijke waarheden predikt. Dat is een bijbels vereiste: „Want met het hart oefent men geloof tot rechtvaardigheid, maar met de mond doet men een openbare bekendmaking tot redding.” „Al uw werken zullen u loven, O Jehovah, en uw mensen van liefderijke goedgunstigheid zullen u prijzen. Zij zullen over de glorie van uw koningschap spreken, en van uw macht getuigen, om de zonen der mensen zijn machtige daden en de glorie van de pracht van zijn koningschap bekend te maken.” — Rom. 10:10; Ps. 145:10-12.
De activiteit waarmee een christen zich moet bezighouden, is de openbare bekendmaking van het goede nieuws van Gods koninkrijk, van Zijn voornemen en van de vele verlichtende waarheden uit zijn Woord. Christus gaf het voorbeeld door zelf dit werk te doen. Hij verwachtte van zijn volgelingen dat zij hetzelfde zouden doen. Zij kregen zelfs het bevel ’nauwkeurig in zijn voetspoor te treden’ (1 Petr. 2:21). Jezus zei tot de twaalf apostelen: „Wanneer gij, gaat, predikt, zeggende: ’Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’”, en tegen Petrus en Andreas zei hij: „Komt achter mij, en ik zal u vissers van mensen maken.” — Matth. 10:7; 4:19.
Toen Jezus demonstreerde hoe zij „vissers van mensen” moesten worden, deed hij niet zoals een dominee in Muskegon, Michigan. Nadat deze een preek, gebaseerd op deze woorden van Jezus, gehouden had, nam hij ongeveer vijfendertig gemeenteleden mee naar buiten, waar zij bijten in het ijs hakten en de rest van de ochtend met vissen doorbrachten. Jezus nam zijn discipelen daarentegen mee in de velddienst. Daar toonde hij hun hoe zij in het openbaar de goede dingen die hij hun had geleerd, konden bekendmaken. Hij hielp hen geestelijk levend te zijn door christelijke activiteit. Kan dat ook van die dominee in Michigan worden gezegd?
De vraag, „Bent u geestelijk levend?” is zeer ernstig. Allen die beweren christelijk te zijn, dienen hier diep over na te denken. Alleen te zeggen dat u in God en Christus gelooft en de kerk te bezoeken, betekent nog niet dat u geestelijk levend, noch dat u een christen bent. Uw geloof moet bewezen worden door werken. De bijbelschrijver Jakobus zei: „Maar weet gij wel, o ijdel mens, dat geloof zonder werken inactief is? Zoals inderdaad het lichaam zonder adem dood is, is ook het geloof zonder de werken dood.” — Jak. 2:20, 26.
Juist activiteit in de christelijke bediening vormt er een bewijs van dat u gelooft en dat u geestelijk levend bent. Toen Jezus zei: „Laat de doden hun doden begraven”, legde hij ook uit welk verband er bestaat tussen geestelijk levend zijn en de bediening, door te zeggen: „maar gaat gij heen en maakt het koninkrijk Gods alom bekend” (Luk. 9:60). Doet u dat? Indien niet, hoe kunt u dan beweren geestelijk levend te zijn? Hoe kunt u dan zeggen dat u in Christus’ voetspoor treedt?
Of uw leven door God beëindigd of voor eeuwig verlengd zal worden, hangt van uw gehoorzaamheid aan God, uw geloof en uw geestelijke activiteit, die het bewijs van uw geloof vormen, af. Slechts door geestelijk levend te zijn, kunt u de hoop koesteren lichamelijk eeuwig in leven te blijven.